Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 3 maart 2005

 

MANDAATBESLUIT  RAAD  VOOR  WERK  EN  INKOMEN

Vervallen
m.i.v. 4 maart 2005
(art. I, onderdeel B, Wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 21)

 
 

21 december 2001, Stcrt. 2002, 2
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. art. 20:2 en 20:3 Wet SUWI)

 

 

 

 
21 december 2001/nr. AM/ARV/01/87748b

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Aan de Raad voor werk en inkomen wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten omtrent verstrekking van subsidie als bedoeld in het tweede lid van artikel 20 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

 

Art. 2.
Aan de Raad voor werk en inkomen wordt mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in artikel 1. [RbbS]

 

Art. 3.
Aan de Raad voor werk en inkomen wordt mandaat verleend tot vaststelling en bekendmaking in de Staatscourant van:
a. de perioden voor de indiening van aanvragen voor subsidie;
b. het minimum aantal werkzoekenden per aanvraag per aanvraagperiode;
één en ander overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers;
c. een subsidieplafond voor de verlening van subsidies per aanvraagperiode, één en ander overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers.

 

Art. 4.
Betalingen in verband met het verlenen van voorschotten, het aanpassen van verleende voorschotten en de vaststelling van de subsidie geschieden op basis van door de Raad voor werk en inkomen getroffen beschikkingen door de Directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 5.
Uiterlijk zes weken na het verstrijken van elk kwartaal rapporteert de Raad voor werk en inkomen aan de minister over de uitvoering van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden.

 

Art. 6.
De Inspectie Werk en Inkomen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, houdt toezicht op de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de aan dit besluit aan de Raad voor werk en inkomen gemandateerde bevoegdheden. Hiertoe heeft de Inspectie Werk en Inkomen ook toegang tot de administratie van de gesubsidieerde projecten.

 

Art. 7.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

Art. 8.
Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Raad voor werk en inkomen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's Gravenhage, 21 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[21 december 2001]

 

     Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI) kan de Minister van SZW overeenkomstig door hem te stellen regels subsidie verstrekken voor activiteiten die zijn gericht op de bevordering van inschakeling van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces. Op grond van het tweede lid kan de minister de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent de verstrekking van deze subsidie mandateren aan de Raad voor werk en inkomen (hierna: RWI). Dit geldt ingevolge het derde lid ook voor de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten omtrent de verstrekking van de subsidie.
     Ter verwezenlijking en uitvoering van artikel 20, eerste lid, van de Wet SUWI is een subsidieregeling getroffen. In deze subsidieregeling (Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers) zijn de criteria neergelegd op grond waarvan sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven gefinancierd kunnen worden. Op grond van artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet SUWI zijn de bevoegdheden tot het nemen van besluiten omtrent de verstrekking van subsidies op grond van deze subsidieregeling en tot het beslissen op bezwaarschriften tegen in het kader van de subsidieverlening genomen besluiten, in dit mandaatbesluit door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemandateerd aan de RWI. Bij de uitoefening van deze taken zal de RWI gebonden zijn aan de in de subsidieregeling en de in dit mandaatbesluit opgenomen regels.
     Tevens is op deze mandaatverlening de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing. Dit houdt bijvoorbeeld in dat ingevolge artikel 10:2 van de Awb een door de RWI genomen besluit als een besluit van de minister geldt. De minister blijft dus verantwoordelijk voor de door de RWI genomen besluiten in het kader van de subsidieregeling. Van belang is ook artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Hieruit volgt dat op een bezwaarschrift niet krachtens mandaat mag worden besloten door degene die het primaire besluit in mandaat heeft genomen. De RWI zal deze bevoegdheden dus moeten verdelen over verschillende functionarissen. Vervolgens staat voor aanvragers op basis van de Awb desgewenst beroep open bij de rechtbank en in tweede termijn bij de Centrale Raad van Beroep. De minister zal een aantal medewerkers van de RWI een volmacht geven om als gemachtigde van de minister op te treden in deze beroepsprocedures.
     Aangezien de RWI de subsidieregeling op een doelmatige en doeltreffende manier moet uitvoeren, is het wenselijk gebleken aan de RWI ook de bevoegdheden, genoemd in artikel 3 van dit besluit, te mandateren. De Awb staat hieraan niet in de weg.
     Met betrekking tot de uitvoering van de subsidieregeling is gekozen voor een kassiersfunctie van de Directie Financieel-Economische Zaken. De beoordeling van en het treffen van beschikkingen op voorschotaanvragen, aanpassingen van voorschotaanvragen en einddeclaraties zullen echter door de RWI worden uitgevoerd.
     Hoewel de verplichtingen en voorwaarden, genoemd in de artikelen 5 en 6 [van dit besluit, red.], ook al voortvloeien uit de Wet SUWI (artikelen 49, 37 en 42), zijn deze met betrekking tot de uitvoering van de subsidieregeling door de RWI hier specifiek geregeld.
     Het toezicht zal verder als volgt vormgegeven worden. In de Wet SUWI wordt de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) belast met het toezicht op de taakuitoefening door de RWI. De RWI is echter - in eerste instantie - verantwoordelijk voor de controle op de juiste uitvoering van de subsidieregeling door de aanvragers. Dit betreft onder meer de controle op de naleving van de voorschriften inzake inrichting van de administratie en non-cumulatie met andere financieringsbronnen (zoals ESF [Europees Sociaal Fonds, red.]). In de subsidieregeling zijn eisen opgenomen met betrekking tot de door de aanvrager te voeren administratie, zodat te allen tijde het vereiste inzicht kan worden geboden.
     De IWI dient zich ervan te vergewissen dat het in mandaat door de RWI uitgevoerde subsidieproces op rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wijze plaatsvindt. De IWI zal een oordeel vormen over de taakuitoefening van de RWI bij de uitvoering van de subsidieregeling. De wijze waarop de RWI vorm heeft gegeven aan onder meer de controle op de naleving van voorschriften inzake de inrichting van de administraties en de non-cumulatie met andere financieringsbronnen (zoals ESF) zijn daarbij aandachtspunten. De IWI baseert zich in eerste aanleg op de aangeleverde verantwoordingsinformatie van de RWI. De IWI zal zich tevens baseren op de controle van de aanvragers ter plaatse. De controles ter plaatse door de IWI hebben als doel het controleren van de taakuitvoering door de RWI. Ook de departementale accountantsdienst van het departement krijgt de bevoegdheid om namens de minister, steekproefsgewijze, de administraties van projecten te beoordelen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x