Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

REGELING  RESERVEVORMING  WACHTGELDFONDSEN  2002

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 6.1:5 RW)

 
 

1 juli 2002, Stcrt. 2002, 124
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. artt. 120:8 Wfsv en 51:8 Wet SUWI)

 

 

 

 
1 juli 2002/nr. SV/F&W/02/ 41795

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 51, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. jaar: kalenderjaar;
b. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 84 van de Werkloosheidswet, waarover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in een jaar ten gunste van een wachtgeldfonds de aldaar bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is;
c. de ziekengeldlasten: de uitkeringen die op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet ten laste van een wachtgeldfonds komen alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 90, eerste lid, van de Werkloosheidswet ten laste van het wachtgeldfonds komt, met uitzondering van de ziekengeldlasten en hetgeen op grond van artikel 90, vierde lid, van de Werkloosheidswet ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds wordt gebracht;
e. het lastenpercentage van de werkloosheidslasten: het percentage van de verzekerde loonsom in een jaar waarin de werkloosheidslasten van dat jaar tot uitdrukking komen;
f. de wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten in een jaar: het verschil tussen het lastenpercentage van de werkloosheidslasten in een jaar en dat lastenpercentage in het daaraan voorafgaande jaar.

 

Art. 2. De reserves voor de wachtgeldfondsen
-1. De in artikel 79 van de Werkloosheidswet bedoelde reserves voor de wachtgeldfondsen worden alle onderscheiden in een reserve voor de werkloosheidslasten en een reserve voor de ziekengeldlasten.
-2. De reserve voor de ziekengeldlasten heeft aan het einde van elk jaar een omvang van 10% van het gemiddelde van die lasten in dat jaar en de twee daaraan voorafgaande jaren.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wijst, met inachtneming van het vierde lid, de wachtgeldfondsen aan waarvoor een reserve voor de werkloosheidslasten wordt gevormd en in stand gehouden.
-4. Een reserve voor de werkloosheidslasten wordt niet gevormd of in stand gehouden indien in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarin de reserve zou worden gevormd of in stand gehouden, of in de veertien aan dat tweede jaar voorafgaande jaren, het lastenpercentage van de werkloosheidslasten niet ten minste eenmaal een wijziging van minimaal de drempelwaarde heeft gekend.
-5. De reserve voor de werkloosheidslasten heeft aan het einde van elk jaar een omvang van ten hoogste 2,5-maal de verzekerde loonsom in dat jaar maal het verschil tussen de grootste wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten, bedoeld in het vierde lid, en de voor het jaar van die wijziging geldende drempelwaarde.
-6. De drempelwaarde bedraagt voor de jaren tot 1996 0,2 procentpunt en voor de jaren daarna 0,4 procentpunt.
-7. Voor de toepassing van het vierde lid wordt de wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten in 1996 op nihil gesteld.
-8. Bij de toepassing van het vierde lid worden de lastenpercentages die betrekking hebben op het jaar 1998 herberekend met een correctiefactor die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen per sector is vastgesteld.

 

Art. 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

Art. 4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling reservevorming wachtgeldfondsen 2002.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

’s-Gravenhage, 1 juli 2002.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[1juli 2002]

 

Inleiding


     Krachtens artikel 51, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), die in werking is getreden op 1 januari 2002, kunnen met betrekking tot de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) beheerde fondsen regels worden gesteld betreffende de vorming, omvang en instandhouding van reserves.
     Met de onderhavige regeling worden regels gesteld betreffende de reservevorming in de wachtgeldfondsen. Deze regeling verschilt inhoudelijk niet van de Regeling reservevorming wachtgeldfondsen 2001 (Stcrt. 2000, 245), zoals die vóór de inwerkingtreding van de Wet SUWI was gebaseerd op artikel 72 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) en die in de plaats is gekomen van de Regeling reservevorming wachtgeldfondsen. In de regeling is "Landelijk instituut sociale verzekeringen" vervangen door "Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen" en zijn nog enkele correcties doorgevoerd.
     Het opnieuw vaststellen van deze regeling was noodzakelijk omdat deze door het vervallen van de grondslag is komen te vervallen en bij wet in de doorwerking ervan niet is voorzien. De toelichting op de "oude" regeling is dan ook van toepassing op de onderhavige en wordt ter informatie hierna opgenomen.

 

Regels voor de reservevorming vóór 1 januari 2001


     Tot 1 januari 2001 bestond de reserve voor de wachtgeldfondsen uit een deel ter dekking van de ziekengeldlasten en een deel ter dekking van de werkloosheidslasten. Het deel ter dekking van de werkloosheidslasten werd onderscheiden in een dekking vaste activa en een risico- en egalisatiedekking.
     De wachtgeldfondsen financierden ziekengelduitkeringen ten behoeve van personen voor wie bij ziekte geen loondoorbetalingsplicht door de werkgever gold. Het betrof personen die nog ziek waren op het moment dat de arbeidsverhouding met de werkgever was beëindigd. De reserve ter dekking van de ziekengeldlasten bood een financiële buffer voor onvoorziene ontwikkelingen in het ziekterisico.
     Daarnaast konden wachtgeldfondsen een dekking vaste activa in stand houden voor de financiering van duurzame bedrijfsmiddelen. Dit stamde uit de tijd dat de voormalige bedrijfsverenigingen de wachtgeldfondsen beheerden. Sinds de invoering van Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 worden er door de wachtgeldfondsen echter geen duurzame bedrijfsmiddelen meer gefinancierd.
     De risico- en egalisatiedekking diende de volgende doelen:
• Het financieren van onvoorziene lastenstijgingen in het lopende en komende kalenderjaar. Als gevolg van de toenmalige systematiek van premievaststelling bestond er een tijdspanne van minimaal twee jaar tussen de jaren waarop de wachtgeldpremie was gebaseerd en het jaar waarop de premie betrekking had. Deze systematiek vereiste een normreserve ter overbrugging van deze periode.
• Het geleidelijk in de premie tot uitdrukking laten komen van lastenmutaties als gevolg van conjunctuurschommelingen. De omvang van de risico- en egalisatiedekking bewoog zich anticyclisch ten opzichte van de conjunctuur. Bij dalende wachtgeldlasten werd vermogen opgebouwd. Op dit vermogen werd ingeteerd op het moment dat de lasten weer gingen stijgen. Hierdoor hoefde het premiepercentage de lastenontwikkeling niet direct te volgen.
• Het financieren van het liquiditeitsgat dat ontstaat doordat inkomsten en uitgaven binnen een kalenderjaar niet synchroon lopen.
     Uit een evaluatie is echter gebleken dat de risico- en egalisatiedekking in sommige gevallen premieschommelingen niet voorkwam, maar juist in de hand werkte. Veel wachtgeldfondsen bleken slechts marginaal te maken te hebben met lastenschommelingen als gevolg van de conjunctuur. De risico- en egalisatiedekking reageerde echter niet alleen op conjunctuurschommelingen, maar ook op andere, vaak incidentele lastenmutaties die ontstonden door wijzigingen in wet- en regelgeving of door het herschikken van de indeling van het bedrijfsleven in sectoren. Dit heeft geleid tot onnodig hoge reservevorming. Hierdoor stond de omvang van de risico- en egalisatiedekking bij veel wachtgeldfondsen niet meer in verhouding tot het conjuncturele risico.

 

Regels voor de reservevorming na 1 januari 2001


     De aanpassing van het Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen (Besluit van 7 november 2000 tot wijziging van het Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen in verband met wijziging van de premievaststellingssystematiek, Stb. 2000, 489), die regelt dat de wachtgeldpremie lastendekkend wordt vastgesteld, alsmede de constatering dat de lastenmutaties bij wachtgeldfondsen minder conjunctuurgevoelig zijn dan aanvankelijk werd aangenomen, gaven aanleiding de omvang van de normreserves te herzien. Dit leidde tot de volgende aanpassingen van de bestaande regeling.
     De normreserve van de wachtgeldfondsen bestaat sinds 1 januari 2001 uit drie delen:
• een reserve ter dekking van de ziekengeldlasten;
• een liquiditeitsreserve;
• voor sommige wachtgeldfondsen een reserve ter dekking van de werkloosheidslasten (artikel 2, eerste lid).
     De reserve ter dekking van de ziekengeldlasten is grotendeels onveranderd ten opzichte van de Regeling reservevorming wachtgeldfondsen, die tot 1 januari 2001 van kracht was. In aansluiting op het lastendekkend vaststellen van de wachtgeldpremie is geregeld dat ook het ramingsjaar wordt meegenomen bij de bepaling van de omvang van deze reserve. De omvang van de reserve ten behoeve van de ziekengeldlasten bedraagt 10% van de gemiddelde lasten over het jaar waarvoor de reserve wordt vastgesteld en de twee daaraan voorafgaande jaren (artikel 2, tweede lid). Hiernaast is de definitie van de ziekengeldlasten gewijzigd. Niet alleen de uitkeringen, maar ook de uitvoeringskosten ten behoeve van die uitkeringen en de sociale werkgeverspremies over die uitkeringen worden tot de ziekengeldlasten gerekend (artikel 1, onderdeel c).
     Omdat in een aantal wachtgeldfondsen de reservecomponent voor de werkloosheidslasten is vervallen, geldt voor de wachtgeldfondsen evenals voor het Algemeen Werkloosheidsfonds in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer een liquiditeitsreserve.
     Destijds was ervoor gekozen de liquiditeitsreserves niet van toepassing te laten zijn op de wachtgeldfondsen, omdat voor deze fondsen de risico- en egalisatiedekking werd gehanteerd. De omvang van de liquiditeitsreserve heeft een zodanig niveau dat de liquiditeitsbehoefte per 31 december van enig jaar overeenkomt met het bedrag dat aanwezig dient te zijn om het volgend jaar gemiddeld geen beroep op kredietfaciliteiten te hoeven doen, die bij een tekort aan financiële middelen in de sociale fondsen op grond van artikel 51, vierde lid, van de Wet SUWI, door de Minister van Financiën worden verleend.
     Daar veel sectoren niet of nauwelijks te maken blijken te hebben met lastenschommelingen, is een reservecomponent ter dekking van de werkloosheidslasten niet meer vanzelfsprekend. Het UWV wijst de wachtgeldfondsen aan waarvoor een reserve ter dekking van de werkloosheidslasten mag worden aangehouden (artikel 2, derde lid).
     Een wachtgeldfonds komt alleen in aanmerking voor een reserve ter dekking van de werkloosheidslasten als het fonds in het verleden te maken heeft gehad met lastenmutaties van enige omvang. De opwaartse mutatie in het lastenpercentage van jaar op jaar dient in de referteperiode minimaal eenmaal een drempelwaarde te overschrijden. De referteperiode beslaat vijftien jaar en begint zestien jaar vóór het jaar waarvoor de reserve wordt bepaald en eindigt twee jaar vóór het jaar waarvoor de reserve wordt bepaald (artikel 2, vierde lid). De drempelwaarde bedraagt voor de periode tot 1996 0,2 procentpunt en voor de periode vanaf 1996 0,4 procentpunt (artikel 2, zesde lid). Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat de wachtgeldperiode sinds 1996 is toegenomen. Als gevolg van deze trendbreuk in de drempelwaarde wordt de lastenmutatie van 1995 op 1996 niet meegenomen bij de bepaling van de hoogste mutatie van het lastenpercentage. Daartoe is artikel 2, zevende lid, opgenomen. Hiernaast regelt artikel 2, achtste lid, dat de lastenpercentages in 1998 worden herberekend met een correctiefactor. In 1998 werden slechts premies geheven over het loon boven de franchise in de wachtgeldfondsen. Hierdoor is de loonsom in 1998 relatief laag en zijn de lastenpercentages in 1998 zeer hoog. Zonder correctie zou de mutatie in de lastenpercentages zeer groot zijn, terwijl er geen sprake hoeft te zijn van grote conjuncturele schommelingen. Om deze reden worden de lastenpercentages gecorrigeerd voor het effect van de franchise, die slechts voor het jaar 1998 is ingevoerd bij de wachtgeldfondsen.
     De maximale omvang van de reserve bedraagt 2,5-maal de loonsom maal het verschil tussen de grootste mutatie van het lastenpercentage en de desbetreffende drempelwaarde (artikel 2, vijfde lid). In formulevorm:

RP = 2,5 * VL * (GMLP - DW)

waarbij:
RP = reserveplafond;
VL = verzekerde loonsom;
GMLP = grootste opwaartse mutatie van het lastenpercentage in de referteperiode;
DW = drempelwaarde die van toepassing is op het jaar waarin de grootste mutatie van het lastenpercentage plaatsvond.
     Van een dekking vaste activa wordt in de praktijk geen gebruik meer gemaakt, daar de wachtgeldfondsen sinds de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 geen duurzame bedrijfsmiddelen meer financieren. Deze reservecomponent is niet meer opgenomen in de onderhavige regeling.
     Het resultaat van deze aanpassingen is een lager niveau van de reserve en voor sectoren die te maken hebben met lastenmutaties van enige omvang, een toegenomen beleidsvrijheid ten aanzien van de hoogte van de reserve. De reserve wordt niet meer bepaald door een rekenregel. Er kan binnen de gedefinieerde beleidsruimte ingespeeld worden op de feitelijke omstandigheden waarmee een wachtgeldfonds te maken heeft. Door deze veranderingen is de normreserve gedaald van €|1,4 miljard ultimo 2000 naar circa €|0,4 miljard ultimo 2001. Samen met de gewijzigde wetgeving voor het vaststellen van de wachtgeldpremie is er met deze regeling een financieringsmethodiek ontstaan die meer prikkelwerking bewerkstelligt en daar waar mogelijk gebleken minder vermogen blokkeert in het kader van de verplichte reservering.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x