Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 3 maart 2005

 

STIMULERINGSREGELING  VACATUREVERVULLING  DOOR  WERKLOZEN  EN  MET  WERKLOOSHEID  BEDREIGDE  WERKNEMERS  (Svww)

Vervallen
m.i.v. 4 maart 2005
(art. I, onderdeel B, Wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 21)

 
 

21 december 2001, Stcrt. 2002, 2
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. art. 20:1 Wet SUWI)

 

 

 

 
21 december 2001/nr. AM/ARV/87748a

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 20, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
     Gezien het voorstel van de Commissie Voorbereiding Raad voor Werk en Inkomen van 5 oktober 2001;

     Besluit:

 

 

ž 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. CWI: de Centrale organisatie werk en inkomen;
d. regionaal platform: een regionaal platform als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet SUWI;
e. onderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de ondernemingsraden;
f. samenwerkingsverband: een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid waarin een aantal ondernemingen samenwerkt, dan wel een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, opgericht door ÚÚn of meer landelijk representatieve organisaties van werkgevers en ÚÚn of meer landelijk representatieve organisaties van werknemers;
g. aanvrager: een onderneming of een samenwerkingsverband met vacatures, dan wel met werknemers als bedoeld in onderdeel j;
h. dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor de duur van ten minste zes maanden, met een omvang van ten minste 12 uur per kalenderweek, waarin de loondoorbetalingsplicht van artikel 628 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet is uitgesloten, dan wel een publiekrechtelijke aanstelling voor de duur van ten minste zes maanden, met een omvang van ten minste 12 uur per kalenderweek;
i. werkloze: de persoon die blijkens een niet langer dan acht weken vˇˇr de aanvang van een traject door de CWI verstrekte verklaring als bedoeld in artikel 25 geen werk heeft of minder dan 12 uur per week werkt, staat ingeschreven bij de CWI en door die organisatie op grond van de administratieve indeling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet SUWI, is ingedeeld in fase 2, 3 of 4 als bedoeld in artikel 2.1, onderdeel b, c en d, van de Regeling SUWI, dan wel is ingedeeld in fase 1 als bedoeld in artikel 2.1, onderdeel a, van de Regeling SUWI en na het moment van die indeling langer dan zes maanden niet gewerkt heeft;
j. werknemer: de persoon met een dienstbetrekking die een schriftelijke mededeling van zijn werkgever ontvangt dat deze het voornemen heeft de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de publiekrechtelijke aanstelling, te beŰindigen;
k. werkzoekende: een werkloze of een werknemer;
l. re´ntegratieactiviteiten: het samenhangend geheel van activiteiten gericht op de plaatsing in een dienstbetrekking van werkzoekenden op vacatures, inhoudende de activiteiten werving en selectie, trajecten, bemiddeling en nazorg, dan wel overige re´ntegratieactiviteiten;
m. werving en selectie: activiteiten die direct gericht zijn op de instroom van werkzoekenden in trajecten;
n. traject: het geheel van activiteiten onderscheidenlijk activiteiten op het terrein van scholing, direct gericht op het geschikt maken van werklozen onderscheidenlijk werknemers voor inpassing in dienstbetrekkingen;
o. bemiddeling en nazorg: activiteiten die direct gericht zijn op de plaatsing en de bestendiging van die plaatsing van werkzoekenden in een dienstbetrekking;
p. overige re´ntegratieactiviteiten: activiteiten die de activiteiten, bedoeld in de onderdelen m, n en o, kunnen ondersteunen;
q. re´ntegratiebedrijf: de natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in het arbeidsproces bevordert.

 

Art. 2. Subsidie aan aanvrager
De minister verstrekt overeenkomstig deze regeling subsidie aan een aanvrager.

 

Art. 3. Aard subsidie
Subsidie wordt verstrekt voor de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten, voor voorbereidings- en beheerskosten van projecten, en in het geval van duurzame arbeidsinpassing van werklozen.

 

 

ž 2.  Aanvraag subsidie en beslissing op de aanvraag

 

Art. 4. Aanvragen
-1. De minister stelt vast en maakt in de Staatscourant bekend: [VdasS02] [VdasS03] [VeasS02] [VeasS03] [VtasS02] [VtasS03]
a. de perioden voor de indiening van aanvragen voor subsidie;
b. het minimum aantal werkzoekenden per aanvraag per aanvraagperiode.
-2. Een aanvrager kan per aanvraagperiode maximaal ÚÚn aanvraag indienen.

 

Art. 5. Indiening aanvraag
-1. Een aanvraag wordt bij aangetekend schrijven ingediend bij de minister, waarbij de aanvrager gebruik maakt van het daarvoor door de minister verstrekte aanvraag- en begrotingsformulier dat is ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 1, welke onderdeel uitmaakt van deze regeling.
-2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een projectplan;
b. informatie omtrent de aanvrager, waaronder begrepen de rechtsvorm en de bedrijfstak waaronder de aanvrager ressorteert;
c. een uittreksel uit de registers van de Kamer van Koophandel, dan wel uit het Stichtingen- of Verenigingenregister, en zo nodig een schriftelijke machtiging waaruit blijkt wie bevoegd is de aanvrager te vertegenwoordigen voor de aanvraag;
d. in het geval een onderneming onderscheidenlijk samenwerkingsverband namens een aantal ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden een aanvraag indient, de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de samenwerking tussen die ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden ten behoeve van de aanvraag, met daarin opgenomen een opgave van de betrokken ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden, alsmede een verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiŰle verplichtingen tussen die ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden;
e. in het geval de aanvraag betrekking heeft op werknemers en de aanvraag wordt ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband met werknemers, de overeenkomst, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, of artikel 8, vierde lid, onderdeel b;
f. in het geval een aanvrager in de zin van artikel 9 samenwerkt met een gemeente of meerdere gemeenten, de overeenkomst die aan de samenwerking ten grondslag ligt, met daarin opgenomen de mate waarin en de wijze waarop door die gemeente of gemeenten in de kosten van de re´ntegratieactiviteiten van het betreffende project wordt bijgedragen;
g. een verklaring onderscheidenlijk verklaringen waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt ingestemd door de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van de bij het project betrokken onderneming onderscheidenlijk ondernemingen, dan wel door ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties.
-3. In het geval een aanvraag wordt ingediend door een onderneming namens een aantal ondernemingen of door een samenwerkingsverband waarin een aantal ondernemingen samenwerkt, kunnen verklaringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, worden vervangen door een advies van een regionaal platform.
-4. De aanvraag bevat een verklaring van de aanvrager dat voor het project, dan wel voor onderdelen daarvan, geen subsidie uit het Europees Sociaal Fonds zal worden aangevraagd dan wel gebruikt.

 

Art. 6. Het projectplan
-1. Het projectplan, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, bevat:
a. een schets van de bestaande en te verwachten arbeidsmarkt- en werkgelegenheidssituatie in de aanvragende onderneming, dan wel in de bedrijfstak waaronder de aanvrager ressorteert;
b. een opgave en onderbouwing van het aantal werkzoekenden, alsmede een beschrijving van de aard van de functies dan wel beroepen en de vacatures waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. een beschrijving van de voorgenomen re´ntegratieactiviteiten, uitgesplitst naar de activiteiten werving en selectie, trajecten, bemiddeling en nazorg en overige re´ntegratieactiviteiten, alsmede van de voorgenomen activiteiten op het terrein van voorbereiding en beheer;
d. voor zover bekend, een opgave van de regioĺs waar de in onderdeel b bedoelde vacatures zich bevinden;
e. de planning en de doorlooptijd van de voorgenomen re´ntegratieactiviteiten;
f. een opgave van de bij de voorgenomen re´ntegratieactiviteiten betrokken samenwerkingspartners en uitvoerders.
-2. Het projectplan bevat voorts een begroting, een postgewijze toelichting op die begroting, alsmede een liquiditeitenplanning.

 

Art. 7. Voorwaarden
-1. Subsidie wordt slechts verleend voor activiteiten die betrekking hebben op het door de minister vastgestelde minimum aantal werkzoekenden.
-2. Subsidie wordt voorts slechts verleend:
a. voor trajecten van werkzoekenden die noodzakelijk zijn voor plaatsing van die werkzoekenden op vacatures;
b. voor trajecten die aanvangen binnen twaalf maanden na het moment van subsidieverlening;
c. voor trajecten met een duur van maximaal twaalf maanden;
d. indien de vacatures betrekking hebben op openstaande arbeidsplaatsen op de Nederlandse arbeidsmarkt;
e. indien de aanvrager de re´ntegratieactiviteiten niet uitvoert in de uitoefening van beroep of bedrijf;
f. indien de re´ntegratieactiviteiten niet leiden tot arbeid als bedoeld in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden, dan wel de artikelen 2 en 7 van de Wet sociale werkvoorziening;
g. voor zover de in het projectplan opgenomen scholingstrajecten geen betrekking hebben op het volgen van bekostigd onderwijs volgens ÚÚn van de onderwijswetten;
h. indien de aanvrager de kosten van de re´ntegratieactiviteiten die niet of niet volledig vergoed worden door de subsidie op grond van deze regeling, voor eigen rekening neemt en daarvoor geen andere subsidies of vergoedingen ontvangt.
-3. Onder de in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde andere subsidies of vergoedingen worden niet begrepen:
a. de mogelijkheden tot fiscale afdrachtvermindering;
b. subsidies of vergoedingen die worden ontvangen voor overige re´ntegratieactiviteiten;
c. de bijdragen die van gemeenten worden ontvangen op grond van artikel 9, tweede lid, alsmede bijdragen van gemeenten in de kosten van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en bemiddeling en nazorg.
-4. In het geval de trajecten plaatsvinden met een dienstbetrekking en de aanvrager niet de werkgever is met wie de dienstbetrekking is aangegaan, verstrekt de aanvrager de subsidie in de loonkosten als bedoeld in artikel 13, derde tot en met vijfde, achtste en negende lid, aan die werkgever.

 

Art. 8. Bijzondere voorwaarden scholing werknemers
-1. In het geval subsidie wordt aangevraagd voor scholingstrajecten ten behoeve van werknemers gelden in aanvulling op de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, bijzondere voorwaarden.
-2. Indien de aanvraag wordt ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband met vacatures, luiden de bijzondere voorwaarden als volgt:
a. de betrokken werknemers maken op basis van de in artikel 1, onderdeel j, bedoelde schriftelijke mededeling aan hun werkgevers en de aanvrager schriftelijk kenbaar deel te willen nemen aan re´ntegratieactiviteiten op het terrein van scholing;
b. de werknemers worden geschoold voor werkzaamheden in een andere onderneming en voor een andere functie of een ander beroep dan waarin zij voorafgaande aan het moment van de aanvang van de scholing werkzaam waren;
c. de werknemers zijn bij aanvang van de scholing een dienstbetrekking aangegaan in de bedrijfstak waaronder de aanvrager ressorteert.
-3. Indien de aanvraag wordt ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband met werknemers waar de scholingstrajecten ten behoeve van die werknemers plaatsvinden, luiden de bijzondere voorwaarden als volgt:
a. de betrokken werknemers maken op basis van de in artikel 1, onderdeel j, bedoelde schriftelijke mededeling aan hun werkgevers schriftelijk kenbaar deel te willen nemen aan re´ntegratieactiviteiten op het terrein van scholing gericht op het aangaan van een dienstbetrekking in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert;
b. de aanvrager sluit met de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures een overeenkomst met daarin ten minste opgenomen:
1║. het aantal werknemers op wie de overeenkomst betrekking heeft;
2║. de inhoud van de scholingstrajecten;
3║. de toezegging van de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures dat direct aansluitend op de voltooiing van de scholingstrajecten aan de werknemers een dienstbetrekking zal worden aangeboden in de bedrijfstak waaronder die onderneming of dat samenwerkingsverband ressorteert;
4║. de toezegging van de werkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, dat de dienstbetrekking met de betrokken werknemers gedurende de scholingstrajecten niet zal worden beŰindigd;
c. de werknemers worden geschoold voor werkzaamheden in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert en voor een andere functie of een ander beroep dan waarin zij voorafgaande aan het moment van de aanvang van de scholing werkzaam waren;
d. de werknemers gaan direct aansluitend op de voltooiing van de scholingstrajecten een dienstbetrekking aan in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert.
-4. Indien de aanvraag wordt ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband met werknemers en de scholingstrajecten ten behoeve van die werknemers gedeeltelijk bij de aanvrager en gedeeltelijk bij een onderneming of een samenwerkingsverband met vacatures plaatsvinden, luiden de bijzondere voorwaarden als volgt:
a. de betrokken werknemers maken op basis van de in artikel 1, onderdeel j, bedoelde schriftelijke mededeling aan hun werkgevers schriftelijk kenbaar deel te willen nemen aan re´ntegratieactiviteiten op het terrein van scholing gericht op het aangaan van een dienstbetrekking in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert;
b. de aanvrager sluit met de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures een overeenkomst met daarin ten minste opgenomen:
1║. het aantal werknemers op wie de overeenkomst betrekking heeft;
2║. de inhoud van de scholingstrajecten;
3║. de toezegging van de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures dat de scholingstrajecten ten behoeve van betrokken werknemers voor het deel dat die trajecten bij die onderneming of dat samenwerkingsverband geschieden met een dienstbetrekking zullen plaatsvinden en dat deze dienstbetrekkingen na voltooiing van de scholingstrajecten zullen worden gecontinueerd;
4║. de toezegging van de werkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, dat de dienstbetrekkingen met de betrokken werknemers niet zullen worden beŰindigd gedurende de periode dat de scholingstrajecten bij die werkgever plaatsvinden;
c. de werknemers worden geschoold voor werkzaamheden in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert en voor een andere functie of een ander beroep dan waarin zij voorafgaande aan het moment van de aanvang van de scholing werkzaam waren;
d. de werknemers zijn voor het deel dat de scholingstrajecten bij de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures plaatsvinden een dienstbetrekking aangegaan in de bedrijfstak waaronder de onderneming of het samenwerkingsverband met vacatures ressorteert.

 

Art. 9. Samenwerking met gemeenten
-1. De aanvrager kan in het kader van deze regeling op basis van een overeenkomst samenwerken met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten.
-2. In het geval sprake is van de in het eerste lid bedoelde situatie wordt slechts subsidie verleend indien de gemeente onderscheidenlijk gemeenten aan de aanvrager een bijdrage verstrekt onderscheidenlijk verstrekken van ten minste eenzelfde omvang als de subsidie van de minister op grond van artikel 13, zevende tot en met negende lid, met dien verstande dat 10% van de kosten van trajecten zonder dienstbetrekking voor rekening van de aanvrager blijft.

 

Art. 10. Afwijzingsgronden
-1. De subsidie wordt geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien:
a. de aanvrager de aanvraag niet binnen de vastgestelde aanvraagperiode heeft ingediend;
b. de aanvrager of de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden van deze regeling;
c. de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend, dan wel anderszins onvoldoende zekerheid bestaat omtrent de solvabiliteit of liquiditeit van de aanvrager;
d. de subsidie naar het oordeel van de minister in strijd met het doel en de strekking van deze regeling wordt of zal worden aangewend;
e. er naar het oordeel van de minister gegronde reden bestaat om aan te nemen dat aangevraagde activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
f. voor het projectplan, dan wel voor onderdelen daarvan, subsidie uit het Europees Sociaal Fonds is aangevraagd, dan wel gebruikt;
g. de kosten van de subsidiabele activiteiten niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister, gelet op bijzondere omstandigheden, besluiten de aanvraag in behandeling te nemen.

 

 

ž 3.  Verlening subsidie

 

Art. 11. Verlening subsidie
De minister verleent subsidie met betrekking tot de aanvraag. In de beschikking wordt het maximumsubsidiebedrag bepaald.

 

Art. 12. Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidiŰring ingevolge deze regeling komen uitsluitend in aanmerking:
a. de kosten van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten;
b. de voorbereidings- en beheerskosten van een project, als een percentage van de subsidie vastgesteld voor de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten.
-2. De kosten van de re´ntegratieactiviteit werving en selectie worden voor subsidie in aanmerking gebracht op basis van een forfaitaire vergoeding per in traject genomen werkzoekende. Deze kosten worden slechts in aanmerking genomen ten aanzien van trajecten waarvoor subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt.
-3. De kosten van de re´ntegratieactiviteit trajecten worden, in het geval de trajecten plaatsvinden zonder dienstbetrekking, voor subsidie in aanmerking gebracht als een percentage van de kosten tot een maximum per werkloze en, in het geval de trajecten plaatsvinden met een dienstbetrekking, op basis van een forfaitaire tegemoetkoming in de loonkosten tot een maximum per werkzoekende. Daarbij kan slechts subsidie worden verleend voor trajecten die starten vanaf het moment van subsidieverlening en voor daadwerkelijk gemaakte kosten die voor de uitvoering van deze trajecten noodzakelijk worden geacht.

 

Art. 13. Subsidiemaatstaf
-1. De subsidie voor werving en selectie bedraagt Ç|600,00 per in traject genomen werkzoekende.
-2. De subsidie voor een traject zonder dienstbetrekking bedraagt 80% van de kosten tot een maximum van Ç|3000,00 per werkloze onderscheidenlijk van Ç|6000,00 per werkloze indien die werkloze door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4 als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c en d, van de Regeling SUWI.
-3. De subsidie in de loonkosten voor een traject met een dienstbetrekking van 32 uur of meer per kalenderweek bedraagt per werkloze Ç|250,00 per maand tot een maximum van Ç|3000,00 onderscheidenlijk Ç|500,00 per maand tot een maximum van Ç|6000,00 voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4. Bij een dienstbetrekking tussen 12 en 32 uur per kalenderweek wordt de subsidie naar rato berekend.
-4. De subsidie per werkloze die een traject gedeeltelijk zonder en gedeeltelijk met een dienstbetrekking volgt, bedraagt het bedrag van de subsidie, bedoeld in het derde lid, aangevuld met de subsidie, bedoeld in het tweede lid, tot een maximum van Ç|3000,00 onderscheidenlijk Ç|6000,00 voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4.
-5. De subsidie in de loonkosten voor een scholingstraject van werknemers dat plaatsvindt met een dienstbetrekking van 32 uur of meer per kalenderweek, bedraagt per werknemer Ç|250,00 per maand tot een maximum van Ç|3000,00. Bij een dienstbetrekking tussen 12 en 32 uur per kalenderweek wordt de subsidie naar rato berekend.
-6. De subsidie voor voorbereidings- en beheerskosten van een project bedraagt 10% van de subsidie vastgesteld voor de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten, met een maximum van Ç|115 000,00 per aanvrager binnen een periode van 52 kalenderweken.
-7. Indien in het kader van een project wordt samengewerkt met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten in de zin van artikel 9, bedraagt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, voor een traject zonder dienstbetrekking 45% van de kosten met een maximum van Ç|1700,00 per werkloze onderscheidenlijk van Ç|3400,00 voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4.
-8. Indien in het kader van een project wordt samengewerkt met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten in de zin van artikel 9, bedraagt de subsidie, bedoeld in het derde lid, voor een traject met een dienstbetrekking van 32 uur of meer per kalenderweek per werkloze Ç|125,00 per maand tot een maximum van Ç|1500,00 onderscheidenlijk Ç|250,00 per maand tot een maximum van Ç|3000,00 voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4. Bij een dienstbetrekking tussen 12 en 32 uur per kalenderweek wordt de subsidie naar rato berekend.
-9. Indien in het kader van een project wordt samengewerkt met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten in de zin van artikel 9, bedraagt de subsidie, bedoeld in het vierde lid, per werkloze die een traject gedeeltelijk zonder en gedeeltelijk met een dienstbetrekking volgt, het bedrag van de subsidie, bedoeld in het achtste lid, aangevuld met de subsidie, bedoeld in het zevende lid, tot een maximum van Ç|1700,00 onderscheidenlijk Ç|3400,00 voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4.

 

Art. 14. Bonus bij duurzame arbeidsinpassing
-1. Een aanvrager kan een bonus ontvangen van Ç|2000,00 per werkloze die:
a. binnen drie maanden na voltooiing van een traject zonder dienstbetrekking of aansluitend op een voltooid traject met een dienstbetrekking geplaatst is op een dienstbetrekking; en
b. die dienstbetrekking vervolgens gedurende zes maanden bij ÚÚn werkgever heeft vervuld.
-2. Het bedrag van de aan een aanvrager te verstrekken bonus wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
B = [WL - {WL/WZ x (0,25 x AWZ)}] x Ç|2000,00,
waarbij:
a. B de aan de aanvrager te verstrekken bonus is;
b. WL het aantal werklozen is dat voldoet aan de in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde criteria;
c. WZ het aantal werkzoekenden is dat voldoet aan de in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde criteria;
d. AWZ het in de aanvraag opgenomen aantal werkzoekenden is;
e. de uitkomst van de component {WL/WZ x (0,25 x AWZ)} in voorkomende gevallen op een geheel getal naar beneden wordt afgerond.
-3. In het geval de in het tweede lid beschreven formule tot een negatieve uitkomst leidt, wordt de aan de aanvrager te verstrekken bonus op nihil gesteld.
-4. De in het eerste lid bedoelde bonus wordt slechts verleend voor dienstbetrekkingen die voortvloeien uit trajecten waarvoor subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt en wordt niet verleend voor de inpassing op arbeid als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen.

 

 

ž 4.  Verplichtingen van de subsidieontvanger

 

Art. 15. Voorschriften
-1. De minister is bevoegd aan een subsidieverlening voorschriften te verbinden, voor zover deze noodzakelijk zijn ter waarborging van een correcte uitvoering van de activiteiten, dan wel voor het behoud van een voldoende inzicht in de voortgang van de uitvoering van de activiteiten.
-2. De aanvrager is gehouden kosteloos medewerking te verlenen aan door of namens de minister ingesteld onderzoek, waaronder wordt begrepen toegang verlenen tot zijn administratie, dat erop gericht is de minister inlichtingen te verschaffen over de uitvoering van deze regeling en de met de regeling bereikte effecten en behaalde resultaten.
-3. De aanvrager voert de re´ntegratieactiviteiten uit conform het projectplan op basis waarvan subsidie is verleend.
-4. Voorgenomen wijzigingen in de in het projectplan opgenomen re´ntegratieactiviteiten, alsmede in de planning en de doorlooptijd daarvan, worden, voor zover deze invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op of de hoogte van de subsidie, bij de minister gemeld en kunnen eerst tot uitvoering worden gebracht na verkregen toestemming van de minister.
-5. Indien de aanvrager re´ntegratieactiviteiten door een re´ntegratiebedrijf of arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 laat verrichten, regelt hij in een schriftelijke overeenkomst in elk geval dat het re´ntegratiebedrijf of de arbodienst verplicht is:
a. de persoonlijke levenssfeer van de werkzoekenden van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die werkzoekenden wordt overgelegd;
b. in geval van een geschil tussen de te re´ntegreren werkzoekende en het re´ntegratiebedrijf of de arbodienst een klachten- en geschillenregeling toe te passen die door het re´ntegratiebedrijf of de arbodienst aan de te re´ntegreren werkzoekende is overgelegd;
c. kosteloos medewerking te verlenen aan het onderzoek, bedoeld in het tweede lid;
d. de gegevens die het re´ntegratiebedrijf of de arbodienst in verband met deze werkzaamheden verkrijgt uitsluitend te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van die werkzaamheden, dan wel voor de naleving van verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met c;
e. indien dit re´ntegratiebedrijf of deze arbodienst deze werkzaamheden laat verrichten door een ander re´ntegratiebedrijf of een andere arbodienst, in een schriftelijke overeenkomst met dat andere re´ntegratiebedrijf of deze andere arbodienst te regelen dat voor dat bedrijf of deze dienst de verplichtingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, gelden.

 

Art. 16. Administratie
-1. De aanvrager draagt zorg voor het voeren van een dusdanige administratie van de uitgevoerde re´ntegratieactiviteiten dat te allen tijde een volledig inzicht kan worden geboden in:
a. de aard van de uitgevoerde re´ntegratieactiviteiten, de tijdstippen waarop die hebben plaatsgehad en de bereikte resultaten;
b. het aantal werklozen onderscheidenlijk werknemers dat aan de uitgevoerde re´ntegratieactiviteiten heeft deelgenomen;
c. voltooide onderscheidenlijk voortijdig beŰindigde re´ntegratieactiviteiten, alsmede voor wat betreft de laatstgenoemde categorie re´ntegratieactiviteiten de reden van beŰindiging;
d. de wijze waarop de re´ntegratieactiviteiten zijn uitgevoerd en de daarbij betrokken samenwerkingspartners en uitvoerders;
e. de financiering van de re´ntegratieactiviteiten, de werkelijk gemaakte kosten en de ontvangen bijdragen;
f. de bewijsstukken ten aanzien van de uitgevoerde re´ntegratieactiviteiten, de gemaakte kosten en de ontvangen bijdragen.
-2. Van de werklozen onderscheidenlijk werknemers als bedoeld in het eerst lid, onderdeel b, die aan trajecten deelnemen, legt de aanvrager voorts de volgende gegevens in de administratie vast:
a. naam en sociaal-fiscaal nummer;
b. leeftijd, geslacht en vooropleiding;
c. in het geval sprake is van werklozen, de administratieve indeling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet SUWI, de werkloosheidsduur en de uitkeringsstatus;
d. de verklaring, bedoeld in artikel 25;
e. in het geval sprake is van werknemers, een afschrift van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, bedoelde mededeling van de werkgever en van de mededeling van de werknemer, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a;
f. in het geval sprake is van werknemers, de bedrijfstak waarin voorafgaande aan de scholing is gewerkt onderscheidenlijk de bedrijfstak van de werkgever met wie na voltooiing van het scholingstraject de dienstbetrekking wordt aangegaan, alsmede de laatst vervulde functie of het laatst uitgeoefende beroep;
g. inhoud van het traject;
h. de gerealiseerde dienstbetrekkingen en de duur daarvan.

 

Art. 17. Informatie
-1. De aanvrager verstrekt de minister desgevraagd alle gegevens die door de minister noodzakelijk worden geacht om na te gaan of wordt voldaan aan de op grond van deze regeling geldende voorwaarden en voorschriften, waaronder in ieder geval is begrepen informatie over de voortgang van de uitvoering van de activiteiten.
-2. De aanvrager verstrekt de minister de in het eerste lid bedoelde informatie in ieder geval gedurende het eerste jaar per kwartaal en vervolgens elk halfjaar, waarbij hij gebruik maakt van het daarvoor door de minister ter beschikking gestelde formulier dat is ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2, welke onderdeel uitmaakt van deze regeling.

 

Art. 18. Mededelingsplicht
De aanvrager doet onverwijld mededeling aan de minister van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring.

 

Art. 19. Bewaarplicht administratie
Degene aan wie subsidie is verleend, bewaart de administratie, inclusief de daarbij behorende bewijsstukken, ten minste gedurende zeven jaar na de definitieve subsidievaststelling en stelt deze desgevraagd aan de minister ter beschikking voor controledoeleinden.

 

Art. 20. Intrekking en wijziging
De minister kan de subsidieverlening intrekken of in benedenwaartse zin wijzigen, indien:
a. de aanvrager zijn verplichtingen uit hoofde van de regeling niet, niet tijdig dan wel niet behoorlijk nakomt en de aanvrager het gebrek niet binnen een door de minister gestelde periode herstelt;
b. de aanvrager de subsidie niet of niet geheel aan het project besteedt;
c. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel zijn uitgevoerd of zullen worden uitgevoerd;
d. de aanvrager kosten waarvoor in de begroting van het projectplan geen post is onderscheidenlijk posten zijn opgenomen, heeft betrokken bij een verzoek om bevoorschotting of bij de eindafrekening, zonder dat hiervoor toestemming van de minister is verkregen;
e. de aanvrager onjuiste informatie heeft verstrekt over zichzelf dan wel het project, dan wel relevante informatie omtrent het project niet heeft verstrekt aan de minister;
f. de aanvrager heeft gehandeld in strijd met de eisen opgenomen in artikel 10;
g. de aanvrager de beschikkingsmacht geheel of gedeeltelijk verliest op grond van surseance van betaling, faillissement, ontbinding of enig andere reden.

 

 

ž 5.  Voorschotten en subsidievaststelling

 

Art. 21. Bevoorschotting
-1. Bevoorschotting van de subsidie kan door de minister ten hoogste viermaal op verzoek geschieden tot een maximum van 20% van het verleende subsidiebedrag per keer. Het eerste voorschot kan worden verstrekt direct na het moment van subsidieverlening. De volgende voorschotten kunnen worden verkregen indien de door de aanvrager in te dienen periodieke informatie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de mate van realisatie van de voorgenomen activiteiten, alsmede de werkelijke uitgaven en de te verwachten uitgaven daartoe aanleiding geven.
-2. Een verzoek om bevoorschotting geschiedt met behulp van het daarvoor door de minister verstrekte formulier dat is ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 3, welke onderdeel uitmaakt van deze regeling, en gaat vergezeld van:
a. een overzicht van de werkelijke uitgaven in het kader van de subsidieverlening tot op dat moment;
b. de te verwachten uitgaven voor de periode waarvoor het voorschot wordt gevraagd.

 

Art. 22. Declaratie
-1. De aanvrager dient binnen drie maanden na afronding van de uitvoering van het projectplan, bedoeld in artikel 5, tweede lid, bij de minister een einddeclaratie in.
-2. Bij de einddeclaratie wordt door de aanvrager een eindrapportage over de met de verleende subsidie uitgevoerde activiteiten en de daarmee behaalde resultaten overgelegd.
-3. De einddeclaratie gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de aanvrager aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de aanvrager dat aan de minister desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
-4. De verklaring als bedoeld in het derde lid heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen door de aanvrager. De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn bevindingen.
-5. De aanvrager maakt bij de indiening van de einddeclaratie, de eindrapportage en de accountantsverklaring gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren die zijn ingericht overeenkomstig de modellen die zijn opgenomen in onderscheidenlijk de bijlagen 4, 5 en 6, welke onderdeel uitmaken van deze regeling.
-6. Het onderzoek dat resulteert in de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in het vierde lid, wordt uitgevoerd met inachtneming van het controle- en rapportageprotocol dat is beschreven in bijlage 7, welke onderdeel uitmaakt van deze regeling.

 

Art. 23. Opschorting betalingen
De betalingen in verband met de bevoorschotting en de einddeclaratie kunnen door de minister worden opgeschort, indien:
a. de voortgang van het project afwijkt van de tijdsplanning als uitgewerkt in het projectplan op basis waarvan subsidie is verleend;
b. de aanvrager zijn verplichtingen niet, niet tijdig dan wel niet behoorlijk nakomt;
c. de aanvrager de subsidie niet besteedt of zal besteden ten behoeve van het project, dan wel de gelden niet besteedt als opgenomen in het projectplan;
d. de aanvrager in strijd gehandeld heeft met de eisen zoals opgenomen in artikel 10;
e. de informatie, bedoeld in artikel 17, daartoe aanleiding geeft.

 

Art. 24. Vaststelling definitief subsidiebedrag
-1. Het definitieve subsidiebedrag wordt door de minister vastgesteld op grond van de door de aanvrager ingediende einddeclaratie, eindrapportage, accountantsverklaring en verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 22.
-2. Het definitieve subsidiebedrag is niet hoger dan het bedrag dat blijkens de verklaring van de accountant en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van deze regeling is, en kan nooit meer bedragen dan het in de beschikking subsidieverlening vermelde maximumsubsidiebedrag.
-3. Het definitieve subsidiebedrag wordt door de minister vastgesteld binnen twaalf maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde bescheiden.

 

 

ž 6.  Slotbepalingen

 

Art. 25. Verklaring CWI
De CWI verstrekt desgevraagd in de vorm van een verklaring aan de aanvrager over een werkloze de gegevens als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a en c, behoudens het sociaal-fiscaal nummer en de uitkeringsstatus.

 

Art. 26. Subsidieplafond
-1. Het subsidieplafond voor de toepassing van deze regeling wordt jaarlijks door de minister vastgesteld. [RsS02] [RsS03]
-2. De minister stelt per aanvraagperiode als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, een subsidieplafond voor de verlening van subsidies ingevolge deze regeling vast en maakt dit bekend in de Staatscourant. [VdasS02] [VdasS03] [VeasS02] [VeasS03] [VtasS02] [VtasS03]
-3. Geen subsidie wordt verleend indien de subsidieplafonds voor de uitvoering van deze regeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, door het totaal van de toezeggingen zijn bereikt.
-4. Voor de bepaling van het bereiken van een subsidieplafond, bedoeld in het tweede lid, worden aanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen volledige aanvragen in aanmerking worden genomen. Van een volledige aanvraag is sprake indien wordt voldaan aan artikel 5.

 

Art. 27. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

Art. 28. Citeerartikel
Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen 1, 6 en 7 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 2 tot en met 5 worden vˇˇr 1 februari 2002 in de Staatscourant geplaatst.╣

1. Raadpleeg voor bijlagen 1 tot en met 7 Staatscourant 2003, 21, en Staatscourant 2003, 39, voor de rectificaties, red.

 

's-Gravenhage, 21 december 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[21 december 2001]

 

Algemeen

 

Inleiding


     In de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Stb. 2001, 624) die per 1 januari 2002 in werking is getreden, wordt voorzien in de totstandkoming van de Raad voor werk en inkomen. Deze Raad, waarin naast een onafhankelijk voorzitter zitting hebben vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties en van de gemeenten, vormt voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het overlegorgaan met betrekking tot aangelegenheden op het terrein van werk en inkomen in de meest brede zin.
     In genoemde wet zijn aan de Raad voor werk en inkomen onder meer taken toebedacht in de sfeer van de ontwikkeling en de uitvoering van een subsidieregeling die zich richt op de ondersteuning van sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven op het gebied van de re´ntegratie van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden (artikel 20).
     Meer specifiek wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat de Raad voor werk en inkomen de criteria dient te ontwerpen op grond waarvan voornoemde sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven gefinancierd kunnen worden en op basis daarvan een concept-subsidieregeling dient op te stellen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legt de subsidieregeling vervolgens vast in een ministeriŰle regeling en stelt ten behoeve van de uitvoering van de regeling een budget beschikbaar. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent het verlenen van subsidies op grond van de regeling is, evenals de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften tegen in het kader van de subsidieverlening genomen besluiten, door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemandateerd aan de Raad voor werk en inkomen.
     De onderhavige Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (Svww) vormt de uitwerking van het voornemen om te komen tot een subsidieregeling gericht op ondersteuning van sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven op het gebied van de re´ntegratie van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden. De Stimuleringsregeling is gebaseerd op de criteria die door Raad voor werk en inkomen dienaangaande zijn geformuleerd en op de concept-subsidieregeling die in het verlengde daarvan door de Raad is opgesteld. De taken van de Raad voor werk en inkomen op het terrein van de uitvoering van de Svww zijn opgenomen in het Mandaatbesluit Raad voor werk en inkomen.
     In dit algemene deel van de toelichting wordt achtereenvolgens aandacht geschonken aan de uitgangspunten en de doelstelling, de kring aanvragers en de doelgroep deelnemers van de Svww. Voorts komen de met de regeling te subsidiŰren activiteiten en een aantal uitvoeringstechnische aspecten aan de orde. Voor zover noodzakelijk wordt op de aard en strekking van afzonderlijke artikelen nader ingegaan in het artikelsgewijze deel van de toelichting.
     Gelet op het mandaat dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van het hierboven genoemde Mandaatbesluit aan de Raad voor werk en inkomen is gegeven, is er in de toelichting omwille van de duidelijkheid voor gekozen waar mogelijk de Raad voor werk en inkomen als instantie te noemen die deze regeling (namens de minister) uitvoert.

 

Uitgangspunten en doelstelling


Vraaggerichte benadering

     Bij de vormgeving van de Svww hebben de volgende uitgangspunten centraal gestaan:
- conform het gestelde in de memorie van toelichting bij de Wet SUWI dient de regeling zich te richten op initiatieven op het gebied van de re´ntegratie van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden. Het is daarbij enerzijds van belang te bevorderen dat uitkeringsgerechtigden - weer - worden ingeschakeld in het arbeidsproces. Anderzijds is het gewenst te stimuleren dat werknemers wier functie naar verwachting komt te vervallen, worden geplaatst op een nieuwe functie op de arbeidsmarkt, alvorens zij genoodzaakt zijn een beroep op een uitkeringsregeling te doen (preventief beleid);
- een belangrijke doelstelling van de Wet SUWI is gelegen in het op onderling versterkende wijze op elkaar afstemmen van het beleid en de middelen van de onderscheiden partijen die met hun opereren de werking van de vraag- en de aanbodzijde van de arbeidsmarkt be´nvloeden. De Svww dient deze beleidsdoelstelling optimaal te ondersteunen door waar mogelijk enerzijds een impuls te geven aan een synergie tussen de inzet van publieke en private middelen en anderzijds een verknoping tot stand te brengen tussen middelen voor het sectoraal en het regionaal beleid;
- bij de vormgeving van de Svww wordt rekening gehouden met elementen uit met name de Bijdrageregeling bedrijfstaksgewijze scholing werklozen, de Bijdrageregeling knelpunten vraagzijde arbeidsmarkt 2001 en het Besluit subsidieverstrekking WW, die in de afgelopen jaren hun waarde bewezen hebben. Daarnaast legt de Svww evenwel een aantal eigen accenten en bevat daarmee ten opzichte van de genoemde regelingen een aantal nieuwe onderdelen.
     Voor wat betreft de formulering van de doelstelling van de Svww is op basis van bovenomschreven uitgangspunten gekozen voor een vraaggerichte benadering. Vertrekpunt voor de Svww vormen de bij bedrijven en instellingen op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezige baanopeningen (vacatures), die een indicatie vormen voor de vraag op de arbeidsmarkt. De vanuit de Svww te ondersteunen activiteiten dienen zich te richten op een duurzame vervulling van deze vacatures via de re´ntegratie van personen uit de doelgroep deelnemers (werkzoekenden, zijnde werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers). In het jaar 2002 zal voor het realiseren van deze doelstelling een verplichtingenbudget van Ç|90 miljoen beschikbaar zijn.

 

Stimuleringsregeling


     Een belangrijke verantwoordelijkheid voor het zo optimaal als mogelijk doen functioneren van de "eigen" arbeids(deel)markt en het in dat kader tot een oplossing brengen van zich voordoende knelpunten in de aansluiting tussen vraag en aanbod op die arbeids(deel)markten is gelegen bij de onderscheiden werkgevers(organisaties) en werknemers(organisaties) in bedrijven en instellingen, branches en bedrijfstakken. Regelingen in de publieke sfeer werken aanvullend op en ondersteunend aan de eigen verantwoordelijkheid van deze partijen op genoemd terrein. Uitgaande van deze taak- en verantwoordelijkheidsverdeling is de Svww zodanig vormgegeven dat sprake is van een stimuleringsregeling en in samenhang daarmee van een vorm van medefinanciering door de aanvragers van ingediende projecten. De medefinanciering door aanvragers wordt in de Svww ingevuld door een benadering waarbij kosten van een aantal re´ntegratieactiviteiten niet (bijvoorbeeld bemiddeling en nazorg) of niet geheel (bijvoorbeeld trajecten) worden vergoed. Daarbij is bepaald dat aanvragers het deel van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten, dat niet vergoed wordt door de subsidie uit hoofde van de Svww, alsmede de kosten van de re´ntegratieactiviteiten bemiddeling en nazorg, voor eigen rekening dienen te nemen en daarvoor geen andere subsidies of vergoedingen mogen ontvangen. Dit met uitzondering van de mogelijkheden tot fiscale afdrachtvermindering en bijdragen die voor die activiteiten binnen de door de Svww gestelde kaders op basis van een samenwerkingsovereenkomst met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten worden ontvangen. Vanuit dezelfde achtergrond, maar mede om te voorkomen dat ingediende projecten in de uitvoering te maken krijgen met uiteenlopende programmaĺs van eisen ten aanzien van activiteiten en/of deelnemers, is in de Svww voorts bepaald dat aanvragers voor ingediende projecten geen subsidie uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds mogen aanvragen of gebruiken.
     Met een dergelijke insteek draagt de Svww niet alleen bij aan de totstandkoming van een verknoping van publieke en private middelen op het terrein van arbeidsmarkt en re´ntegratie, maar wordt bij de aanvragers tevens een optimale kosten/batenafweging in en een maximale resultaatgerichtheid van de voor subsidiŰring voorgedragen activiteiten bevorderd. Daarmee wordt een doelmatige inzet van de voor de Svww uit publieke middelen gefourneerde subsidiegelden vergroot.

 

Verknoping van sectoraal en regionaal beleid


     De samenwerking tussen bedrijven en instellingen, branches en bedrijfstakken enerzijds en gemeenten anderzijds kan een impuls geven aan projecten in het kader van re´ntegratie. Gemeenten hebben een belangrijke functie in het kader van het lokaal en regionaal sociaal-economisch beleid. Zij vervullen taken op het gebied van re´ntegratie waar zij middelen voor hebben en zij zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijke groep van werkzoekenden die geen werk heeft. Een aantal gemeenten zet nu ook reeds samen met bedrijven en instellingen, branches en bedrijfstakken arbeidsmarktprojecten op. De Svww poogt aan dat proces een stimulans te geven door de kosten van publiekprivate projecten gezamenlijk door Raad voor werk en inkomen, de aanvrager en de betreffende gemeente(n) te laten financieren.
     Meer specifiek is in de Svww een constructie opgenomen waarbij ÚÚn of meerdere gemeenten op basis van afspraken die daarover in het kader van een samenwerkingsovereenkomst worden gemaakt, financieel kunnen participeren in een project dat uit de kring aanvragers voor de Svww wordt ingediend. Daarbij zijn in de Svww voorwaarden gesteld met betrekking tot de omvang van de gemeentelijke bijdrage in de kosten van trajectmatige activiteiten. Voor wat betreft de kosten van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en bemiddeling en nazorg, alsmede de kosten van overige re´ntegratieactiviteiten bevat de Svww geen nadere bepalingen: afspraken daarover kunnen derhalve in de samenwerkingsovereenkomst tussen een aanvrager en de betreffende gemeente(n) neergelegd worden zonder dat de omvang van de subsidie die op grond van de Svww kan worden verkregen daardoor be´nvloed wordt.

 

Duurzame arbeidsinpassing


     Het is zowel voor ondernemingen en instellingen die geconfronteerd worden met vacatures, als voor werkzoekenden die deelnemen aan re´ntegratieactiviteiten, van groot belang dat kan worden gekomen tot een duurzame vervulling van de vacatures met die werkzoekenden. Ondernemingen en instellingen kunnen op die wijze een maximaal rendement halen uit de eigen middelen die in directe zin of indirecte zin (via sectorale samenwerkingsverbanden) in de vacaturevervulling zijn ge´nvesteerd en werkzoekenden kunnen daardoor blijvend aan een situatie van inactiviteit en - in het geval van uitkeringsgerechtigden - van uitkeringsafhankelijkheid ontkomen. Een stimulans in dit kader wordt gevormd door het in de Svww opgenomen element van resultaatfinanciering, in de zin dat aan aanvragers een bonus kan worden verstrekt op het moment dat een duurzame vacaturevervulling c.q. een duurzame plaatsing is gerealiseerd. Bij het bepalen van hetgeen in de Svww onder een duurzame vacaturevervulling dan wel een duurzame plaatsing moet worden verstaan, zijn de volgende aspecten in de beschouwing betrokken:
- de plaatsing dient qua duur en omvang in verhouding te staan tot de via de Svww in de sfeer van de re´ntegratie gedane investeringen (de tegemoetkoming in de kosten van re´ntegratieactiviteiten en in de voorbereiding- en beheerskosten);
- de plaatsing en het daarmee te behalen inkomen dient het voor personen uit de doelgroep deelnemers "de moeite waard te maken" om aan re´ntegratieactiviteiten deel te nemen. Op dit terrein is sprake van uiteenlopende belangen. Zo bestaat er een qua omvang niet onbelangrijke groep herintreedsters die bereid is toe te treden tot de arbeidsmarkt (en daarmee een potentiŰle doelgroep voor de Svww vormt) indien er voldoende banen van minder dan ca. 15 uur per week beschikbaar zouden zijn. Anderzijds kan een groep - uitkeringsgerechtigde - werkzoekenden worden onderscheiden die met het oog op het verwerven van een voldoende inkomen juist ge´nteresseerd is in banen van een meer substantiŰle omvang. Voorts zijn in dit verband de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid van betekenis: die zullen sneller bereid zijn een uitkeringsgerechtigde toestemming te verlenen om met behoud van uitkering aan een traject deel te nemen indien dit traject als resultaat kan hebben dat de betrokken deelnemer geheel of in ieder geval in belangrijke mate uit de uitkeringssituatie verdwijnt;
- uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid dient de omschrijving van het begrip "duurzame plaatsing" slechts kwantitatieve, objectief meetbare onderdelen te bevatten.
     Een afweging van deze aspecten heeft geleid tot de in de Svww opgenomen omschrijving van het begrip dienstbetrekking. In de zin van de regeling is sprake van een duurzame plaatsing van een werkzoekende indien betrokkene ten minste gedurende zes maanden een dienstbetrekking heeft vervuld bij ÚÚn werkgever. Daarbij is het niet van belang of sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van ten minste zes maanden of van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Wel dient de omvang van de arbeidsovereenkomst ten minste 18 uur per kalenderweek te bedragen. Op de voorwaarden waaronder aan aanvragers een bonus voor gerealiseerde duurzame plaatsingen kan worden verstrekt, wordt later in deze toelichting nader ingegaan.
     Het uitgangspunt dat met de Svww de duurzame arbeidsinpassing van werkzoekenden wordt nagestreefd, betekent overigens niet dat er voorafgaand aan de start van een project een werkgarantie wordt gevraagd. Wel dient de aanvrager om in aanmerking te komen voor subsidiŰring van een traject de bedoeling te hebben de kandidaten duurzaam te plaatsen bij ÚÚn of meerdere werkgevers.

 

Kring aanvragers


Ruime kring aanvragers

     De vormgeving van het aanvragerschap in de Svww baseert zich enerzijds op het gestelde in de memorie van toelichting bij de Wet SUWI (het moet gaan om sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven) en gaat anderzijds uit van het vertrekpunt dat met de regeling een optimaal resultaat kan worden behaald indien het aanvragerschap daar wordt gelegd waar het meest direct zicht bestaat op de met de in te dienen projecten op te lossen arbeidsmarktknelpunten dan wel te benutten arbeidsmarktpotenties. In samenhang met de in de doelstelling van de regeling neergelegde vraaggerichte benadering leidt dit tot een aanpak waarbij aanvragen in het kader van de Svww kunnen worden ingediend door rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijven of instellingen (inclusief die in de collectieve sector) op individueel niveau of ieder ander "hoger" gelegen niveau (groepen van bedrijven in regionaal en/of sectoraal verband, branches, bedrijfstakken, intersectorale samenwerkingsinitiatieven, enz.). Uit een oogpunt van efficiŰnte inzet van menskracht en middelen is van belang dat goede afstemming plaatsvindt tussen aanvragers in situaties dat projectplannen tegelijk op ondernemingsniveau en branche- dan wel bedrijfstakniveau worden ontwikkeld.
     Om aanvragen van een ondoelmatige omvang te voorkomen en de regeling uit een oogpunt van uitvoerbaarheid beheersbaar te houden, is in de Svww bepaald dat aanvragen betrekking dienen te hebben op projecten met een minimaal aantal deelnemers uit de doelgroep. Dit minimum aantal deelnemers zal worden vastgesteld door de Raad voor werk en inkomen, waarbij een weging moet plaatsvinden van een tweetal in het geding zijnde aspecten. Enerzijds dient in de beschouwing te worden betrokken dat het niet mogelijk zal zijn met de Svww de vacatureproblematiek op het niveau van ieder individueel bedrijf tot een oplossing te brengen, terwijl anderzijds voorkomen moet worden dat met het stellen van een ondergrens in substantiŰle mate inbreuk wordt gemaakt op het uitgangspunt dat ook op een "lager" niveau dan een branche of bedrijfstak aanvragen in het kader van de regeling moeten kunnen worden ingediend. Naar de thans geldende inzichten van de Raad voor werk en inkomen kan een evenwicht tussen beide genoemde aspecten worden gevonden door de benedengrens op ten minste 40 deelnemers per aanvraag te leggen. Dit betekent dat een projectplan op minimaal 40 deelnemers betrekking dient te hebben om een aanvraag in behandeling te nemen. Voor de goede orde zij hierbij opgemerkt dat een projectplan wel uit deelprojecten met kleinere aantallen deelnemers kan bestaan.
     Indien in de loop van 2002 bij de uitvoering van de Svww zou blijken dat het rendement van de regeling kan worden vergroot door genoemd aantal van 40 deelnemers in beneden- of bovenwaartse zin bij te stellen, zal de Raad voor werk en inkomen hiertoe overgaan. De door de Raad gekozen aanpak om het budget dat beschikbaar is voor de vervulling van vacatures via de re´ntegratie van personen uit de doelgroep deelnemers in tranches aan te besteden en daarvoor in 2002 meerdere aanvraagperioden vast te stellen, biedt goede mogelijkheden voor een dergelijke flexibele aanpak.


Bipartiete aanvragen

     In aanmerking genomen dat het realiseren van een goede aansluiting tussen vraag en aanbod op de "eigen" arbeids(deel)markt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers Ún werknemers geacht moet worden en gezien de regelgeving op dat punt in het kader van de Wet SUWI, is in de Svww opgenomen dat aanvragen een bipartiete karakter dienen te dragen. Aldus kunnen aanvragen worden ingediend door:
1. een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, waarin ÚÚn of meer landelijk representatieve werkgevers- en ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties zijn vertegenwoordigd;
2. ÚÚn samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid namens meerdere samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid, waarin ÚÚn of meer landelijk representatieve werkgevers- en ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties zijn vertegenwoordigd;
3. individuele werkgevers die een verklaring kunnen overleggen waaruit blijkt dat met de betreffende aanvraag wordt ingestemd door de betrokken ondernemingsraad dan wel personeelsvertegenwoordiging, dan wel door ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties;
4. ÚÚn werkgever namens meerdere werkgevers die verklaringen kan overleggen waaruit blijkt dat met de betreffende aanvraag wordt ingestemd door de betrokken ondernemingsraden dan wel personeelsvertegenwoordigingen, dan wel door een of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties;
5. een uit een groep werkgevers bestaand samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid dat verklaringen kan overleggen waaruit blijkt dat met de betreffende aanvraag wordt ingestemd door de betrokken ondernemingsraden dan wel personeelsvertegenwoordigingen, dan wel door ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties.
     Omdat situaties voorstelbaar zijn dat op regionaal niveau waardevolle projecten kunnen worden ontwikkeld waarbij onderbouwing met individuele verklaringen van instemming van de kant van ondernemingsraden dan wel personeelsvertegenwoordigingen, dan wel met een verklaring van instemming van ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties, zoals bedoeld in de punten 4 en 5, niet in de rede ligt, wordt in de regeling de mogelijkheid geboden om in plaats van die verklaringen een advies van een regionaal platform als bedoeld in artikel 23 van de Wet SUWI te overleggen. In de regionale platforms zijn, naast onder andere gemeenten en uitvoeringsinstellingen, ook de sociale partners vertegenwoordigd. Tegen die achtergrond kan een advies van een regionaal platform dienen als onderbouwing van het bipartiete karakter van een aanvraag.

 

Gesubsidieerde arbeid


     Gezien de in de wet- en regelgeving over die arbeidsmarktinstrumenten neergelegde eigenstandige financieringssystematiek, is in de Svww bepaald dat Wiw- en Wsw-instellingen [Wet inschakeling werkzoekenden; Wet sociale werkvoorziening, red.] geen aanvragen in het kader van deze regeling kunnen indienen. Daarbij komt dat deelnemers uit de doelgroep die een Svww-traject doorlopen hebben in beginsel geschikt zijn om op reguliere vacatures te worden geplaatst, waarmee ze niet meer behoren tot de groep werkzoekenden met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt waarvoor baanopeningen in de Wiw bedoeld zijn.
     In het verlengde hiervan is in de Svww opgenomen dat geen subsidie kan worden verleend voor re´ntegratieactiviteiten die leiden tot een Wiw-dienstbetrekking, dan wel een arbeidsovereenkomst op grond van de Wsw. Voor dergelijke plaatsingen kan evenmin een bonus worden verkregen, omdat er sprake is van collectief gefinancierde werkgelegenheid die reeds voor de doelgroep van de Svww gereserveerd is. De laatstgenoemde bepaling is eveneens van toepassing verklaard op duurzame plaatsingen op dienstbetrekkingen in de zin van het Besluit in- en doorstroombanen. Voor de re´ntegratieactiviteiten van personen die tot de doelgroep van dit besluit behoren, kan dus wel subsidie worden verkregen.

 

Uitvoerders van re´ntegratieactiviteiten


     Voortbordurend op het in de Wet SUWI geformuleerde uitgangspunt dat het gewenst is op het terrein van de re´ntegratie een duidelijk onderscheid te maken tussen opdrachtgevers enerzijds en uitvoerende instituties anderzijds, zijn in de Svww activiteiten van re´ntegratiebedrijven van de werkingssfeer van de regeling uitgezonderd. Voor die activiteiten kan derhalve geen tegemoetkoming uit hoofde van de Svww worden verkregen. EÚn en ander laat vanzelfsprekend onverlet dat re´ntegratiebedrijven een waardevolle rol kunnen vervullen als opdrachtnemer voor de uitvoering van activiteiten waarvoor aanvragers een Svww-subsidie hebben verkregen.

 

Doelgroep deelnemers


     In de memorie van toelichting bij de Wet SUWI wordt voor wat betreft de doelgroep van de re´ntegratieactiviteiten aangegeven dat het moet gaan om uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden. Op basis hiervan is in de Svww opgenomen dat de doelgroep deelnemers in zijn algemeenheid bestaat uit personen die ten behoeve van hun arbeidsinpassing re´ntegratieactiviteiten behoeven. Vervolgens is de doelgroep deelnemers onderscheiden in de volgende categorieŰn:
- werklozen, zijnde de werkzoekenden die geen werk hebben of minder dan 12 uur per week werken, ingeschreven zijn bij de CWI en door die organisatie zijn ingedeeld in fase 2, 3 of 4, dan wel zijn ingedeeld in fase 1 en na het moment van die indeling langer dan zes maanden niet gewerkt hebben. Bepalend voor het antwoord op de vraag of deelnemers aan deze criteria voldoen, is het moment van aanvang van hun traject. Teneinde aanvragers in staat te stellen reeds in een vroegtijdig stadium te bepalen of geselecteerde deelnemers tot de categorie werklozen behoren, kan ook op een eerder tijdstip worden bezien of door betrokkenen wordt voldaan aan de daarvoor geformuleerde criteria. In die situatie gaat het om het moment van afgifte door de CWI van de verklaring als bedoeld in artikel 25 van de Svww, dat dan wel gelegen dient te zijn in een periode van acht weken voorafgaande aan de aanvang van een traject;
- met werkloosheid bedreigde werknemers. Het betreft hier werknemers die van hun werkgever een schriftelijke mededeling ontvangen waarin die werkgever kenbaar maakt de arbeidsovereenkomst, dan wel de publiekrechtelijke aanstelling te willen beŰindigen. De Svww biedt de mogelijkheid dat aanvragers voor deze categorie werknemers re´ntegratieactiviteiten ondernemen, gericht op de vervulling van vacatures in de bedrijfstakken waaronder die aanvragers ressorteren. Daarmee kan worden voorkomen dat door de betreffende werknemers een beroep op uitkeringsregelingen moet worden gedaan.
     In de Svww wordt ten aanzien van re´ntegratieactiviteiten ten behoeve van met werkloosheid bedreigde werknemers een aantal voorwaarden gesteld. In de eerste plaats dient het te gaan om re´ntegratieactiviteiten op het terrein van scholing. Voorts komen niet voor een ondersteuning vanuit de Svww in aanmerking activiteiten die opleiden voor vacatures in dezelfde onderneming en voor dezelfde functie dan wel hetzelfde beroep. Om in aanmerking te kunnen komen voor een Svww-subsidie dienen de betrokken deelnemers te worden geschoold voor werkzaamheden in een andere onderneming en voor een andere functie of een ander beroep dan waarin zij voorafgaande aan het moment van de aanvang van de scholing werkzaam waren. Ten slotte is in de regeling bepaald dat bij de aanvang van de scholing de betrokken deelnemers een dienstbetrekking moeten zijn aangegaan in de bedrijfstak waaronder de aanvrager ressorteert. Voor een dergelijke plaatsing kan door aanvragers geen bonus worden verkregen.
     Voor de goede orde zij in dit verband nog opgemerkt dat werknemers niet verplicht zijn mee te doen aan re´ntegratieactiviteiten op het terrein van scholing indien zij door hun werkgever worden ge´nformeerd over de voorgenomen beŰindiging van hun arbeidsovereenkomst, dan wel hun publiekrechtelijke aanstelling. De keuze om wel of niet aan deze re´ntegratieactiviteiten deel te nemen, geschiedt derhalve op vrijwillige basis. EÚn en ander dient te blijken uit een schriftelijke mededeling van de werknemers waarin hun bereidheid tot deelname aan de aangeboden scholingstrajecten is neergelegd.

 

Activiteiten en subsidiabele kosten


Re´ntegratieactiviteiten en indirecte activiteiten

     In het kader van de Svww kan een tweetal groepen van activiteiten met bijbehorende kosten worden onderscheiden:
- re´ntegratieactiviteiten, zijnde de activiteiten die rechtstreeks samenhangen met de toeleiding van deelnemers naar dan wel de plaatsing van deelnemers op vacatures bij de aanvragers (directe kosten). Re´ntegratieactiviteiten worden in de Svww onderverdeeld in werving en selectie, trajecten, bemiddeling en nazorg en overige re´ntegratieactiviteiten;
- activiteiten die door aanvragers moeten worden verricht in het geval een beroep op de Svww wordt gedaan (indirecte kosten).
     De uitvoering van de re´ntegratieactiviteiten en de indirecte activiteiten kan zowel door de aanvragers zelf geschieden als geheel of gedeeltelijk worden uitbesteed bij re´ntegratiebedrijven.
     Bij het bepalen van de bijdragemodaliteiten in de bovenomschreven kosten heeft een afweging van de volgende aspecten plaatsgevonden:
- de te kiezen bijdragemodaliteiten moeten aanvragers stimuleren een zo groot mogelijk aantal deelnemers toe te leiden naar duurzame inpassing op vacatures;
- de mate van medefinanciering en de financiŰle consequenties van resultaatfinanciering moeten in redelijke verhouding staan tot het belang dat aanvragers hebben om in te spelen op de Svww en om verantwoording te nemen voor de opzet en uitvoering van projectplannen;
- naar de mate dat deelnemers een minder grote afstand hebben tot de te vervullen vacatures kan de Svww-bijdrage relatief lager zijn;
- de voorkeur verdienen varianten die eenvoud in de uitvoering van de Svww maximaal ondersteunen.
     Voor de goede orde zij nog opgemerkt dat bovenstaande omschrijving van de activiteiten die uit hoofde van de Svww voor een ondersteuning in aanmerking komen, met zich mee brengt dat vanuit de regeling geen instituutfinanciering kan plaatsvinden en dat voorts geen subsidie kan worden verstrekt voor de kosten van arbeidsmarktonderzoek.

 

Werving en selectie van deelnemers


     In het kader van de Svww komen in de sfeer van de werving voor ondersteuning in aanmerking die activiteiten die direct gericht zijn op de instroom van deelnemers in trajecten. Als belangrijkste wervingsactiviteiten zijn dan te noemen het benaderen van de uitvoeringsorganen sociale zekerheid voor het verkrijgen van uitkeringsgerechtigde deelnemers aan projecten, het leggen van contacten met bedrijven of instellingen die genoodzaakt zijn de arbeidsovereenkomst, dan wel publiekrechtelijke aanstelling met medewerk(st)ers te beŰindigen, het plaatsen van advertenties, het verzorgen van voorlichtingsbijeenkomsten en de deelname aan banenmarkten.
     Niet voor subsidie uit hoofde van de Svww komen derhalve in aanmerking wervingsactiviteiten die in meer afgeleide c.q. randvoorwaardelijke zin een relatie vertonen met het bevorderen van de instroom van deelnemers aan trajecten. Daarbij valt te denken aan campagnes op het terrein van de imagobevordering van ondernemingen, branches of bedrijfstakken.
     Bij de selectie van deelnemers gaat het om activiteiten als het voeren van selectiegesprekken, de eventuele inzet van diagnostische instrumenten (selectie- en geschiktheidsadvies, assessment en arbeidsmedisch advies), het regelen dat uitkeringsgerechtigde deelnemers het traject met behoud van uitkering kunnen doorlopen en het opstellen van de re´ntegratieplannen (het per deelnemer beschrijven van de instrumenten die moeten worden ingezet om plaatsing op de betrokken vacatures mogelijk te maken).
     De bijdrage die aanvragers vanuit de Svww voor de werving en selectie van deelnemers kunnen ontvangen, bedraagt Ç|600,- per in traject genomen werkzoekende.
     In het kader van de werving en selectie van deelnemers is goede afstemming met het UWV [Uitvoeringsinstuut werknemersverzekeringen, red.] en de gemeenten van groot belang. Het UWV en de gemeenten dragen immers de verantwoordelijkheid voor de re´ntegratie van uitkeringsgerechtigden. Vanaf 1 januari 2002 zijn de gemeenten ook volledig verantwoordelijk voor de re´ntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
     Bij de werving ligt het in de rede dat aanvragers in overleg treden met het UWV en gemeenten om na te gaan in welke mate personen uit de categorieŰn uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden beschikbaar zijn voor deelname aan Svww-projecten.
     Voor wat betreft de selectie van deelnemers aan activiteiten in het kader van de Svww die zonder dienstbetrekking en derhalve met behoud van uitkering plaatsvinden, is van betekenis dat uitkeringsgerechtigden instemming behoeven van het uitvoeringsorgaan sociale zekerheid waaronder zij ressorteren. Omdat situaties denkbaar zijn dat gemeenten in het kader van hun re´ntegratieverantwoordelijkheid voor niet-uitkeringsgerechtigden die door de CWI zijn gefaseerd, re´ntegratieplannen in ontwikkeling hebben, verdient het aanbeveling dat zij ge´nformeerd worden indien personen uit deze categorie niet-uitkeringsgerechtigden aan een project in het kader van de Svww gaan deelnemen.

 

Trajecten


     In deze sfeer worden als subsidiabel aangemerkt alle kosten die naar het oordeel van de Raad voor werk en inkomen noodzakelijk zijn om met het oog op hun arbeidsinpassing op de beschikbare vacatures de individuele arbeidsmarktrelevante kwaliteiten van de deelnemers te versterken. Voor wat betreft de doelgroep werklozen kan hierbij gedacht worden aan de inzet van de instrumenten scholing (al dan niet met een stageonderdeel), sollicitatietraining en werkervaring. Eerder in deze toelichting is reeds aangegeven dat de doelgroep met werkloosheid bedreigde werknemers slechts in aanmerking kan worden gebracht voor het instrument scholing.
     Daarnaast is in dit kader de activiteit begeleiding van de deelnemers gedurende de trajecten van belang.
     Er is sprake van een positief te waarderen situatie indien reeds bij de aanvang van het traject, dan wel tijdens het traject sprake is van plaatsing van een deelnemer uit de doelgroep werklozen op een vacature. De trajectmatige activiteiten vinden dan geheel respectievelijk voor een deel plaats met een dienstbetrekking. Ten aanzien van de doelgroep met werkloosheid bedreigde werknemers is in de Svww bepaald dat slechts subsidie voor de deelname aan scholingstrajecten kan worden verkregen indien deze scholingstrajecten met een dienstbetrekking plaatsvinden. Teneinde deelname aan trajecten met een dienstbetrekking te stimuleren, is in de Svww een voorziening opgenomen op basis waarvan aan werkgevers een tegemoetkoming in de loonkosten dan wel in het geleden productiviteitsverlies kan worden verstrekt indien deelnemers bij aanvang van, dan wel tijdens de afronding van de trajectmatige activiteiten een dienstbetrekking wordt geboden. Daarnaast kan door deze werkgevers een beroep worden gedaan op de mogelijkheden tot afdrachtvermindering op het terrein van arbeidsmarkt en re´ntegratie die in de fiscale sfeer beschikbaar zijn. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de mogelijkheden zoals opgenomen in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de scholingsaftrek voor bedrijven in het kader van de Wet inkomstenbelasting 2001.
     In de Svww is bepaald dat trajecten een maximale duur van twaalf maanden kunnen hebben en voorts binnen uiterlijk twaalf maanden na het moment van subsidieverlening dienen aan te vangen. Hiermee kan onder meer worden voorkomen dat de uitvoering van in het kader van de Svww ingediende projectplannen zich over een te lange periode gaat uitstrekken.
     De bijdrage in de kosten van trajecten die plaatsvinden zonder dienstbetrekking is in de Svww gesteld op 80% van de daadwerkelijk gemaakte kosten, met een maximum van Ç|3000,- per deelnemende werkloze. Indien een werkloze door de CWI in fase 3 of 4 is ingedeeld, wordt de maximale tegemoetkoming verhoogd naar Ç|6000,-.
     In het geval de trajecten met een dienstbetrekking met een duur van 32 uur of meer per week plaatsvinden, bedraagt de Svww-bijdrage in de loonkosten dan wel in het geleden productiviteitsverlies per werkloze Ç|250,- per maand tot een maximum van Ç|3000,-. Bij een dienstbetrekking tussen 18 en 32 uur per week wordt de bijdrage naar rato verstrekt. Voor in fase 3 of 4 ingedeelde werklozen worden de genoemde bijdragen bij een dienstbetrekking met een duur van 32 uur of meer per week verhoogd tot Ç|500,- per maand respectievelijk een maximum van Ç|6000,-. Ook deze bijdragen worden bij een dienstbetrekking tussen 18 en 32 uur per week naar rato verstrekt.
     Indien een traject gedeeltelijk zonder en gedeeltelijk met een dienstbetrekking plaatsvindt, wordt voor het vaststellen van de Svww-bijdrage eerst de tegemoetkoming uit hoofde van de bijdragemodaliteit met dienstbetrekking en vervolgens die uit hoofde van de bijdragemodaliteit zonder dienstbetrekking in beschouwing genomen. Daarbij kan de bijdrage echter nooit meer dan Ç|3000,- respectievelijk Ç|6000,- (in het geval van fase-3- of 4-werklozen) bedragen.
     In de situatie dat sprake is van scholingstrajecten ten behoeve van werknemers wordt bij een dienstbetrekking met een duur van 32 uur of meer per week een tegemoetkoming in de loonkosten dan wel in het geleden productiviteitsverlies verstrekt van Ç|250,- per maand tot een maximum van Ç|3000,- per werkzoekende. Toekenning van de laatstgenoemde bijdrage geschiedt naar rato bij een dienstbetrekking tussen 18 en 32 uur per week.
     Voor de goede orde zij nog aangegeven dat uit de Svww-bijdrage in de kosten van trajecten tevens de kosten verbonden aan begeleiding van de deelnemers gedurende de trajecten bestreden dienen te worden.
     In de Svww wordt voor trajecten zonder dienstbetrekking een percentage van de daadwerkelijke kosten vergoed tot een maximum per werkloze. Op termijn wordt bezien of gewerkt kan worden met forfaitaire bedragen.
     Ter besluit van deze paragraaf kan nog worden gewezen op het feit dat de Svww een specifieke bepaling bevat in het geval het traject geheel of gedeeltelijk uit de activiteit scholing bestaat. Het betreft de bepaling dat geen bijdrage vanuit de Svww wordt verstrekt voor scholingsactiviteiten die betrekking hebben onderwijs dat op grond van de wetgeving van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt bekostigd. Met deze bepaling wordt bereikt dat geen samenloop van subsidie uit hoofde van de Svww optreedt met financieringsstromen voor trajecten die vallen onder het regulier onderwijs, waaronder begrepen het beroepsonderwijs. Daarbij komt dat werkgevers die werknemers beroepspraktijkvorming conform de Wet educatie en beroepsonderwijs aanbieden, hiervoor in financieel opzicht in de fiscale sfeer (via afdrachtvermindering van premies) substantieel worden tegemoet gekomen.
     In dit verband kan voorts nog worden opgemerkt dat de Svww tot doel heeft vacatures te doen vervullen door werkzoekenden, onder andere door de uitvoering van scholingstrajecten. Het streven is om betrokkenen daarmee een - nieuwe - goede startpositie op de arbeidsmarkt te bieden. Om die reden is het ook van groot belang om zo enigszins mogelijk een optimale aansluiting te realiseren op de kwalificatiestructuur zoals opgenomen in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Vanuit die positie kan in het kader van "employability" de verdere ontwikkeling van de kwalificaties van de nieuwe werknemers ter hand worden genomen.
     Voor het overige is het begrip scholing in de regeling niet nader gedefinieerd. Uitgangspunt is dat de scholing de arbeidsmarktpositie van deelnemers dient te verbeteren. De Svww beoogt niet om beperkte, functiegerichte trainingen gericht op het aanleren van zeer specifieke kennis en vaardigheden te subsidiŰren. Het moet in het kader van de Svww derhalve gaan om meer beroepsgerichte arbeidsmarktrelevante scholingsactiviteiten, die - ook op termijn - een bredere inpasbaarheid mogelijk maken.

 

Bemiddeling en nazorg


     Activiteiten in dit kader behelzen onder meer de plaatsing op vacatures van deelnemers die hun traject voltooid hebben, het verzorgen van een inwerkprogramma en functiegerichte trainingen en het verrichten van nazorg.
     De Svww is een vraaggerichte regeling, hetgeen betekent dat aanvragen in het kader van deze regeling zich baseren op aanwezige of te verwachten vacatures. Daaruit vloeit voort dat activiteiten die gericht zijn op het tijdens of na afloop van de trajecten bewerkstelligen van een plaatsing en de bestendiging van die plaatsing van deelnemers in een dienstbetrekking, de primaire verantwoordelijkheid van de aanvrager moeten worden geacht. Dit vertrekpunt is in de Svww geaccentueerd door de aan de re´ntegratieactiviteiten bemiddeling en nazorg verbonden kosten niet subsidiabel te stellen, in combinatie met de mogelijkheid een bonus te verstrekken indien een duurzame plaatsing wordt gerealiseerd.
     EÚn en ander heeft tot gevolg dat de betreffende kosten in eerste instantie volledig tot het onderdeel medefinanciering door de aanvragers moeten worden gerekend. Naar de mate waarin door aanvragers maximaal aandacht aan genoemde activiteiten wordt geschonken, zal het aantal duurzame plaatsingen kunnen toenemen en zal vaker een bonus voor het realiseren van dergelijke plaatsingen kunnen worden ontvangen. Langs die weg kunnen aanvragers hun "investeringen" in de activiteiten bemiddeling en nazorg als het ware "terugverdienen".

 

Overige re´ntegratieactiviteiten


     Het betreft hier de kosten van re´ntegratieactiviteiten die geen of in afgeleide zin een relatie hebben met de hierboven omschreven re´ntegratieactiviteiten werving en selectie, trajecten en bemiddeling en nazorg. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de kosten van kinderopvang.
     In deze kosten wordt geen tegemoetkoming vanuit de Svww verstrekt. De regeling bepaalt dienaangaande echter niet dat de aanvrager deze kosten dan voor eigen rekening dient te nemen en daarvoor geen andere subsidies of vergoedingen mag ontvangen. Voor wat betreft deze kosten is het aanboren van andere financieringsbronnen derhalve wel toegestaan.

 

Indirecte activiteiten


     Aanvragers die een beroep doen op de Svww zullen in de sfeer van de voorbereiding en het beheer van een project kosten moeten maken voor de volgende activiteiten:
- het opstellen van een projectplan;
- de begeleiding en de co÷rdinatie van de uitvoering van het projectplan;
- de opzet en het beheer van een projectadministratie en het op basis daarvan verzorgen van periodieke uitvoeringsrapportages;
- het opstellen van een accountantsverklaring.
     Voor het welslagen van de Svww en van projecten die in het kader van deze regeling worden ingediend, is van belang dat activiteiten plaatsvinden op basis van goed voorbereide, voldragen projectplannen, dat door aanvragers voldoende aandacht wordt geschonken aan de uitvoering van ingediende projecten en dat op doorzichtige wijze verantwoording wordt afgelegd over de met de projecten behaalde resultaten. Het is om deze redenen dat genoemde indirecte activiteiten in de Svww subsidiabel zijn gesteld.
     Voor wat betreft de wijze van subsidiŰring is daarbij geopteerd voor een aanpak waarbij de bijdrage in de voorbereidings- en de beheerskosten een percentage vormt van de vastgestelde subsidie voor de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten. Voor een dergelijke aanpak pleit in eerste instantie de eenvoud in de uitvoering. Voorts worden aanvragers hierdoor gestimuleerd ingediende projecten zoveel als mogelijk ook daadwerkelijk tot uitvoering te brengen (minder gerealiseerde subsidie in de directe kosten van de activiteiten werving en selectie en trajecten betekent immers rechtstreeks een lagere vergoeding voor de voorbereidings- en de beheerskosten).
     Genoemd percentage is in de Svww op 10 gesteld. Daarbij wordt, teneinde te voorkomen dat in het geval van projecten met een relatief grote omvang een oversubsidiŰring van de voorbereidings- en de beheerskosten plaatsvindt, een maximale vergoeding per project van Ç|115 000,- gehanteerd. Deze maximale vergoeding is ook van toepassing in het geval door een aanvrager in een periode van 52 weken meerdere projecten voor een financiŰle ondersteuning vanuit de Svww worden ingediend en voor die projecten subsidie wordt verkregen. Bij de eindafrekening van deze projecten kan de vergoeding voor voorbereidings- en beheerskosten niet meer bedragen dan Ç|115 000,-.

 

De Svww-bijdrage in het geval van samenwerking met gemeenten


     De Svww hanteert als vertrekpunt dat ten laste van aanvragers komen de kosten van werving en selectie die het maximum per aangevraagde deelnemer te boven gaan, alsmede de kosten van trajectmatige activiteiten waarin de tegemoetkoming uit hoofde van de Svww niet voorziet, en de kosten van de re´ntegratieactiviteiten bemiddeling en nazorg (medefinanciering). Een uitzondering op dit vertrekpunt vormt de in de Svww voor aanvragers neergelegde mogelijkheid om in een samenwerkingsovereenkomst met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten afspraken over een gemeentelijke bijdrage in die kosten te maken.
     Voor wat betreft de gemeentelijke bijdrage in de kosten van trajectmatige activiteiten is in de Svww de voorwaarde opgenomen dat die voor de doelgroep werklozen van eenzelfde omvang dient te zijn als de tegemoetkoming in die kosten uit hoofde van de Svww. Indien in een project wordt samengewerkt met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten, leidt dit ertoe dat de subsidie die vanuit de Svww wordt verstrekt in de kosten van trajecten die plaatsvinden zonder dienstbetrekking, komt te liggen op 45% van de daadwerkelijk gemaakte kosten met een maximum per deelnemende werkloze van Ç|1700,- respectievelijk van Ç|3400,- per deelnemende werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4.
     Indien de trajecten met een dienstbetrekking met een duur van 32 uur of meer per week plaatsvinden, bedraagt in het geval van samenwerking met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten de Svww-bijdrage in de loonkosten dan wel in het geleden productiviteitsverlies per werkloze Ç|125,- per maand tot een maximum van Ç|1500,- respectievelijk Ç|250,- per maand tot een maximum van Ç|3000,- voor een werkloze die door de CWI is ingedeeld in fase 3 of 4. Bij een dienstbetrekking tussen 18 en 32 uur wordt de bijdrage naar rato verstrekt.
     Indien een traject gedeeltelijk zonder en gedeeltelijk met een dienstbetrekking plaatsvindt, wordt ook in het geval wordt samengewerkt met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten voor het vaststellen van de Svww-bijdrage eerst de tegemoetkoming uit hoofde van de bijdragemodaliteit met dienstbetrekking en vervolgens die uit hoofde van de bijdragemodaliteit zonder dienstbetrekking in aanmerking genomen. Daarbij kan de totale bijdrage echter nooit meer dan Ç|1700,- respectievelijk Ç|3400,- (in het geval van fase-3- of 4-werklozen) bedragen.
     Naar verwachting zal in het kader van scholingstrajecten waarbij de deelnemers afkomstig zijn uit de doelgroep werknemers, slechts in beperkte mate sprake zijn van samenwerkingsafspraken met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten. Derhalve zijn dienaangaande in de Svww geen bepalingen opgenomen over de omvang van de gemeentelijke bijdrage in de kosten van deze scholingstrajecten.
     Bezien vanuit de optiek van de aanvragers heeft de bovenomschreven aanpak in de situatie dat trajecten ten behoeve van de doelgroep werklozen plaatsvinden zonder dienstbetrekking tot gevolg dat niet 80, maar 90% van de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed. In die zin bevat de Svww een stimulans voor aanvragers om te komen tot een samenwerkingsovereenkomst met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten. Die stimulans wordt versterkt door de mogelijkheid om voor andere kosten van re´ntegratieactiviteiten dan trajectkosten medefinanciering van de gemeente of gemeenten waarmee wordt samengewerkt te verkrijgen.
     Voor de goede orde zij overigens nog opgemerkt dat de Svww voor aanvragers de mogelijkheid biedt om tot samenwerking met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten te komen, maar daartoe geen verplichtingen bevat.

 

Bonus


     Eerder in deze toelichting is aangegeven dat in de Svww een bonussystematiek is opgenomen om het realiseren door aanvragers van duurzame vacaturevervullingen dan wel van duurzame plaatsingen te stimuleren. Het bedrag van de bonus is in de Svww op Ç|2000,- per duurzaam geplaatste werkloze gesteld. Aanvragers kunnen een bonus ontvangen voor werklozen die binnen drie maanden na voltooiing van een traject zonder dienstbetrekking of aansluitend op een voltooid traject met een dienstbetrekking geplaatst zijn op een dienstbetrekking en die dienstbetrekking vervolgens gedurende zes maanden bij ÚÚn werkgever hebben vervuld.
     Bij de berekening van de bonus wordt een "franchise" in acht genomen. In het geval met werkloosheid bedreigde werknemers deelnemen aan een projectplan wordt de franchise gecorrigeerd voor de plaatsingen van deelnemers uit deze categorie. Het bedrag van de aan een aanvrager te verstrekken bonus wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
B = [WL - {WL/WZ x (0,25 x AWZ)}] x Ç|2000,-
     Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel een projectplan wordt ingediend voor 80 deelnemers (AWZ). In totaal starten 70 deelnemers met een traject. Van die 70 worden in totaal 50 deelnemers duurzaam geplaatst (WZ). Hiervan hebben 40 duurzame plaatsingen betrekking op werklozen (WL) en 10 duurzame plaatsingen op met werkloosheid bedreigde werknemers. De berekening van de bonus (B) loopt dan als volgt: [40 - {40/50 x (0,25 x 80)}] x Ç|2000,- = Ç|48 000,-.

 

Aanvraag- en afhandelingssystematiek


Tranches

     Consequentie van het gekozen vraaggerichte karakter van de Svww en van het uitgangspunt dat het aanvragerschap daar wordt gelegd waar het meest direct zicht bestaat op de met in te dienen projecten op te lossen arbeidsmarktknelpunten dan wel te benutten potenties, is dat aanvragers de mogelijkheid moet worden geboden om over het jaar gespreid Ún desgewenst vaker dan ÚÚn keer per jaar aanvragen in het kader van de Svww in te dienen. Anderzijds dient in de beschouwing te worden betrokken dat de te hanteren aanvraagsystematiek het voor de Raad voor werk en inkomen, als uitvoerder van deze regeling, mogelijk moet maken om met een beperkte capaciteit te komen tot een beheersbare uitvoering van de regeling en in dat kader beschikkingen op ingediende aanvragen binnen een redelijke termijn af te geven.
     EÚn en ander heeft in de Svww geresulteerd in een aanpak waarbij het budget dat in het jaar 2002 kan worden ingezet voor de vervulling van vacatures via de re´ntegratie van werkzoekenden door de Raad voor werk en inkomen in een aantal tranches voor het doen van aanvragen beschikbaar zal worden gesteld. De eerste aanvraagperiode loopt van 1 januari 2002 tot en met 30 april 2002, waarbij het voor die periode beschikbare budget Ç|45 miljoen bedraagt.
     De looptijd van de overige tranches met het daarbij behorende budget wordt door de Raad voor werk en inkomen in de loop van 2002 vastgesteld en via een publicatie in de Staatscourant bekendgemaakt, mede op basis van de ervaringen die gedurende de uitvoering van de eerste tranche van de regeling worden opgedaan.

 

Aanvraag en afhandeling


     Aanvragen dienen bij aangetekend schrijven bij de Raad voor werk en inkomen te worden ingediend op een daartoe door de minister vastgesteld aanvraag- en begrotingsformulier. Een aanvrager kan per tranche niet meer dan ÚÚn aanvraag indienen.
     Aanvragers dienen hun aanvraag vergezeld te doen gaan van een projectplan, waarin onder meer wordt aangegeven wat de relevante omstandigheden met betrekking tot de arbeidsmarkt en vacaturevervulling zijn respectievelijk welke knelpunten bij de vacaturevervulling worden ervaren en waarin de naar aanleiding daarvan te ondernemen re´ntegratieactiviteiten worden gemotiveerd en onderbouwd. Voorts dient het projectplan een toelichting op de begroting van de voorgenomen activiteiten te bevatten en een beschrijving van de inkomsten waarmee de te verwachten uitgaven op sluitende wijze zullen worden afgedekt.
     Complete aanvragen worden door de Raad voor werk en inkomen op volgorde van binnenkomst behandeld. In het geval aanvragen niet in behandeling kunnen worden genomen om reden dat het voor een bepaalde tranche beschikbaar gestelde budget is uitgeput, wordt hiervan mededeling aan de betreffende aanvragers gedaan. Desgewenst kunnen zij hun aanvraag in het kader van de volgende tranche opnieuw indienen.
     Doelstelling is dat door de Raad voor werk en inkomen op volledige aanvragen beschikt wordt binnen een periode van zes weken. Indien op een bepaalde aanvraag niet binnen die periode kan worden beschikt, doet de Raad voor werk en inkomen daarvan mededeling aan de betreffende aanvrager en noemt daarbij de periode waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

 

Bevoorschotting en vaststelling definitief subsidiebedrag


     Bevoorschotting van verleende subsidie kan gedurende de looptijd van het betreffende project op verzoek van de aanvrager ten hoogste viermaal plaatsvinden. De omvang van de voorschotten bedraagt per keer maximaal 20% van het verleende subsidiebedrag.
     Het eerste voorschot kan worden verstrekt direct na het moment van subsidieverlening. De volgende voorschotten kunnen worden verkregen indien de noodzaak daartoe blijkt uit de rapportages die de aanvrager periodiek moet indienen over de mate van realisatie van de voorgenomen activiteiten, alsmede uit het verloop van de werkelijke en te verwachten uitgaven.
     De definitieve bijdrage vanuit de Svww wordt - rekening houdende met reeds verstrekte voorschotten - vastgesteld op basis van een door de aanvrager op te stellen einddeclaratie. Deze einddeclaratie, die binnen drie maanden na afronding van de uitvoering van een projectplan moet worden ingediend, dient vergezeld te gaan van een eindrapportage over de in het kader van het betreffende project ondernomen activiteiten en van de daarmee behaalde resultaten en van een aan de hand van een door de minister (in de bijlagen bij de regeling) voorgeschreven controle- en rapportageprotocol opgestelde accountantsverklaring met een verslag van bevindingen. In dit verslag van bevindingen dient de accountant mede aan te geven tot welk bedrag de gedeclareerde vergoedingen niet controleerbaar zijn, dan wel niet in overeenstemming met de voorwaarden en voorschriften van de Svww zijn bevonden. Voorts maakt de accountant in het verslag van bevindingen melding van subsidies of vergoedingen die door de aanvrager in het kader van de uitvoering van het projectplan van derden zijn ontvangen.
     In dit kader zij overigens nog opgemerkt dat uitbetalingen van voorschotten en van de definitieve subsidie op grond van de Svww aan de aanvragers niet door de Raad voor werk en inkomen zal geschieden, maar door de minister.

 

Looptijd en bekendmakingen


     De Svww is zodanig vormgegeven dat de looptijd is vastgesteld op onbepaalde tijd. Daarbij publiceert de Raad voor werk en inkomen (namens de minister) in de Staatscourant bekendmakingen, waarin wordt ingegaan op:
- de perioden gedurende welke aanvragen in het kader van de regeling kunnen worden ingediend;
- de budgetten die in de onderscheiden aanvraagperioden maximaal voor het honoreren van aanvragen beschikbaar zijn;
-
het minimum aantal deelnemers waarop projectaanvragen in de onderscheiden aanvraagperioden betrekking dienen te hebben.

 

Toezicht


     In het kader van de Svww vervult de Inspectie Werk en Inkomen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de controlerende en toezichthoudende functie ten aanzien van een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de regeling. Voor een nadere invulling van de rol van de Inspectie Werk en Inkomen wordt verwezen naar het Mandaatbesluit Raad voor werk en inkomen.

 

Algemene wet bestuursrecht


     Op de Svww is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Kortheidshalve zijn de van betekenis zijnde bepalingen uit deze wet in de regeling en in de onderhavige toelichting niet herhaald.

 

Toetsing op M&O-aspecten


     De minister en de Raad voor werk en inkomen zijn uiteraard voorstander van een beleid dat zich richt op het voorkomen van misbruik een oneigenlijk gebruik (M&O) van regelingen. In dit verband is bij de totstandkoming van de Svww aandacht besteed aan mogelijke risicoĺs van misbruik en oneigenlijk gebruik van de regeling en zijn deze risicoĺs zoveel mogelijk beperkt. Voorts zal bij de uitvoering van de Svww al het mogelijke worden gedaan om te voorkomen dat deze risicoĺs zich daadwerkelijk voordoen. Mocht er desondanks toch misbruik of oneigenlijk gebruik worden geconstateerd, dan zullen ter zake passende administratiefrechtelijke maatregelen worden getroffen. Voorts zal, indien daartoe aanleiding bestaat, aangifte van vermoed strafbaar handelen plaatsvinden.

 

Rapportage en evaluatie


     De uitvoering van de Svww en de met de regeling behaalde resultaten zullen door de minister en de Raad voor werk en inkomen in een continu proces worden gevolgd en geŰvalueerd. De Svww zal op grond daarvan worden aangepast of gewijzigd indien daarmee een meer optimale uitvoering dan wel een hoger rendement van de regeling kan worden bewerkstelligd.
     Teneinde de minister en de Raad voor werk en inkomen in staat te stellen de Svww op een goede wijze te monitoren en te evalueren, dienen door de aanvragers periodiek rapportages over de voortgang in de uitvoering van de projecten te worden opgesteld. Daarbij wordt een frequentie gehanteerd van viermaal een kwartaalrapportage en vervolgens tot het moment van de eindrapportage halfjaarlijkse rapportages. Voorts zijn aanvragers gehouden te allen tijde op verzoek informatie over ondernomen en te ondernemen activiteiten aan de minister (in casu de Inspectie Werk en Inkomen) en de Raad voor werk en inkomen te verstrekken.
     In het kader van de monitoring van de Svww zal iedere aanvrager gedurende de looptijd van de projecten in beginsel tweemaal door of namens de Raad voor werk en inkomen worden bezocht, waarbij ter plaatse zal worden bezien of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend conform de planning worden uitgevoerd, daarbij wordt voldaan aan gestelde voorwaarden en zodanige omstandigheden aanwezig zijn dat die activiteiten op goede wijze tot een eind zullen kunnen worden gebracht. Daarbij zal in elk geval worden gecontroleerd of de administratie bij de aanvragers voldoet aan de gestelde eisen en of op basis van deze administratie volledige en waarheidsgetrouwe inhoudelijke en financiŰle rapportages zijn dan wel kunnen worden opgesteld.
     Ten slotte zal de Svww worden geŰvalueerd, waarbij ÚÚn jaar na de inwerkingtreding van de regeling in het bijzonder aandacht zal worden geschonken aan het functioneren van het onderdeel dat zich richt op de vervulling van vacatures via scholingstrajecten ten behoeve van de doelgroep werknemers. Voorts zal in de evaluatie worden meegenomen de mate waarin aan de regeling wordt deelgenomen door categorieŰn werklozen met een afstand tot de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld etnische minderheden).
     In de Svww is aangegeven welke gegevens door de aanvragers in een administratie moeten worden vastgelegd om de ten behoeve van de periodieke rapportages en de evaluatie benodigde informatie te kunnen leveren.

 

Bezwaar en beroep


     Indien op grond van de uitkomsten van de beoordeling een projectvoorstel niet of slechts gedeeltelijk voor honorering in aanmerking komt, is het denkbaar dat de betreffende aanvrager zich met de daarvoor gegeven argumentatie niet kan verenigen en tegen de beschikking bezwaar wil maken. In het Mandaatbesluit Raad voor werk en inkomen is vastgelegd dat de afhandeling van ingediende bezwaarschriften zal geschieden door de Raad voor werk en inkomen. Vervolgens staat voor aanvragers op basis van de Algemene wet bestuursrecht desgewenst beroep open bij de rechtbank en in tweede termijn bij de Centrale Raad van Beroep. De minister zal een aantal medewerkers van de Raad voor werk en inkomen een volmacht geven om als gemachtigde van de minister op te treden in deze beroepsprocedures.

 

 

Artikelsgewijs

 

     In het algemene deel van deze toelichting is reeds op een aanzienlijk aantal bepalingen uit de Svww ingegaan. De artikelsgewijze toelichting is derhalve beperkt tot die onderdelen die in de algemene toelichting nog niet aan de orde zijn geweest.

 

ž 1. Algemene bepalingen


     In artikel 1, eerste lid, zijn de definities opgenomen. In onderdeel e wordt het begrip onderneming gedefinieerd. Een co÷peratie wordt beschouwd als een onderneming.
     Ten aanzien van het in onderdeel f opgenomen criterium van landelijke representativiteit van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties zal in voorkomende gevallen getoetst worden op basis van de criteria die zijn opgenomen in de Verordening representativiteit organisaties van de Sociaal-Economische Raad, uitgave 15 september 2000.

 

ž 2. Aanvraag subsidie en beslissing op de aanvraag


     Uit het door aanvragers bij een aanvraag in te dienen projectplan dient te blijken dat projecten waarvoor om een ondersteuning vanuit de Svww wordt verzocht, goed zijn doordacht en uitgewerkt. Dit moet onder meer tot uitdrukking komen in een heldere projectdoelstelling en in gekwantificeerde aantallen te vervullen vacatures respectievelijk deelnemende werkzoekenden. Voorts dienen de voorgestelde aanpak, de fasering van het project en de bij het project betrokken samenwerkingspartners en uitvoerders te worden beschreven. Bij het projectplan behoort een begroting, waarin de uitgaven van de onderscheiden activiteiten en de daarvoor voorziene dekking wordt aangegeven.

     Artikel 5, tweede lid, bevat een opsomming van de elementen die in een projectplan aan de orde dienen te komen. Dienaangaande zullen aanvragers door de Raad voor werk en inkomen in het bezit worden gesteld van een voorgestructureerd aanvraag- en begrotingsformulier (eerste lid).

     Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, doelt op de situatie dat een aanvraag wordt ingediend door een onderneming onderscheidenlijk samenwerkingsverband, mede namens een aantal andere ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden. In dat geval dient de aanvragende onderneming onderscheidenlijk het aanvragende samenwerkingsverband bij de aanvraag mee te zenden de overeenkomst die aan de samenwerking tussen de betrokken ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden ten grondslag ligt. Uit die overeenkomst moet blijken welke ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden bij de samenwerking betrokken zijn, alsmede een verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiŰle verplichtingen tussen die ondernemingen onderscheidenlijk samenwerkingsverbanden.
     Het eerste lid, onderdeel d, heeft betrekking op de situatie dat een aanvrager de voorgenomen activiteiten in samenwerking met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten tot uitvoering wenst te brengen. Bij de aanvraag dient dan gevoegd te worden de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de betreffende aanvrager en de betrokken gemeente of gemeenten is neergelegd. Uit deze overeenkomst dient naar voren te komen de mate waarin en de wijze waarop door de gemeente dan wel gemeenten in de kosten van de re´ntegratieactiviteiten van het project wordt bijgedragen.

     Artikel 9, tweede lid, bepaalt de verhouding van de bijdrage van de gemeente dan wel gemeenten tot de bijdrage die op grond van deze regeling ter beschikking wordt gesteld. Voorts wordt in dit verband verwezen naar artikel 13, zevende tot en met negende lid, waarin de subsidiemaatstaf is opgenomen voor wat betreft projecten die in samenwerking met ÚÚn gemeente of meerdere gemeenten tot uitvoering worden gebracht.

     Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, dienen aanvragen vergezeld te gaan van een verklaring dan wel verklaringen waaruit blijkt dat met de aanvragen kan worden ingestemd door de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van de betrokken onderneming of ondernemingen, dan wel van een verklaring van instemming van ÚÚn of meer landelijk representatieve werknemersorganisaties. In het geval een aanvraag wordt ingediend door een onderneming namens een aantal ondernemingen of door een samenwerkingsverband van een aantal ondernemingen, kunnen verklaringen als bedoeld in onderdeel e van het eerste lid van artikel 6 worden vervangen door een advies van een regionaal platform (tweede lid).

     Artikel 7 bevat de voorwaarden waaronder aan aanvragers subsidie op grond van de Svww kan worden verleend. In het tweede lid, onderdeel a, wordt in combinatie met de omschrijving van de begrippen werkloze en werknemer in artikel 1, eerste lid, onderdeel i en j, de doelgroep deelnemers van de regeling bepaald. Voor trajecten kan subsidie worden verleend voor zover dat noodzakelijk is voor de duurzame arbeidsinpassing van deelnemers op vacatures. Uit het tweede lid, onderdeel d, vloeit voort dat slechts vacatures die zich voordoen op de Nederlandse arbeidsmarkt onder de werkingssfeer van de Svww ressorteren.
     In onderdeel i van het tweede lid wordt aangegeven dat aanvragers de kosten van de re´ntegratieactiviteiten die niet of niet volledig worden vergoed door de bijdrage op grond van de Svww, voor eigen rekening dienen te nemen en daarvoor geen andere subsidies of vergoedingen mogen ontvangen.
     Het derde lid bevat de uitzonderingen op deze regel. Aanvragers kunnen in dit kader wel gebruik maken van mogelijkheden tot fiscale afdrachtvermindering en mogen wel subsidies of vergoedingen ontvangen voor de aan overige re´ntegratieactiviteiten verbonden kosten. Voorts mogen aanvragers van gemeenten, naast de bijdragen op grond van artikel 9, tweede lid, ook een tegemoetkoming ontvangen in de kosten van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en bemiddeling en nazorg.
     Het vierde lid heeft betrekking op de situatie dat een traject plaatsvindt met een dienstbetrekking en de aanvrager niet de werkgever is met wie de dienstbetrekking is aangegaan. In die situatie dient de aanvrager de bijdrage in de loonkosten die uit hoofde van de Svww wordt ontvangen voor een traject met een dienstbetrekking door te sluizen naar de betreffende werkgever.
     Voor de goede orde zij in dit verband nog opgemerkt dat in het geval in dezelfde situatie op grond van artikel 14 een bonus wordt uitgekeerd, niet bepaald is dat de aanvrager deze dient door te sluizen naar de werkgever bij wie de betreffende dienstbetrekking zes maanden heeft bestaan. In dat geval is het aan de aanvrager om in overleg met de betrokken werkgever te bezien of, en zo ja, in welke mate de bonus ten goede zal komen van de aanvrager, dan wel geheel of gedeeltelijk zal worden doorgegeven aan de werkgever. Het ligt overigens in de rede dat de bonus door aanvragers mede wordt ingezet voor de - niet-subsidiabele - kosten van bemiddeling en nazorg.

     Artikel 10 bevat de gronden op basis waarvan subsidieverlening uit hoofde van de Svww geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd. In het eerste lid, onderdeel f, is bepaald dat daarvan sprake zal zijn indien voor een projectplan of een gedeelte daarvan subsidie is aangevraagd of gebruikt vanuit het Europees Sociaal Fonds.
     Onderdeel c biedt de Raad voor werk en inkomen de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als er onvoldoende zekerheid is over de liquiditeit en de solvabiliteit van de aanvrager, ook buiten surseance van betaling en faillissement.
     In onderdeel g wordt bepaald dat de kosten in verhouding moeten staan tot de resultaten. Tegen de achtergrond van het overheidsbeleid op het terrein van de re´ntegratiemarkt, in het bijzonder de optimalisering van de inzet van publieke en private re´ntegratiemiddelen, wordt het van groot belang geacht dat in de uitvoering van de Svww marktconforme tarieven worden gehanteerd.
     In onderdeel a wordt geregeld dat indien een aanvraag door de aanvrager niet binnen de vastgestelde aanvraagperiode is ingediend, dit een grond vormt om de aanvraag af te wijzen.
     Het tweede lid geeft de Raad voor werk en inkomen de bevoegdheid om gelet op bijzondere omstandigheden de subsidieaanvraag toch in behandeling te nemen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de omstandigheid waarbij de aanvraag een aantal dagen te laat binnenkomt, maar de oorzaak van de vertraging buiten de schuld van de aanvrager is gelegen.

 

ž 3. Verlening subsidie


     In het eerste lid van artikel 12 wordt aangegeven dat voor Svww-subsidie uitsluitend in aanmerking kunnen komen de kosten van de re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten, alsmede de voorbereidings- en beheerskosten van een project (als een percentage van de subsidie vastgesteld voor re´ntegratieactiviteiten werving en selectie en trajecten). Hierbij is van belang dat de activiteiten direct gericht zijn op de instroom van werkzoekenden in trajecten en het geschikt maken van die werkzoekenden voor arbeidsinpassing op vacatures.
     Voorts is in het derde lid bepaald dat de kosten gemoeid met de uitvoering van de re´ntegratieactiviteit trajecten naar het oordeel van de Raad voor werk en inkomen noodzakelijk moeten worden geacht en dat slechts die kosten van de re´ntegratieactiviteit trajecten voor subsidiŰring in aanmerking komen die daadwerkelijk zijn gemaakt vanaf het moment van subsidieverlening. Indien aanvragers besluiten op een eerder moment kosten voor deze activiteiten te maken, doen ze dat voor eigen rekening en risico.
     Voor de goede orde zij in dit verband nog opgemerkt dat in het kader van de Svww de door deelnemers noodzakelijk te maken en qua prijs als redelijk te achten reiskosten als subsidiabele kosten worden gezien.

     In de artikel 13 van de regeling is de maatstaf opgenomen die geldt voor de bijdrage in de subsidiabele activiteiten.

 

ž 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger


     Op grond van artikel 15, eerste lid, kan de Raad voor werk en inkomen aan het verlenen van subsidie voorschriften verbinden. Hij zal daartoe overgaan indien hij dat voor een correcte uitvoering van de betreffende activiteiten en/of voor het behoud van een goed zicht op de voortgang van die uitvoering noodzakelijk acht.
     In het derde lid wordt bepaald dat de aanvrager gehouden is de re´ntegratieactiviteiten uit te voeren conform het projectplan op basis waarvan subsidie is verleend. Wijzigingen in de in het projectplan opgenomen re´ntegratieactiviteiten alsmede in de planning en de doorlooptijd daarvan, moeten, voor zover deze invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op of op de hoogte van de subsidie, bij de Raad voor werk en inkomen worden gemeld en kunnen pas na zijn toestemming daarvoor tot uitvoering worden gebracht (vierde lid).
     Het vijfde lid heeft betrekking op de situatie dat een aanvrager een projectplan geheel of gedeeltelijk door een re´ntegratiebedrijf of een arbodienst laat uitvoeren. In dat geval dient de aanvrager via een schriftelijke overeenkomst zeker te stellen dat het uitvoerende re´ntegratiebedrijf of de uitvoerende arbodienst zich zal houden aan de in dit artikellid neergelegde verplichtingen.

     In artikel 16 wordt bepaald welke gegevens de aanvrager in zijn administratie moet opslaan.

     In artikel 17, eerste lid, is voor de aanvragers de verplichting opgenomen om de minister (en via mandaat ook de Raad voor werk en inkomen) op verzoek alle gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om te bepalen of door aanvragers wordt voldaan aan de voorwaarden en de voorschriften van de regeling (bijvoorbeeld over de in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, bedoelde liquiditeit en solvabiliteit), waaronder in ieder geval informatie over de voortgang van de uitvoering van de activiteiten. Het tweede lid geeft aan dat dit in ieder geval gedurende het eerste jaar van de uitvoering van projecten per kwartaal en vervolgens elk halfjaar dient te geschieden. Daartoe zullen aanvragers bij toezeggingen uit hoofde van de Svww in het bezit gesteld worden van een rapportageformulier.

     In artikel 16 zijn de gegevens omschreven die een aanvrager in de administratie moet vastleggen om aan de rapportageverplichtingen te kunnen voldoen. De rapportages zullen onder andere worden gebruikt voor de monitoring en de evaluatie van de regeling.

     Artikel 18 bevat een informatieplicht in geval van een verzoek tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring. In die situaties kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht de bevoorschotting worden stopgezet, dan wel de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

     Artikel 20 stelt de Raad voor werk en inkomen in staat verleende subsidie in te trekken of te verlagen. Onder andere is dit het geval indien uit de door de aanvrager ingediende periodieke rapportages zou blijken dat het project waarvoor subsidie is verleend niet of slechts gedeeltelijk zal kunnen worden uitgevoerd. Met de betreffende financiŰle middelen is de Raad voor werk en inkomen dan in staat een toezegging te doen richting andere ingediende projecten die zich de vervulling van vacatures met werkzoekenden ten doel stellen. Voorts kan in dit verband worden opgemerkt dat op grond van dit artikel een verleende subsidie door de Raad voor werk en inkomen kan worden ingetrokken dan wel ten nadele van de aanvrager gewijzigd, indien door die aanvrager niet wordt voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen en voorschriften.

 

ž 5. Voorschotten en subsidievaststelling


     Artikel 23 bevat de situaties waarin betalingen in verband met bevoorschotting respectievelijk vastgestelde einddeclaraties door de Raad voor werk en inkomen kunnen worden opgeschort.

 

ž 6. Slotbepalingen


     In artikel 25 wordt bepaald dat de CWI op hun verzoek aan aanvragers een verklaring verstrekt waarin de volgende gegevens over een werkloze staan: zijn naam en sociaal-fiscaal nummer, in welke fase hij administratief is ingedeeld en zijn werkloosheidsduur. Artikel 75 juncto artikel 21, onderdeel b, van de Wet SUWI maakt dit mogelijk. Afhankelijk van het moment waarop door aanvragers om afgifte van een verklaring wordt verzocht, kan dit document zowel voorafgaande aan als na de aanvang van de betreffende trajecten door de CWI worden afgegeven. In het geval het verzoek van een aanvrager gericht is op afgifte van de verklaring vˇˇr de aanvang van een traject, moet het moment van afgifte gelegen zijn in de periode van acht weken voorafgaande aan de aanvang van een traject. Als de verklaring na de aanvang van een traject wordt gevraagd, moeten de daarin vermelde gegevens betrekking hebben op het moment van aanvraag van het traject.
     De werkloze krijgt in voorkomende gevallen op grond van artikel 26, vierde lid, laatste volzin, van de Wet SUWI een afschrift van het re´ntegratieadvies van de CWI.
     In artikel 26, vierde lid, is bepaald dat aanvragen in het kader van de Svww binnen vastgestelde aanvraagperioden op volgorde van binnenkomst worden behandeld. Daarbij worden slechts volledige aanvragen in behandeling genomen. Aanvragers die een in onvoldoende mate ingevuld aanvraag- en begrotingsformulier en/of anderszins een niet-complete aanvraag indienen, zullen hierover door de Raad voor werk en inkomen schriftelijk worden ge´nformeerd en in staat worden gesteld binnen een door de Raad voor werk en inkomen gestelde termijn nadere informatie te doen toekomen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x