Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2010

 

TIJDELIJKE  REGELING  INKOMENSGEVOLGEN  HERBEOORDEELDE  ARBEIDSONGESCHIKTEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2011
(art. 8 van deze regeling)

 
 

8 december 2004, Stcrt. 2004, 242
Inwerkingtreding: 1 januari 2005
Vervalt m.i.v. 1 januari 2011
(T.a.v. artt. 3:1 en 9 Kaderwet SZW-subsidies, 32d:2 en 77 Wet SUWI en 122 Wfsv)

 

 

 

 
TIJDELIJKE REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AL/04/83596, tot verstrekking van  een financiŰle tegemoetkoming aan herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten)

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en de artikelen 30, eerste lid, onderdeel i, en 77, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

     Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1. Definities
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. herbeoordeelde: de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten alsmede de persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken;
d. werkloosheidsuitkering: een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet en wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
e. inkomen uit of in verband met arbeid: inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven als bedoeld in het Inkomensbesluit Toeslagenwet;
f. valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling.

 

 

HOOFDSTUK  2

De tegemoetkoming

 

Art. 2. Het recht op tegemoetkoming
-1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat. De herbeoordeelde dient de aanvraag in uiterlijk twee maanden na de datum waarop:
a. zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken; of
b. zijn recht op werkloosheidsuitkering is geŰindigd omdat de voor hem geldende uitkeringsduur is verstreken, indien het derde lid van toepassing is.
Het recht op een tegemoetkoming gaat in op de dag waarop de herbeoordeelde de aanvraag heeft ingediend, met dien verstande dat het recht niet eerder ontstaat dan de datum waarop de uitkering is verlaagd of ingetrokken respectievelijk, in de situatie, bedoeld in de tweede zin, onderdeel b, de datum waarop het recht op werkloosheidsuitkering is geŰindigd.
-2. De herbeoordeelde heeft recht op een tegemoetkoming voor de duur van twaalf maanden indien hij op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering.
-3. Indien de herbeoordeelde op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een werkloosheidsuitkering waarvan de resterende duur minder bedraagt dan twaalf maanden, heeft hij recht op een tegemoetkoming. De duur van dat recht op tegemoetkoming is twaalf maanden verminderd met de periode waarover hij recht heeft gehad op die werkloosheidsuitkering, gerekend vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. Indien de herbeoordeelde op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een werkloosheidsuitkering, maar de hoogte van deze uitkering niet wordt aangepast in verband met de verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft hij in afwijking van het tweede en derde lid recht op een tegemoetkoming voor de duur van twaalf maanden.
-5. Indien de herbeoordeelde geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering omdat hij een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg of omdat hij ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet, wordt laatstgenoemde uitkering of dat ziekengeld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid gelijkgesteld met een werkloosheidsuitkering.
-6. Voor zover in deze regeling niet anders wordt bepaald, zijn de artikelen 23, eerste lid, 24, 25, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen b en c, 27, 28, onderdeel a, d, g, i, j en k, 29, 36a, 57, 57a, 57b, 80, 86b en 87c van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de artikelen 30, eerste lid, 32, tweede en derde lid, 88, eerste lid, onderdeel a, 90, en 131, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing op de herbeoordeelde die recht heeft op een tegemoetkoming.
-7. Bij de toepassing van het zesde lid wordt het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting volgend uit het van overeenkomstige toepassing zijn van artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting volgend uit het van overeenkomstige toepassing zijn van artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van die wet te zijn.
-8. Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 25, eerste lid, en 28, onderdeel a, d, g, i, j en k, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de daarop berustende bepalingen wordt de tegemoetkoming geacht naar een uitkeringspercentage van 70% te zijn vastgesteld.
-9. Voor de toepassing van andere wetten dan de Kaderwet SZW-subsidies en de daarop berustende bepalingen wordt een tegemoetkoming op grond van deze regeling aangemerkt als uitkering op grond van de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet, met dien verstande dat de tegemoetkoming:
a. voor de toepassing van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg en de daarop berustende bepalingen wordt aangemerkt als uitkering op grond van de verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. voor het bepalen van het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet niet als zodanig wordt aangemerkt; en
c. voor het bepalen van het recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet als zodanig wordt aangemerkt voor de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
-10. Het UWV kan het eerste lid, tweede zin, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Art. 2a. Behoud tegemoetkoming bij noodzakelijke opleiding of scholing
-1. De herbeoordeelde die in de periode waarin hij recht heeft op tegemoetkoming op grond van artikel 2, tweede, derde en vierde lid, of artikel 7c, derde lid, deelneemt aan een voor hem naar het oordeel van het UWV noodzakelijke opleiding of scholing behoudt in afwijking van die artikelleden dat recht totdat die opleiding of scholing is beŰindigd.
-2. Er is sprake van noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de opleiding of scholing bestaat uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en vaardigheden worden getoetst;
b. aannemelijk is dat de werknemer niet zonder opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie kan uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of scholing daartoe een adequaat middel is; en
c. aannemelijk is dat de opleiding of scholing relevant is voor de arbeidsmarkt.
-3. Noodzakelijke opleiding of scholing bestaat in overwegende mate uit het verrichten van activiteiten die niet productie als doel hebben.
-4. Opleiding of scholing als bedoeld in het eerste lid duurt maximaal ÚÚn jaar. Het UWV kan in individuele gevallen een opleiding of scholing van een langere duur toestaan, doch niet meer dan twee jaar.

 

Art. 3. Hoogte tegemoetkoming
-1. De herbeoordeelde ontvangt een tegemoetkoming ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op de dag vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op heeft vanaf die datum. Hierop wordt in mindering gebracht de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband met arbeid vˇˇr die datum.
-2. Indien met betrekking tot de herbeoordeelde op de dag vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 3:48 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten werd toegepast, wordt voor de toepassing van het eerste lid als de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op die dag, aangemerkt de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze met betrekking tot die dag zou zijn vastgesteld indien de door de herbeoordeelde verrichte arbeid wel de arbeid zou zijn die is bedoeld in respectievelijk artikel 18, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en artikel 3:1, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
-3. Van een toename als bedoeld in het eerste lid is sprake indien het inkomen uit of in verband met arbeid in de periode waarover recht op een tegemoetkoming bestaat gemiddeld per dag hoger is dan het inkomen uit of in verband met arbeid in de zes kalendermaanden voorafgaand aan de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. Voor de toepassing van het derde lid wordt een periode waarover de tegemoetkoming op grond van artikel 5, eerste lid, niet wordt betaald, aangemerkt als een periode waarover geen recht op tegemoetkoming bestaat.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering waar de herbeoordeelde recht op had op de dag vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en de mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.

 

Art. 4. Betaling tegemoetkoming
-1. De tegemoetkoming wordt door het UWV bij wege van een naar redelijkheid vast te stellen voorschot betaalbaar gesteld.
-2. Het UWV betaalt het voorschot in de regel per maand.
-3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de periode waarover de herbeoordeelde recht heeft op een tegemoetkoming op grond van artikel 2, definitief vastgesteld overeenkomstig artikel 3.

 

Art. 5. Uitsluiting betaling tegemoetkoming
-1. De tegemoetkoming wordt niet betaald:
a. indien de herbeoordeelde niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000;
b. voor zover de herbeoordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op categorieŰn van personen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid.

 

Art. 6. Uitvoering
In de uitvoering van deze regeling wordt voorzien door het UWV.

 

 

HOOFDSTUK  3

Financiering

 

Art. 7. Financiering
-1. In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door het Rijk.
-2. De middelen worden ter beschikking gesteld aan het UWV via de rekening-courant bij de Minister van FinanciŰn, die het UWV op grond van artikel 120, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen aanhoudt.
-3. Artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 120, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van deze regeling.
-4. Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
-5. Met inachtneming van het zesde, zevende en achtste lid brengt het UWV de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten in rekening bij de minister.
-6. Op de zesde dag van elke maand verstrekt het UWV aan de minister een opgave van:
a. overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 1, het totaalbedrag aan geraamde uitgaven in die maand voor de tegemoetkomingen op grond van deze regeling inclusief de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten; en
b. overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2, het totaalbedrag aan gerealiseerde uitgaven over de maand gelegen twee maanden vˇˇr die maand, aan tegemoetkomingen op grond van deze regeling inclusief de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten.
-7. In het jaarplan met begroting verstrekt het UWV elk jaar aan de minister een opgave van het totaalbedrag aan geraamde uitvoeringskosten op grond van deze regeling in het komende jaar.
-8. Indien de in het zesde of zevende lid bedoelde dag een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is, vindt de verstrekking plaats op de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is.
-9. Met als valutadag de elfde dag van elke maand draagt de minister in die maand via de rekening-courant bij de Minister van FinanciŰn af aan het UWV:
a. het bedrag van de geraamde uitgaven voor de tegemoetkomingen op grond van deze regeling inclusief de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten; en
b. een twaalfde van het bedrag aan geraamde uitvoeringskosten per jaar.
De Minister kan, na overleg met het UWV, van deze bedragen afwijken.
-10. Met als valutadag de elfde dag van elke maand verrekent de minister het verschil tussen de gerealiseerde uitgaven en de geraamde uitgaven voor de tegemoetkomingen op grond van deze regeling inclusief de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten, in de maand gelegen twee maanden vˇˇr die bedoeld in het negende lid, met het bedrag, bedoeld in het negende lid, onderdeel a.
-11. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op verstrekking van tegemoetkomingen krachtens deze regeling.
-12.
Uiterlijk op 1 juni dient het UWV de afrekening van de tegemoetkomingen op grond van deze regeling en van de uitvoeringskosten over het afgelopen kalenderjaar bij de minister in.
-13. In de afrekening, bedoeld in het dertiende lid, wordt, op basis van de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de kasstroom inzichtelijk gemaakt en deze wordt afzonderlijk vermeld voor de tegemoetkomingen op grond van deze regeling inclusief de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten alsmede voor de uitvoeringskosten verbonden aan de uitvoering van deze regeling.
-14. Op grond van de afrekening, bedoeld in het dertiende lid, vindt vˇˇr 15 juli een betaling plaats ten gunste of ten laste van het UWV.
-15. De minister stelt jaarlijks vˇˇr 31 oktober de omvang van de middelen tot dekking van de uitgaven ter uitvoering van deze regeling vast, gespecificeerd overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.

 

 

HOOFDSTUK  4

Slotbepalingen

 

Art. 7a. Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op artikel 77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen.

 

Art. 7b. Overgangsrecht in verband met de Wet wijziging WW-stelsel
Artikel 1, onderdeel d, zoals dat luidde op de dag vˇˇr inwerkingtreding van artikel XIV, onderdeel A, van de Regeling van 4 september tot wijziging van enige ministeriŰle regelingen in verband met de inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel (Stcrt. 182) ╣ blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen vˇˇr de dag van inwerkingtreding van dat onderdeel.

1. Lees: Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 september 2006, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/2006/69706, tot wijziging van enige ministeriŰle regelingen in verband met de inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel en in verband met enige technische verbeteringen (Stcrt. 2006, 182), red.
 
 

Art. 7c. Overgangsrecht in verband met de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI
-1. Artikel 2, zoals dat luidde op de dag vˇˇr inwerkingtreding van artikel I van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI, blijft van toepassing met betrekking tot een recht op tegemoetkoming dat is aangevraagd vˇˇr of op die dag.
-2. In afwijking van artikel 2, eerste lid, tweede zin, kan een aanvraag op grond van dat artikel in ieder geval worden ingediend tot drie maanden na de dag van inwerkingtreding van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI.
-3. De herbeoordeelde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken vˇˇr of op 23 september 2006 en die:
a. vˇˇr de datum van inwerkingtreding van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI een aanvraag om een tegemoetkoming heeft gedaan; en
b. op 23 maart 2007 geen recht had op een tegemoetkoming of een werkloosheidsuitkering waarvan de hoogte is aangepast in verband met de verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;
heeft recht op een extra tegemoetkoming.
-4. De duur van de extra tegemoetkoming is zes maanden verminderd met de periodes waarover:
a. de herbeoordeelde recht had op tegemoetkoming op grond van artikel 2a; en
b. de herbeoordeelde recht had op een als gevolg van de verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstane of aangepaste werkloosheidsuitkering, gerekend vanaf zes maanden na de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Het UWV stelt het recht op een extra tegemoetkoming op aanvraag vast. De aanvraag kan tot drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI worden ingediend. Het recht gaat in op de datum van aanvraag, met dien verstande dat het recht niet eerder ontstaat dan op de datum van inwerkingtreding van die regeling. Met uitzondering van artikel 2, eerste tot en met vierde lid, zijn de artikelen van deze regeling van toepassing op de extra tegemoetkoming.

1. Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 2007, nr. SV/WV/07/21845, houdende wijziging van de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten in verband met de uitbreiding van de groep herbeoordeelde arbeidsongeschikten die recht heeft op een verlenging van de duur van de tegemoetkoming en het opnemen van een aanvraagtermijn en wijziging van de Regeling afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten in verband met het opschuiven van de einddatum van de periode van herbeoordelingen in artikel 1, eerste lid, onderdeel a (Regeling uitbreiding doelgroep verlenging tegemoetkoming TRI) (Stcrt. 2007, 123), red.

 

Art. 8. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005 en vervalt met ingang van 1 januari 2011.

 

Art. 9. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.

 

Art. 10. Door vernummering vervallen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1 en 2 liggen ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.╣

1. Voor bijlagen 1 en 2 (formulieren) raadpleeg Staatscourant 2008, 172, red.

 

Den Haag, 8 december 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

TOELICHTING
[8 december 2004]

 

Algemeen

 

Inleiding


     Deze regeling voorziet in een tijdelijke tegemoetkoming voor bepaalde arbeidsongeschikten die door een herbeoordeling in het kader van de zogenaamde herbeoordelingsoperatie een lager arbeidsongeschiktheidspercentage hebben gekregen. De regeling is aangekondigd in een brief aan de beide kamers der Staten-Generaal van 28 juni 2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 28 333, nr. 36, blz. 3). In deze brief is aangegeven dat de regering het overgangsrecht voor deze groep wil verbeteren.

 

Achtergrond herbeoordelingsoperatie


     Vanaf 1 oktober 2004 is een herbeoordelingsoperatie gestart van bestaande arbeidsongeschikten, die in totaal twee en een half jaar zal duren. De herbeoordelingsoperatie geschiedt op basis van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten. De achtergrond van de herbeoordelingsoperatie is gelegen in de visie van de regering met betrekking tot arbeidsongeschiktheid. De regering hanteert het uitgangspunt dat mensen met arbeidsbeperkingen moeten worden aangesproken op wat zij nog wel kunnen in plaats van op wat zij niet meer kunnen. De focus moet gesteld zijn op arbeidsgeschiktheid in plaats van op arbeidsongeschiktheid. Aan de situatie dat mensen nu nodeloos aan de kant staan terwijl zij met een steuntje in de rug wel degelijk zouden kunnen werken of meer kunnen werken, wordt een einde gemaakt. Om de terugkeer naar werk te bevorderen, is ook extra geld uitgetrokken voor ondersteunende re´ntegratieactiviteiten.
     De herbeoordelingsoperatie vindt plaats met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434), waarmee bereikt wordt dat, meer dan voorheen het geval was, bepaald kan worden wat iemand nog wel kan. De mate van arbeidsongeschiktheid kan zo beter worden vastgesteld.
     Arbeidsongeschikten geboren vˇˇr of op 1 juli 1954 zijn van de herbeoordelingsoperatie uitgezonderd, evenals personen die bij eerdere herzieningen onder beschermend overgangsrecht vielen. De herbeoordelingsoperatie (en daarmee deze regeling) heeft dus alleen betrekking op personen die op 30 september 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (hierna: WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) hadden en die niet onder de genoemde uitzonderingsgroepen vallen.

 

Inhoud en doel


     In deze regeling wordt de mogelijkheid gecreŰerd om aan arbeidsongeschikten die betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie een tijdelijke tegemoetkoming te verstrekken. Het doel van de regeling is het overgangsrecht voor de betrokken groep te verbeteren, waardoor deze personen meer kans krijgen zich te oriŰnteren op de arbeidsmarkt en een baan te zoeken. Door de regeling wordt bereikt dat alle daarvoor in aanmerking komende arbeidsongeschikten die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen, gedurende acht maanden geen inkomensachteruitgang ondervinden.
     Deze regeling heeft betrekking op arbeidsongeschikten die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen door een herbeoordeling op grond van de herbeoordelingsoperatie, die op het moment van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) dan wel recht op een WW-uitkering van korter dan zes maanden en die er ondanks adequate inspanningen niet in slagen een (extra) inkomen te verwerven dat opweegt tegen de verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met verlaging van de uitkering wordt ook bedoeld een beŰindiging van de uitkering.
     De betreffende personen hebben recht op een tijdelijke tegemoetkoming van maximaal zes maanden. Het eerste moment waarop het recht op de tijdelijke tegemoetkoming kan ontstaan, is twee maanden na de herbeoordeling, met andere woorden op de dag waarop de uitkering zoals die was vˇˇr de herbeoordeling daadwerkelijk wordt verlaagd of beŰindigd. De tegemoetkoming eindigt uiterlijk zes maanden na de daadwerkelijke verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze maximale duur wordt verkort met tijdvakken waarin op het moment van intrekking of verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wel recht op WW bestaat. Een uitzondering hierop wordt gevormd door de situatie dat er recht bestaat op WW vanuit een andere (nieuwe) dienstbetrekking, die geen verband houdt met de WAO-uitkering. In dat geval kan wel recht op tegemoetkoming bestaan.
     De hoogte van de tijdelijke tegemoetkoming is gelijk aan het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering die de herbeoordeelde ontving vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf die datum. Hierop wordt de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband met arbeid vˇˇr die datum in mindering gebracht.
     Het inkomen vˇˇr de verlaging of intrekking van de uitkering wordt bepaald door het gemiddeld inkomen per dag te berekenen over een periode van zes maanden. De toename van het inkomen uit of in verband met arbeid wordt achteraf over de periode van zes maanden vastgesteld op een gemiddeld inkomen per dag. De tijdelijke tegemoetkoming wordt bij wijze van voorschot per maand uitbetaald en na afloop van de periode van zes maanden definitief vastgesteld. Indien degene die een tegemoetkoming ontvangt tussentijds een verhoging of verlaging van zijn inkomen ondervindt, meldt hij dit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en wordt deze wijziging in de voorschotten verwerkt.
     De regeling heeft betrekking op alle arbeidsongeschikten die betrokken zijn bij de herbeoordelingsoperatie, dus zowel personen met een WAO- als met een WAZ- of Wajong-uitkering.
     Deze regeling heeft een activerende werking, omdat de rechthebbenden verplicht zijn mee te werken aan activiteiten die het UWV of het re´ntegratiebedrijf in opdracht van het UWV wenselijk acht ter verbetering van hun positie op de arbeidsmarkt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het volgen van een re´ntegratietraject of voldoende sollicitatiegedrag vertonen. Daarnaast gelden de reguliere informatieverplichtingen zoals opgenomen in de WAO. Indien betrokkenen zich niet houden aan de verplichtingen, legt het UWV een maatregel op.
     De gang van zaken met betrekking tot de begeleiding van de herbeoordeelden bij re´ntegratie en werkhervatting is als volgt.
     De arbeidsdeskundige nodigt de cliŰnt binnen de uitlooptermijn van twee maanden uit voor een gesprek waarin de mogelijkheden tot werkhervatting centraal staan. In dat gesprek wordt de re´ntegratievisie opgesteld. Als ondersteuning door een re´ntegratiebedrijf gewenst is, vindt ook binnen deze periode de aanmelding bij een gecontracteerd re´ntegratiebedrijf plaats. De re´ntegratieactiviteiten beginnen dus al in de uitlooptermijn en lopen door in de periode waarover recht bestaat op de tegemoetkoming.
     De arbeidsdeskundige zal als re´ntegratiecoach de regie over het re´ntegratieproces voeren en opdracht geven tot de inkoop van trajecten en overige begeleiding, en daarnaast controle uitoefenen met betrekking tot termijnen, resultaten en kosten. Voor de herbeoordeelde cliŰnt wordt de re´ntegratiecoach het enige aanspreekpunt van het UWV.
     Bij het opstellen van de re´ntegratievisie gaat de re´ntegratiecoach in samenspraak met de cliŰnt na hoe de weg naar arbeid er het beste uit kan zien. In het gesprek wordt bekeken wat de wensen en mogelijkheden van de cliŰnt met betrekking tot re´ntegratie zijn. Voorop bij re´ntegratie staat de eigen verantwoordelijkheid van de cliŰnten om aan het werk te gaan. De arbeidsdeskundige en de cliŰnt maken concrete afspraken over wat de cliŰnt zelf kan en moet doen. De gevolgen van het niet naleven van de verplichtingen worden ook opgenomen in de re´ntegratievisie. CliŰnt en de re´ntegratiecoach ondertekenen beiden de re´ntegratieovereenkomst.
     Voor diegenen die niet op eigen kracht naar de arbeidsmarkt kunnen terugkeren, kan de re´ntegratievisie in de inkoop van een traject bij een re´ntegratiebedrijf voorzien. De re´ntegratievisie wordt dan uitgewerkt in een concreet arbeidsintegratieplan. Dit wordt door de cliŰnt zelf opgesteld met behulp van een door of voor hem ingeschakeld re´ntegratiebedrijf. Doel van het arbeidsintegratieplan is een nauwkeurige beschrijving van het geheel van activiteiten dat wordt gevolgd om de overstap naar de arbeidsmarkt te maken. De daadwerkelijke uitvoering van de activiteiten in het arbeidsintegratieplan, door zowel de cliŰnt als het re´ntegratiebedrijf, wordt door de re´ntegratiecoach gemonitord.
     Voor de overige cliŰnten geldt dat inkoop van een traject bij een re´ntegratiebedrijf niet noodzakelijk is, omdat zij op eigen kracht een plek op de arbeidsmarkt kunnen verwerven. Met deze cliŰnten maakt de re´ntegratiecoach afspraken over activiteiten zoals inschrijving bij het Centrum voor werk en inkomen als werkzoekende, aanmelding bij bijvoorbeeld uitzendbureauĺs, sollicitatieactiviteiten naar functies die in de re´ntegratievisie als passend zijn opgenomen, etc. Ook worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de voortgang wordt bewaakt, schriftelijk, telefonisch of in gesprekken.
     Een tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt voor andere wetten aangemerkt als WW-uitkering. Dit heeft betekenis voor bijvoorbeeld de ziekenfondsverzekering en de premieheffing op de tegemoetkoming. Een uitzondering hierop bestaat met betrekking tot de Toeslagenwet (er kan geen recht op toeslag bestaan alleen op grond van het ontvangen van de tegemoetkoming), met betrekking tot de toepassing van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg en met betrekking tot het ontstaan van het recht op WAO-uitkering voor de arbeidsongeschikte zelfstandigen en jonggehandicapten.

 

Financiering


     In de financiering van deze regeling wordt voorzien door het Rijk. Hiertoe wordt een rijksbijdrage verstrekt aan het UWV. De op grond van deze regeling te verstrekken tegemoetkomingen en de daaraan verbonden uitvoeringskosten komen ten laste van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (beleidsartikel 30). In de toelichting op de financieringsbepalingen van deze regeling (artikel 7 van de onderhavige regeling) wordt hier nader op ingegaan.

 

Uitvoering


     Deze regeling wordt uitgevoerd door het UWV. Het UWV stelt op aanvraag voor iedere arbeidsongeschikte die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgt bij de herbeoordelingsoperatie vast of recht op een tegemoetkoming op grond van deze regeling bestaat. De bepalingen van de WAO wat betreft de uitvoering en handhaving zijn van overeenkomstige toepassing. Het toezicht door de Inspectie Werk en Inkomen geschiedt conform de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

 

FinanciŰle effecten


     De extra kosten van de tijdelijke compenserende regeling in de periode 2005-2007 bedragen in totaliteit circa Ç|24 mln, waarvan circa Ç|6 mln uitvoeringskosten. Daarbij is rekening gehouden met de in het sociaal akkoord overeengekomen beperking van de doelgroep van de herbeoordelingsoperatie. De verwachte kosten zijn in de tijd gespreid rekening houdend met de planning van de herbeoordelingsoperatie, de systematiek van uitkeringsverlaging en de uitkeringsrechten op grond van deze compenserende regeling.
     Bij de WAO betreft het ten eerste een groep die geen recht krijgt op WW en ook niet op bijstand en ten tweede een groep die geen recht heeft op WW, maar wel op bijstand. Voor de additionele kosten van deze compenserende regeling is voor de tweede groep uitgegaan van het verschil tussen de bijstandsuitkering en de tegemoetkoming (die gerelateerd is aan het dagloon). Degenen die geen recht op WW zullen hebben en van de tegemoetkoming gebruik zullen maken, zijn vrijwel alleen gedeeltelijk arbeidsongeschikten die met een WAO-uitkeringsverlaging te maken krijgen.
     Voor de WAZ en Wajong is verondersteld dat degenen die na herbeoordeling en uitkeringsverlaging geen recht krijgen op een andere minimumuitkering, op basis van dit overgangsrecht een tegemoetkoming krijgen voor de duur van zes maanden die is afgeleid van het minimumloon.
     Naast bovengenoemde additionele kosten zal als gevolg van de overgangsregeling bovendien een neutrale verschuiving plaatsvinden van de bijstand naar de tijdelijke compenserende regeling. Deze verschuiving bedraagt circa Ç|5, Ç|5 en Ç|0,5 mln in 2005, 2006 en 2007. Gedurende de eerste zes maanden na uitkeringsverlaging zal de overgangsregeling het inkomensverlies compenseren en zal geen beroep op de bijstand worden gedaan. Uitkeringslasten, waarvan verwacht werd dat die in deze overgangsperiode in de bijstand zouden optreden, zullen dus in de overgangsregeling in plaats van in de bijstand optreden.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 2004 2005 2006 2007 Totaal
Additionele kosten overgangsrecht (Î Ç|1 mln) 1 14 8 1 24

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Definities

     In dit artikel worden begrippen die in deze regeling vaker voorkomen, omschreven.

 

Artikel 2. Het recht op tegemoetkoming

     Op grond van het eerste lid van artikel 2 moet de herbeoordeelde een aanvraag indienen, alvorens hij in aanmerking kan komen voor een tegemoetkoming op grond van deze regeling.
     Op grond van het tweede lid heeft de herbeoordeelde voor de duur van zes maanden recht op een tegemoetkoming als hij op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb van de WW of wachtgeld als bedoeld in de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Het recht op de tegemoetkoming gaat in op de eerste dag waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde is verlaagd of ingetrokken. Als de herbeoordeelde op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wel recht heeft op een WW-uitkering of wachtgeld waarvan de resterende duur minder bedraagt dan zes maanden, heeft hij op grond van het vierde lid na afloop van de uitkeringsduur van die uitkering of dat wachtgeld recht op een tegemoetkoming.
     Als de herbeoordeelde op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering recht heeft op een WW-uitkering of wachtgeld, waarbij de hoogte van de uitkering of het wachtgeld niet wordt aangepast in verband met de verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft hij op grond van het vierde lid in afwijking van het tweede en derde lid recht op een tegemoetkoming voor de duur van zes maanden vanaf de datum waarop zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is verlaagd of ingetrokken. Dit heeft betrekking op de situatie dat er recht bestaat op WW vanuit een andere (nieuwe) dienstbetrekking, die geen verband houdt met de WAO-uitkering. In dat geval kan dus wel recht op een tegemoetkoming bestaan.
     Als de herbeoordeelde geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg of ziekengeld ontvangt, wordt die uitkering of dat ziekengeld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid gelijkgesteld met een WW-uitkering. Dit betekent dus dat de herbeoordeelde ook geen tegemoetkoming ontvangt als hij weliswaar geen WW-uitkering ontvangt, maar wel een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg of ziekengeld, indien die uitkering of dat ziekengeld wordt ontvangen in plaats van een WW-uitkering.
     De tegemoetkoming eindigt indien zes maanden zijn verstreken vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De herbeoordeelde heeft dus maximaal gedurende zes maanden recht op een tegemoetkoming, waarbij de einddatum van de tegemoetkoming in ieder geval ligt zes maanden na de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     Stel de WAO-uitkering van een werknemer wordt verlaagd per 1 januari 2005. Op dat moment ontvangt hij daarnaast nog een WW-uitkering die wordt verhoogd in verband met de verlaging van de WAO-uitkering. Vanaf 1 april 2005 heeft hij geen recht meer op WW-uitkering. In dat geval heeft er weliswaar een verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsgevonden, maar heeft de herbeoordeelde van 1 januari tot 1 april toch geen recht op een tegemoetkoming, omdat hij gedurende die periode recht heeft op een WW-uitkering. Per 1 april ontstaat dan wel recht op een tegemoetkoming. Vanaf 1 juli heeft de herbeoordeelde niet langer recht op deze tegemoetkoming, omdat dan zes maanden zijn verstreken vanaf de datum van verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming moet de herbeoordeelde voorts aan een aantal vereisten voldoen op grond van het zesde lid van dit artikel. Er is voor gekozen deze regeling zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de WAO. Een aantal artikelen van de WAO dat ziet op verplichtingen voor de werknemer en maatregelen bij het niet nakomen hiervan (de artikelen 23, eerste lid, 24, 25, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen b en c, 27, 28, onderdeel a, d en g, 29, en 80 van de WAO) is daarom van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarnaast zijn artikelen met betrekking tot de herziening of intrekking van de toekenning (artikel 36a), de terugvordering (57, 57a, eerste lid, en 57b) en beslistermijnen (de artikelen 86a en 87c) van overeenkomstige toepassing verklaard.
     Voorts wordt het door de herbeoordeelde niet of niet behoorlijk nakomen van de van overeenkomstige toepassing zijnde verplichting, bedoeld in artikel 80 van de WAO, aangemerkt als het niet of niet behoorlijk nakomen van de van overeenkomstige toepassing zijnde verplichting, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van die wet. Dit betekent dat het UWV de herbeoordeelde zijn tegemoetkoming tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert indien de herbeoordeelde zijn inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen (net zoals het geval is als hij de inlichtingenplicht niet binnen de door het UWV daaraan gestelde termijn is nagekomen).
     Dit wijkt dus af van de handhavingssystematiek die geldt voor de WAO. Daar geldt immers dat een boete opgelegd wordt indien de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen. De reden voor de afwijking hiervan is dat de Kaderwet SZW-subsidies niet de grondslag biedt voor het opleggen van boetes. Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 25, eerste lid, en 28, onderdeel a, d en g, van de WAO en de daarop berustende bepalingen is in het achtste lid bepaald dat de tegemoetkoming wordt geacht naar een uitkeringspercentage van 70% te zijn vastgesteld. Dit is geregeld, omdat op deze wijze de hoogte een eventueel opgelegde maatregel kan geschieden overeenkomstig de wijze waarop dit nu is vastgelegd in het Maatregelenbesluit UWV.
     Voor de volledigheid zij vermeld dat de regeling wat betreft internationale aspecten gezien moet worden als een arbeidsongeschiktheidsregeling.
     Een tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt op grond van het negende lid aangemerkt als WW-uitkering voor andere wetten dan de Kaderwet SZW-subsidies. Dit betekent onder meer dat voor de tegemoetkoming dezelfde voorwaarden gelden met betrekking tot bijvoorbeeld premieheffing als bij WW-uitkeringen.
     Hierop gelden drie uitzonderingen. Dit betreft ten eerste de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg. In het negende lid van dit artikel is namelijk voorts geregeld dat de tegemoetkoming, in uitzondering op de hoofdregel dat deze als WW-uitkering wordt aangemerkt, voor de toepassing van de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg aangemerkt moet worden als een WAO-uitkering. Dit betekent dat de herbeoordeelde met betrekking tot de tegemoetkoming wel als verzekerde aangemerkt moet worden in de zin van de Ziektewet (en dus premieplichtig is) (artikel 20 juncto artikel 8a Ziektewet), maar dat de herbeoordeelde geen recht heeft op uitkering van ziekengeld op grond van die wet (artikel 21 juncto artikel 29 Ziektewet). Aangezien degene die een WAO-uitkering ontvangt op grond van artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg juncto artikel 8a van de Ziektewet niet wordt aangemerkt als gelijkgestelde in de zin van die wet, heeft de herbeoordeelde op grond van het zevende lid van dit artikel evenmin recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg.
     Voorts wordt de tegemoetkoming voor het bepalen van het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet niet aangemerkt als WW-uitkering. Dit betekent dat een herbeoordeelde die uitsluitend recht heeft op een tegemoetkoming op grond van deze regeling, geen recht heeft op een toeslag. Bij het bepalen van de hoogte van de toeslag van een persoon die naast de tegemoetkoming bijvoorbeeld recht heeft op een WAO-uitkering, speelt de tegemoetkoming wel een rol. De tegemoetkoming wordt wel meegenomen bij het bepalen van de hoogte van het inkomen, op grond waarvan de hoogte van de toeslag wordt vastgesteld. Tot slot wordt de tegemoetkoming voor de persoon die recht krijgt op een tegemoetkoming in verband met een verlaging of intrekking van een WAZ- of Wajong-uitkering niet aangemerkt als een WW-uitkering voor het bepalen van het recht op een WAO-uitkering.

 

Artikel 3. Hoogte tegemoetkoming

     In artikel 3 is geregeld hoe de hoogte van de tegemoetkoming moet worden vastgesteld.
     De herbeoordeelde ontvangt een tegemoetkoming ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij recht had op de dag vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij recht heeft vanaf die datum. Bij het bepalen van de omvang van dit verschil wordt uiteraard ook (de hoogte van) het recht op vakantie-uitkering in aanmerking genomen. Indien op de datum van de verlaging of intrekking de uitkering verlaagd was tengevolge van toepassing van een maatregel, geldt de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder toepassing van die maatregel. Indien met betrekking tot de herbeoordeelde op de dag vˇˇr de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering artikel 44 van de WAO, artikel 58 van de WAZ of artikel 50 van de Wajong werd toegepast, geldt evenwel het volgende. Dan wordt namelijk voor het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming als de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op die dag aangemerkt de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze met betrekking tot die dag zou zijn vastgesteld als de door de herbeoordeelde verrichte arbeid wel zou zijn aangemerkt als alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
     Daarnaast is voor het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming van belang of er vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde sprake is van een toename van diens inkomen uit of in verband met arbeid. De toename van het inkomen wordt bepaald door het verschil te nemen tussen het gemiddeld inkomen uit of in verband met arbeid in de periode waarover recht op een tegemoetkoming bestaat en het inkomen uit of in verband met arbeid in de zes kalendermaanden voorafgaand aan de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor het bepalen van de periode waarover de gemiddelde toename van het inkomen moet worden berekend, wordt een periode waarover de tegemoetkoming op grond van artikel 5, eerste lid, niet wordt betaald overigens aangemerkt als een periode waarover geen recht op tegemoetkoming bestaat. Dit betekent dat met betrekking tot een herbeoordeelde die feitelijk recht heeft op een tegemoetkoming gedurende een periode van zes maanden, waarbij gedurende de periode van ÚÚn maand geen betaling plaatsvindt als gevolg van de toepassing van artikel 5, eerste lid, voor het berekenen van het gemiddeld inkomen na de datum van verlaging of intrekking van de uitkering, uitgegaan moet worden van de periode van vijf maanden waarin hij recht heeft op een tegemoetkoming en deze ook daadwerkelijk uitbetaald heeft gekregen. Indien er gemiddeld per dag sprake is van een toename van het inkomen uit of in verband met arbeid, wordt deze toename in mindering gebracht op de hoogte van de tegemoetkoming. Indien er sprake is van een gemiddelde afname van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft deze geen invloed op de hoogte van de tegemoetkoming. De uiteindelijke hoogte van de tegemoetkoming wordt dus bepaald door die gemiddelde toename van het inkomen uit of in verband met arbeid in mindering te brengen op het verschil tussen de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vˇˇr en de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
     Onder inkomen in verband met arbeid wordt bijvoorbeeld ook de WW-uitkering verstaan waarop de herbeoordeelde recht krijgt in de periode van zes maanden na de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren indien er op de datum van verlaging of intrekking geen recht op WW-uitkering bestond, omdat betrokkene op die datum zoveel uur werkte dat hij niet werkloos was.
     Ter verduidelijking van de wijze van berekening van de hoogte van de tegemoetkoming het volgende voorbeeld. Een herbeoordeelde krijgt recht op een tegemoetkoming. Hij heeft op de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht op een werkloosheidsuitkering. Vanaf die datum heeft hij gedurende zes maanden ononderbroken recht op tegemoetkoming en wordt die tegemoetkoming ook daadwerkelijk uitbetaald. Vˇˇr de datum van intrekking van zijn uitkering (hij is volledig afgeschat) had hij recht op een uitkering van 42% van het vervolgdagloon (in zijn geval Ç|62,- per werkdag), dus Ç|26,-. Uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van zijn tegemoetkoming is dus deze Ç|26,- per werkdag. Een periode van zes maanden omvat in totaal 130,5 uitkeringsdagen. De totale tegemoetkoming over zes maanden zou dan dus Ç|3393,- zijn. Hierop moet nog in mindering worden gebracht de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid. In de zes maanden voor de intrekking van zijn uitkering bedroeg zijn inkomen gemiddeld Ç|20,- per werkdag. In de periode van zes maanden waarin hij zijn tegemoetkoming heeft ontvangen, heeft hij in totaal Ç|3262,50 ontvangen aan inkomen uit of in verband met arbeid. Dit betekent dat zijn inkomen over die periode gemiddeld per werkdag Ç|25,- is. De gemiddelde toename van zijn inkomen uit of in verband met arbeid per werkdag is dus Ç|5,- (Ç|25- ľ Ç|20,-). Zijn inkomen uit of in verband met arbeid is dus over de gehele periode van zes maanden toegenomen met Ç|652,50. Hij heeft daarom over deze gehele periode recht op een tegemoetkoming van Ç|2740,50 (Ç|3393,- ľ Ç|652,50), hetgeen betekent een tegemoetkoming van gemiddeld Ç|21,- per werkdag.

 

Artikel 4. Betaling tegemoetkoming

     De tegemoetkoming wordt in eerste instantie door het UWV als voorschot betaald aan de herbeoordeelde. De hoogte van dit voorschot wordt door het UWV naar redelijkheid vastgesteld. Indien degene die een tegemoetkoming ontvangt tussentijds een verhoging of verlaging van zijn inkomen ondervindt, is hij (op grond van de overeenkomstige toepassing van artikel 80 WAO) verplicht dit te melden aan het UWV. Dit wordt dan in de voorschotten verwerkt. Het voorschot wordt doorgaans per maand betaald. Zo spoedig mogelijk na het verstrijken van zes maanden gerekend vanaf de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde wordt de totale hoogte van de tegemoetkoming over die zes maanden definitief vastgesteld. Als blijkt dat het betaalde voorschot te hoog is vastgesteld, wordt het te veel betaalde voorschot teruggevorderd van de herbeoordeelde. Terugvordering geschiedt overeenkomstig de artikelen 57 e.v. van de WAO. Als het voorschot te laag is vastgesteld, wordt de te weinig betaalde tegemoetkoming door het UWV betaald aan de herbeoordeelde.

 

Artikel 5. Uitsluiting betaling tegemoetkoming

     In een tweetal gevallen ontstaat er weliswaar een recht op de tegemoetkoming, maar wordt de tegemoetkoming niet uitbetaald. Hiervan is sprake voor zover de herbeoordeelde zijn vrijheid rechtens is ontnomen en indien de herbeoordeelde niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Voor de betekenis van deze gronden voor uitsluiting van betaling van de tegemoetkoming wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de daarmee overeenkomende uitsluitingsgronden van artikel 19, eerste lid, van de WW. Indien ÚÚn van deze gronden voor uitsluiting van betaling van toepassing is, betekent dit dat de periode van zes maanden waarin het recht op tegemoetkoming bestaat gewoon doorloopt. Indien bijvoorbeeld voor een herbeoordeelde op 1 november 2005 het recht op tegemoetkoming is ontstaan op grond van artikel 3 van deze regeling en hij van 1 december 2005 tot 1 februari 2006 gedetineerd is geweest, dan is de tegemoetkoming uitbetaald van 1 november tot 1 december 2005 en daarna van 1 december 2005 tot 1 februari 2006 niet. Vervolgens is op 1 februari het recht op uitbetaling van de tegemoetkoming weer ontstaan. Op 1 mei 2006 is het recht op de tegemoetkoming dan geŰindigd. In totaal heeft de herbeoordeelde dan gedurende vier maanden recht op uitbetaling van de tegemoetkoming gehad.

 

Artikel 6. Uitvoering

     Deze regeling wordt uitgevoerd door het UWV. Het UWV beoordeelt of een herbeoordeelde in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van deze regeling, bepaalt de hoogte hiervan en draagt zorg voor de betaling van de tegemoetkoming aan de herbeoordeelde.

 

Artikel 7. Financiering

     In dit artikel worden regels gesteld met betrekking tot de financiering van deze regeling. De financiering geschiedt door het Rijk, in het bijzonder de minister. De minister stelt aan het UWV de middelen ter dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling, te weten de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van het UWV, ter beschikking. Dit geschiedt door het verstrekken van een rijksbijdrage aan het UWV. De middelen worden ter beschikking gesteld aan het UWV via de rekening-courant bij de Minister van FinanciŰn.
     Het UWV beheert en administreert de middelen. Het UWV brengt de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van het UWV in rekening bij de minister op de volgende wijze. Op de zesde dag van elke maand verstrekt het UWV aan de minister een tweetal overzichten. Dit betreft ten eerste een raming van de uitgaven die in die maand verbonden zijn aan de uitvoering van deze regeling. In de raming worden afzonderlijk vermeld het totaalbedrag aan geraamde uitgaven voor de tegemoetkomingen en het totaalbedrag aan geraamde uitvoeringskosten op grond van deze regeling. Voor de toepassing van het zevende, achtste en veertiende lid van het onderhavige artikel wordt onder respectievelijk de geraamde uitgaven voor de tegemoetkomingen, de uitbetaalde tegemoetkomingen en de tegemoetkomingen mede begrepen de op grond van enige wet over de tegemoetkomingen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze tegemoetkomingen in mindering kunnen worden gebracht en de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten. Daarnaast betreft het een opgave van de gerealiseerde uitgaven verbonden aan de uitvoering van deze regeling over de maand gelegen twee maanden vˇˇr die maand. In de opgave worden afzonderlijk vermeld het totaalbedrag aan uitbetaalde tegemoetkomingen en het totaalbedrag aan gerealiseerde uitvoeringskosten. Aan de hand van deze gegevens draagt de minister met als valutadag de elfde dag van elke maand het bedrag van de geraamde uitgaven verbonden aan de uitvoering van deze regeling over die maand af aan het UWV. De minister verrekent dan ook het verschil tussen de gerealiseerde uitgaven en de geraamde uitgaven over de maand gelegen twee maanden vˇˇr die maand, met dat bedrag. Uiterlijk op 1 juni van ieder jaar dient het UWV de afrekening over het afgelopen kalenderjaar bij de minister in. In de afrekening wordt, op basis van de jaarrekening, de kasstroom inzichtelijk gemaakt en deze wordt afzonderlijk vermeld voor de tegemoetkomingen op grond van deze regeling alsmede de uitvoeringskosten verbonden aan de uitvoering van deze regeling. Vˇˇr 15 juli vindt dan op grond van deze afrekening een betaling plaats ten gunste of ten laste van het UWV (de definitieve afrekening). Nadat deze definitieve afrekening is gemaakt, wordt jaarlijks door de minister vˇˇr 31 oktober de omvang van de middelen tot dekking van de uitgaven ter uitvoering van deze regeling vastgesteld.

 

Artikel 8. Inwerkingtreding

     De herbeoordelingsoperatie wordt in cohorten door het UWV uitgevoerd. De herbeoordelingsoperatie eindigt in het derde kwartaal 2006. In verband met de uitloopperiode van de WAO-, WAZ- en Wajong-uitkering en in verband met eventualiteiten is besloten de einddatum van de regeling te bepalen op 1 januari 2009.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x