Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2013 tot vaststelling van een tijdelijke regeling ter overbrugging van de periode tussen de ingangsdatum van de Algemene Ouderdomswet en aanvullende inkomensregelingen (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW)

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Begripsomschrijvingen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. AOW: Algemene Ouderdomswet;
b. minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. overbruggingsuitkering: overbruggingsuitkering als bedoeld in artikel 4;
d. partneruitkering: partneruitkering als bedoeld in artikel 6;
e. rechthebbende: rechthebbende als bedoeld in artikel 4;
f. SVB: Sociale verzekeringsbank als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. zelfstandige: persoon die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen of was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die:
1º. voldoet of heeft voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
2º. met ingang van 1 augustus 2004 rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland heeft uitgeoefend.
-2. Onder zelfstandige als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt mede verstaan een gewezen zelfstandige als bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
-3. Op deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing artikel 1, eerste tot en met zesde lid, en het achtste en negende lid, van de AOW en het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.

 

Art. 2. Inkomen
-1. In deze regeling wordt onder inkomen verstaan:
a. inkomen als bedoeld in de artikelen 2:2 tot en met 2:4 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten;
b. een voorziening als bedoeld in artikel 4 van de Remigratiewet;
c. buitengewoon pensioen als bedoeld in de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers of de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;
d. een uitkering als bedoeld in de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 met uitzondering van toeslagen als bedoeld in artikel 21b van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zoals dat luidde tot 1 januari 1992, alsmede toeslagen als bedoeld in artikel 19 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
e. een uitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5 voor zover niet begrepen onder inkomen als bedoeld in de onderdelen a tot en met d.
-2. De artikelen 2:5, 2:7, eerste lid, aanhef en onder b en c, 4:1 en 4:3 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3. Vermogen
-1. In deze regeling wordt onder vermogen verstaan: waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden, bedoeld in artikel 5.3 in samenhang met artikel 5:13, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat de waarde van de eigen woning, bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, verminderd met de schuld die is aangegaan voor het verkrijgen of in stand houden van die woning, hier niet onder wordt begrepen.
-2. Tot het vermogen behoren niet rechten die berusten op een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz.
-3. Niet tot het vermogen van een zelfstandige behoren:
a. rechten op lijfrenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz indien deze rechten niet zijn verkregen door middel van het voldoen van een koopsom of indien de premiebetaling niet is aangevangen binnen drie jaar vóór het indienen van de aanvraag om een overbruggingsuitkering, tenzij deze rechten zijn verkregen door de omzetting van de fiscale oudedagsreserve in een lijfrente en de opbouw van deze reserve voor de eerdergenoemde periode is aangevangen;
b. rechten op ingegane lijfrenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz verkregen krachtens overeenkomst onder bezwarende titel en toekomend aan de zelfstandige of gewezen zelfstandige, zijn echtgenoot of minderjarige kinderen, in geval van invaliditeit;
c. polissen van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz, mits ter zake van de verzekering geen koopsom is voldaan en deze polissen niet dienen als basis voor de financiering van de eigen woning;
d. een bedrag van €

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.