Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 10 juni 2005

 

BESLUIT  BELEIDSREGELS  SVB  2004

Vervallen
m.i.v. 11 juni 2005
(art. 2 BbS05)

 
 

23 april 2004, Stcrt. 2004, 81
Inwerkingtreding: 30 april 2004
(T.a.v. artt. 34:1 Wet SUWI, 8a Remigratiewet, 13 TOG 2000 en 13 Rta
en Boetebesluit sz-wetten)

 

 

 

 
     De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank;
     Gelet op artikel 34, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 8a van de Remigratiewet, artikel 13 van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 en artikel 13 van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, alsmede gelet op het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462);

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Bij de uitvoering van de in artikel 34 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen genoemde wetten, de Remigratiewet, de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de als bijlage bij dit besluit gevoegde publicatie SVB Beleidsregels 2004.
-2. In afwijking van het eerste lid past de Sociale verzekeringsbank het beleid opgenomen in deel III, hoofdstuk 6 (Rechtstreeks beroep), van de bijlage eerst toe met ingang van de datum waarop het bij koninklijke boodschap van 18 december 2000 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enige andere wetten in verband met de mogelijkheid om de bezwaarschriftenprocedure met wederzijds goedvinden buiten toepassing te laten (rechtstreeks beroep) (Kamerstukken 27 563) tot wet is verheven en in werking treedt.

 

Art. 2.
Het Besluit beleidsregels SVB 2003, zoals vastgesteld door het bestuur van de Sociale verzekeringsbank bij Besluit van 25 april 2003 (Stcrt. 2003, 82), wordt ingetrokken.

 

Art. 3.
Het Besluit koranonderwijs AKW/Anw, zoals vastgesteld door het bestuur van de Sociale verzekeringsbank bij Besluit van 26 september 1997 (Stcrt. 1997, 187), wordt ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregels SVB 2004.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

 

Amstelveen, 23 april 2004.
E.F. Stoovť, voorzitter Raad van bestuur SVB
.

 

 

 

TOELICHTING
[23 april 2004]

 

     De Sociale verzekeringsbank (SVB) publiceert sinds 1997 jaarlijks het beleid dat zij hanteert bij de uitvoering van de aan haar opgedragen wetten en regelingen. Publicatie vindt plaats door bekendmaking van een besluit als het voorgaande, inhoudende dat door het bestuur van de SVB opnieuw de SVB-beleidsregels voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De bijlage waarnaar in het besluit wordt verwezen, betreft de in boekvorm gebundelde verzameling SVB-beleidsregels die voor een ieder ter inzage ligt bij de vestigingskantoren van de SVB en eveneens verkrijgbaar is bij de meer academisch georiŽnteerde boekhandels. De inhoud van de publicatie kan tevens worden ingezien via het internet op www.svb.nl [www.svb.nl/Images/SVBbeleidsregels2004titel_tcm47-30486.pdf, red.].
     Ook voor het jaar 2004 is weer een geactualiseerde bundel SVB-beleidsregels vastgesteld. Meest in het oog springend verschil ten opzichte van de bundel in 2003 is dat de volgorde van de delen II en III is omgedraaid. Door deze wijziging is een meer logische opbouw van de beleidsregels bereikt, die erin bestaat dat in deel I de zogenoemde materiewetten AKW, Anw en AOW worden behandeld alsmede de overige regelingen waaraan uitkeringsrechten kunnen worden ontleend. In deel II wordt het Europese en overige internationale recht behandeld dat van invloed is op de uitvoering van de regelingen die in deel I aan de orde komen, terwijl in deel III het bestuursrecht en aanpalende onderwerpen aan de orde komen.

     Ten opzichte van de vorige bundel zijn in deel I (AOW, Anw, AKW, Remigratiewet, TOG 2000 en TAS) de volgende onderwerpen gewijzigd.
     In paragraaf 1.2.2.1 is het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2001 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 november 2002 verwerkt. Uit deze jurisprudentie leidt de SVB af dat de vaststelling dat de betrokken personen feitelijke hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning voldoende is om aan te nemen dat in het kader van het voeren van een gezamenlijke huishouding aan het huisvestingscriterium is voldaan. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat de bewoner van een woning op zuiver commerciŽle basis een deel daarvan verhuurt aan een huurder of ter beschikking stelt aan een kostganger en deze huurder of kostganger in dat deel van die woning zijn hoofdverblijf heeft.
     In paragraaf 1.2.2.4 is het uitgangspunt verwerkt dat ingeval sprake is van een meerpersoonshuishouding, het bestaan tussen twee personen van een onweerlegbaar rechtsvermoeden niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. In paragraaf 1.2.2.5 is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002 en van de Hoge Raad van 26 februari 2004 verwerkt. Op grond van artikel 14, vierde lid, en 16, derde lid, Anw heeft degene die een gezamenlijke huishouding voert, gedurende zes maanden na het overlijden van de verzekerde respectievelijk na intrekking van de nabestaandenuitkering de tijd om de gezamenlijke huishouding te beŽindigen om alsnog recht op nabestaandenuitkering te verkrijgen. Uit de jurisprudentie van de CRvB en de Hoge Raad volgt dat de gezamenlijke huishouding alleen kan worden beŽindigd doordat ťťn van de partners een andere woning betrekt. Als men de relatie een andere, commerciŽle vorm geeft, dan staat het onweerlegbaar rechtsvermoeden eraan in de weg dat de gezamenlijke huishouding als beŽindigd wordt beschouwd.
     In paragraaf 1.3.1 is beschreven welke rechtsgevolgen erkenningen en adopties hebben die tot stand zijn gekomen krachtens buitenlandse rechtsstelsels.
     Voor de toepassing van de AOW, Anw en AKW hebben deze dezelfde rechtsgevolgen als een erkenning of adoptie naar Nederlands recht, voor zover de vereisten en rechtsgevolgen overeenkomen met een adoptie of erkenning naar Nederlands recht. Een kind wordt zonder verdere toetsing als eigen kind aangemerkt als de buitenlandse adoptie in overeenstemming met en met toepassing van het Haags Adoptieverdrag in een bij dit verdrag aangesloten land is geadopteerd. In deze paragraaf is nieuw dat dit eveneens geldt indien een land niet is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, maar de adoptie in dat land met toepassing van artikel 6 van de Wet conflictenrecht adoptie in Nederland van rechtswege wordt erkend.
     In paragraaf 1.3.5.1 is een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep verwerkt over de breuk in het huishouden van asielzoekers die naar Nederland komen en die hun gezin achterlaten in het land van herkomst. Op grond van deze jurisprudentie wordt een breuk in het huishouden niet geacht te zijn opgetreden als betrokkene spoedig na aankomst in Nederland de nodige - reŽle kansen biedende - stappen tot gezinshereniging heeft ondernomen. Op grond van de hiervoor bedoelde jurisprudentie hanteert de SVB een termijn van zes maanden waarbinnen die stappen moeten zijn ondernomen.
     In paragraaf 1.4.2 over de pseudo-nabestaande is nieuw dat aan de voorwaarde van artikel 4, onderdeel b, Anw eveneens geacht wordt te zijn voldaan indien sprake is van een schriftelijke alimentatieovereenkomst die tot stand is gekomen door bemiddeling van een bij het Nederlands Mediation Instituut geaccrediteerde bemiddelaar. Een dergelijke overeenkomst is tot stand gekomen in een met voldoende waarborgen omklede procedure.
     In hoofdstuk 2 is een nieuwe paragraaf, paragraaf 2.2.5, ingevoegd over de Koppelingswet. In deze paragraaf wordt aangegeven dat voor de beoordeling van het ingezetenschap een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie zoals die was vůůr de inwerkingtreding van de Koppelingswet, dat wil zeggen de periode gelegen vůůr 1 juli 1998, en de periode die gelegen is na de inwerkingtreding van deze wet.
     In hoofdstuk 3 is vermeld dat de verplichte verzekering van echtgenoten van werknemers die in Zwitserland werkzaam zijn voor het Nederlands Astmacentrum Davos is beŽindigd met ingang van 1 januari 2004. Deze echtgenoten kunnen zich derhalve met ingang van die datum vrijwillig verzekeren.
     In paragraaf 4.4, waarin het beleid is opgenomen over de bepalingen van de Wet beperking export uitkeringen, is het standpunt verwerkt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ingenomen naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 2003 over de exportverplichting van Verdrag 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie. Uit deze uitspraak is de conclusie getrokken dat de exportbeperking van de Wet BEU niet kan worden toegepast op onder meer de AOW en Anw, zolang Nederland partij is bij Verdrag 118. Om die reden is besloten om het verdrag op te zeggen en de Wet BEU tijdelijk op te schorten. Deze opschorting zal worden geregeld bij wet. In de beleidsregels is verwerkt dat de SVB vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wet al uitvoering heeft gegeven aan de opschorting van de Wet BEU. In nieuwe gevallen wordt geen exportbeperking meer toegepast en uitkering die eerder zijn afgewezen of verlaagd, zijn inmiddels met terugwerkende kracht hersteld.
     In het kader van het recht op kinderbijslag is van belang dat de SVB in afwachting van de ondertekening en ratificatie van een aantal verdragen handelt alsof in de betreffende landen recht op uitkering op grond van een verdrag bestaat.
     Dit betreft een aantal met name genoemde landen. In de beleidsregels is geactualiseerd voor welke landen deze handelwijze thans nog geldt.
     Tot slot is in paragraaf 4.4 verwerkt dat met ingang van 1 april 2004 een verblijf van langer dan drie maanden buiten Nederland niet langer met wonen buiten Nederland gelijk wordt gesteld voor de toepassing van de bepalingen van de Wet BEU. Voor het recht op kinderbijslag betekent dit het volgende. Het recht op kinderbijslag eindigt als een persoon niet langer als ingezetene kan worden aangemerkt.
     Indien een persoon zich vanuit Nederland vestigt in een ander land, zal conform het bepaalde in paragraaf 2.2.5 worden vastgesteld vanaf welk moment die persoon niet langer als ingezetene kan worden aangemerkt.
     In paragraaf 4.7.2 is de uitbreiding van de TAS-regeling tot huisgenoten verwerkt. Een huisgenoot komt in aanmerking voor een voorschot of eenmalige uitkering op grond van de TAS als ten tijde van de asbestblootstelling sprake is geweest van een duurzaam hoofdverblijf met de werknemer. In de beleidsregels is aangegeven op welke wijze de SVB vaststelt of sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf met de werknemer.
     In hoofdstuk 5 zijn, vooruitlopend op een nieuwe handelwijze, de beleidsregels over de ambtshalve toekenning van uitkeringen geschrapt.
     In paragraaf 5.3.1.2 over het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten voordele van de belanghebbende is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2003 verwerkt. Uit artikel 4:6 Awb en de jurisprudentie van de CRvB volgt dat de SVB in gevallen waarin geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, maar het toekenningsbesluit onjuist is, in beginsel bevoegd is om een verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit. Een uitzondering op die regel vormt de situatie dat van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt. In de beleidsregels is aangegeven welke beleid de SVB hanteert bij het toepassen van deze uitzonderingsregel.
     In paragraaf 5.3.2.5 over de Remigratiewet is een nieuwe alinea toegevoegd over de verkrijging van nationaliteit. De Remigratiewet stelt als eis dat een remigrant met de Nederlandse nationaliteit al hetgeen moet doen wat in redelijkheid mogelijk is om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed dan wel binnen een redelijk termijn te verkrijgen. Ten aanzien van deze eis hanteert de SVB de regel dat de remigrant in beginsel binnen zes maanden na aankomst in het bestemmingsland een aanvraag tot naturalisatie moet indienen. Doet hij dit niet, dan wordt de uitkering geschorst. Als een dergelijke aanvraag na het verstrijken van nog eens zes maanden nog niet is ingediend, wordt de uitkering beŽindigd.
     In paragraaf 6.2.1 over inhouding van de eigen bijdrage AWBZ is een nieuwe passage opgenomen waarin wordt gesteld dat de SVB uitgaat van de juistheid van het door het AWBZ-uitvoeringsorgaan afgegeven besluit over de eigen bijdrage. Om die reden wordt niet tegemoet gekomen aan verzoeken om geheel of gedeeltelijk af te zien van de inhouding van de eigen bijdrage AWBZ.

     In deel II (Internationaal) zijn de volgende wijzigingen aangebracht.
     In paragraaf 1.2.3.1 en 1.2.3.2 is naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003 nieuw beleid geformuleerd met betrekking tot de toe te passen wetgeving op post-actieven. Het beleid zoals beschreven in paragraaf 1.2.3.1 geldt voor tijdvakken gelegen vůůr 29 juli 1991. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EG en de Hoge Raad volgt dat de conflictregels van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 niet langer toegepast kunnen worden op personen waarvan de dienstbetrekking is geŽindigd en die geen feitelijke beroepswerkzaamheden meer verrichten. Bij de vraag of nog sprake is van een dienstbetrekking wordt door de SVB zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld in het kader van de Wet op de loonbelasting 1964.
     Het beleid zoals beschreven in paragraaf 1.2.3.2 geldt voor tijdvakken gelegen na 29 juli 1991. In dit onderdeel is beschreven welk beleid wordt gehanteerd om vast te stellen welke wetgeving op een post-actieve van toepassing is. Een nieuw onderdeel van dit beleid is dat artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 op verzoek van de belanghebbende met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar op hem kan worden toegepast.
     In paragraaf 1.2.8.6 is het uitgangspunt opgenomen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van detachering de feitelijke toestand beslissend is.
     Ingeval een detacheringsverklaring ontbreekt, leidt dit dus niet zonder meer tot de conclusie dat geen sprake is van detachering. In deze paragraaf is ook verwerkt dat aanvragen voor een artikel-17-overeenkomst door de werkgever via internet kunnen worden ingediend.
     In paragraaf 1.3.1.6 is het beleid beschreven dat geldt voor echtgenoten van werknemers uit de landen die per 1 mei 2004 tot de Europese Unie toetreden. In paragraaf 3.2.5 is verwerkt dat bij de toepassing van detacheringsbepalingen in bilaterale verdragen de SVB naar analogie het beleid hanteert ten aanzien van detachering binnen de EU.
     In het internationale deel van de beleidsregels is in 2004 voor het eerst een hoofdstuk opgenomen betreffende de toepassing van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De daarin vervatte beleidsregels zijn aan de jurisprudentie ontleend en betreffen het recht op gezinsleven (artikel 6 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1, Protocol 1, EVRM).

     In deel III (Awb en overige onderwerpen) zijn de volgende wijzigingen opgenomen.
     In paragraaf 1.3.1 is verwerkt dat ingeval een aanvraag om een voorschot door een werknemer of huisgenoot in de zin van de TAS wordt ingediend bij het Instituut Asbestslachtoffers, voor de SVB als aanvraagdatum geldt de datum van ontvangst door het IAS.
     In paragraaf 1.3.2 is verwerkt dat ingeval een belanghebbende zich wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, de SVB geen machtiging verlangt indien redelijkerwijze niet kan worden betwijfeld dat de gemachtigde met toestemming van de belanghebbende optreedt. Op grond van deze wijziging wordt geen machtiging meer gevraagd als rechtshulp wordt verleend door professionele en betrouwbare organisaties, zoals rechtshulpverleners en vakbonden.
     Na de inwerkingtreding van het Besluit beleidsregels SVB 2004, maar naar verwachting nog in het jaar 2004, zal in de Awb een nieuw artikel 7:1a van kracht worden. Deze bepaling voorziet in het instellen van rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter. In paragraaf 6 is opgenomen welk beleid de SVB zal hanteren als een belanghebbende ingevolge artikel 7:1a Awb de SVB verzoekt om af te zien van de bezwaarschriftprocedure teneinde het geschil onmiddellijk aan de rechter voor te leggen.
     In een nieuw toegevoegde paragraaf 10 is de gedragslijn van de SVB opgenomen voor het elektronisch bestuurlijk verkeer. De SVB hanteert als uitgangspunt dat aanvragen op een papieren formulier moeten worden ingediend. Een uitzondering geldt voor de aanvraag om kinderbijslag voor het eerste kind en voor de aanvraag voor een verklaring toepasselijke wetgeving, een zogenaamde artikel-17-overeenkomst. Deze aanvragen kunnen via internet worden gedaan.
     In een nieuw toegevoegde paragraaf 11 zijn beleidsregels opgenomen over de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de SVB en organen die zijn genoemd in de Wet SUWI, de SVB en organen die niet worden genoemd in de Wet SUWI en de SVB en privaatrechtelijke organen.
     Naast de hiervoor aangestipte onderwerpen zijn verscheidene aanpassingen verricht die voortvloeien uit jurisprudentie of gewijzigde wetgeving. Ten slotte zijn een aantal technische wijzigingen aangebracht die niet raken aan de inhoud van het beleid.

     Voor de exacte inhoud van de hiervoor weergegeven wijzigingen, alsmede de overige beleidsregels, wordt verwezen naar de bundel SVB Beleidsregels 2004 zoals deze ter inzage ligt, op het internet valt in te zien of te downloaden en in de boekhandel verkrijgbaar is.
     Naast de vaststelling van de beleidsregels regelt het onderhavige besluit de intrekking van het Besluit koranonderwijs AKW/Anw. Dit besluit diende ter bekendmaking van het feit dat de SVB sedert 1 oktober 1997 het uitgangspunt hanteert dat koranonderwijs niet zonder meer kan worden aangemerkt als onderwijs in de zin van de AKW/Anw. Tevens voorzag het besluit in een afbouwregeling voor verzekerden wier recht op kinderbijslag werd beÔnvloed door hantering van het nieuwe uitgangspunt. Vanuit dit overgangsrechtelijke perspectief bestaat thans geen noodzaak meer om het besluit handhaven. Mede gezien het feit dat de CRvB de uitvoering die door de SVB aan het besluit is gegeven niet geheel juist heeft bevonden (CRvB 9 juli 2003, RSV 2003/239), is daarom in artikel 3 voorzien in de intrekking van het Besluit koranonderwijs AKW/Anw. De intrekking van het besluit betekent niet dat koranonderwijs in het vervolg als onderwijs in de zin van de AKW kan worden aangemerkt. Het betekent slechts dat koranonderwijs alleen als onderwijs in de zin van de AKW kan worden aangemerkt als is voldaan aan de algemene criteria die gelden ter zake van dat begrip. Deze criteria zijn weergegeven in deel 1, paragraaf 1.3.6, van deze bundel.
     Met de inwerkingtreding van dit besluit wordt het Besluit beleidsregels SVB 2003 ingetrokken.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x