Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 17 mei 2006

 

BESLUIT  BELEIDSREGELS  SVB  2005

Vervallen
m.i.v. 18 mei 2006
(art. 2 BbS06)

 
 

27 mei 2005, Stcrt. 2005, 109
Inwerkingtreding: 11 juni 2005
(T.a.v. artt. 34:1 Wet SUWI, 8a Remigratiewet, 13 TOG 2000 en 13 Rta
en Boetebesluit sz-wetten)

 

 

 

 
     De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank;
     Gelet op artikel 34, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 8a van de Remigratiewet, artikel 13 van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 en artikel 13 van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, alsmede gelet op het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462);

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Bij de uitvoering van de in artikel 34 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen genoemde wetten, de Remigratiewet, de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de als bijlage bij dit besluit gevoegde publicatie SVB Beleidsregels 2005.

 

Art. 2.
Het Besluit beleidsregels SVB 2004, zoals vastgesteld door het bestuur van de Sociale verzekeringsbank bij Besluit van 23 april 2004 (Stcrt. 2004, 81), wordt ingetrokken.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregels SVB 2005.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

 

Amstelveen, 27 mei 2005.
De voorzitter Raad van bestuur SVB
,
E.F. Stoové.

 

 

 

TOELICHTING
[27 mei 2005]

 

     De Sociale verzekeringsbank (SVB) publiceert sinds 1997 jaarlijks het beleid dat zij hanteert bij de uitvoering van de aan haar opgedragen wetten en regelingen. Publicatie vindt plaats door bekendmaking van een besluit als het voorgaande, inhoudende dat door het bestuur van de SVB opnieuw de SVB-beleidsregels voor het desbetreffende jaar zijn vastgesteld. De bijlage waarnaar in het besluit wordt verwezen, betreft de in boekvorm gebundelde verzameling SVB-beleidsregels die voor een ieder ter inzage ligt bij de vestigingskantoren van de SVB en eveneens verkrijgbaar is bij de meer academisch georiënteerde boekhandels. De inhoud van de publicatie kan tevens worden ingezien via het internet op www.svb.nl [www.svb.nl/Images/svbbeleidsregels2005titel_tcm47-57420.pdf, red.].
     Ook voor het jaar 2005 is weer een geactualiseerde bundel SVB-beleidsregels vastgesteld. Hierin zijn ten opzichte van de vorige bundel, in deel I (AOW, Anw, [AKW, red.] Remigratiewet, TOG 2000 en TAS), de volgende onderwerpen gewijzigd.
     In paragraaf 1.2.1 is de interpretatie van artikel 3, tweede lid, Anw, ter zake van duurzaam gescheiden levende echtgenoten van wie er één een gezamenlijke huishouding voert met een ander, opnieuw geformuleerd. De beleidsregel blijft inhoudelijk ongewijzigd.
     In paragraaf 1.3.1 betreffende het begrip eigen kind heeft de SVB nieuw beleid opgenomen naar aanleiding van een recente uitspraak van de CRvB [Centrale Raad van Beroep, red.] (van 15 april 2005). Krachtens dit beleid kan, in tegenstelling tot voorheen, mede als eigen kind worden aangemerkt het kind van de man die niet de juridische vader is van het kind, maar wel de verwekker, mits dit kind niet reeds op grond van artikel 1:199 BW als eigen kind van een andere man is aangemerkt. Nieuw is tevens dat, in situaties waarin buitenlands recht van toepassing is, de vraag of sprake is van een eigen kind strikt wordt beantwoord aan de hand van Nederlands internationaal privaatrecht. Vanaf 15 april 2005 worden alle besluiten waarin voor het eerst wordt beslist over de vraag of een kind als eigen kind moet worden aangemerkt, genomen met inachtneming van dit nieuwe beleid. Tot 15 april 2005 hanteerde de SVB als beleid dat buitenlandse erkenningen en adopties alleen in aanmerking werden genomen bij de vaststelling van een uitkering indien de vereisten voor en de rechtsgevolgen van de buitenlandse rechtsfiguren overeenkwamen met die van hun Nederlandse equivalent. Bij besluiten genomen op basis van het oude beleid geldt dat, behoudens gevallen waarin een bezwaarschriftprocedure of een (hoger)beroepsprocedure aanhangig is, de belanghebbende een verzoek moet indienen om toekenning of herziening van de uitkering. Indien met toepassing van het nieuwe beleid aan de voorwaarden voor recht op kinderbijslag wordt voldaan, zal alsnog een uitkering worden toegekend c.q. zal de lopende uitkering worden herzien met ingang van 15 april 2005, mits het verzoek om toekenning dan wel herziening wordt ingediend binnen één jaar na de datum waarop de CRvB zijn uitspraak heeft gedaan.
     In de nieuw toegevoegde paragraaf 1.3.4 is de interpretatie door de SVB van het begrip "kind" in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, AOW opgenomen. Voor de betekenis van dit begrip sluit de SVB aan bij het begrip kind in de AKW. Dit betekent dat de ongehuwde pensioengerechtigde die een eigen kind, een aangehuwd kind of een pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar en die overigens aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel c, AOW voldoet, recht heeft op eenouderpensioen.
     In paragraaf 1.3.6 is de uitspraak van de CRvB van 19 september 2003 verwerkt. In deze uitspraak is het beleid van de SVB met betrekking tot het zelfstandig wonen van kinderen onder de 16 jaar als te stringent beoordeeld. Naar aanleiding hiervan hanteert de SVB voortaan het uitgangspunt dat ook kinderen jonger dan 16 jaar zelfstandig uitwonend kunnen zijn.
     In paragraaf 1.3.7 is naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2004 nieuw beleid geformuleerd met betrekking tot het stellen van het klokurenvereiste aan kinderen onder de 16 jaar. Voor kinderen jonger dan 16 jaar kan recht op tweevoudige kinderbijslag bestaan indien zij in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding uitwonend zijn. Voor de vraag of sprake is van het volgen van onderwijs voor deze categorie kinderen is het wettelijke klokurenvereiste niet van toepassing. Uit de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2004 volgt dat recht op tweevoudige kinderbijslag bestaat als het kind regulier dagonderwijs volgt dat substantieel van omvang is en in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften omtrent de leerplicht en de inrichting van het regulier onderwijs in het woonland. Als wettelijke leerplichtvoorschriften ontbreken, geldt als voorwaarde dat het onderwijs voldoet aan de normen van het land voor regulier dagonderwijs. De SVB gaat ervan uit dat het onderwijs van voldoende omvang is in de zin van deze criteria als het kind voldoet aan het klokurenvereiste. In de praktijk wordt het klokurenvereiste dus wel gehanteerd. Hierbij zij aangetekend dat als het onderwijs niet aan dit vereiste voldoet, niettemin recht op tweevoudige kinderbijslag kan bestaan als nader onderzoek heeft uitgewezen dat wordt voldaan aan de criteria zoals geformuleerd door de CRvB in zijn uitspraak van 13 augustus 2004.
     In de nieuw toegevoegde paragraaf 1.3.9 is het beleid opgenomen ten aanzien van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw en de AKW. Indien een persoon recht heeft op een uitkering op grond van de WAO, de WAZ of de Wajong, wordt door de SVB uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid waarop deze uitkering is gebaseerd. Hiervan wordt slechts afgeweken indien er concrete aanwijzingen of vermoedens bestaan dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet of niet langer juist is. In dat geval laat de SVB een eigen keuring verrichten. De SVB verricht tevens een eigen keuring indien de persoon die arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, de WAZ of de Wajong daarom vraagt.
     In paragraaf 3.2 is het verruimde beleid van de SVB opgenomen ter zake van het stuiten van de aanvraagtermijn voor vrijwillige verzekering. De SVB hanteert het beleid dat een schriftelijk of elektronisch verzoek om informatie over vrijwillige verzekering de aanvraagtermijn van twaalf maanden stuit. Om de aanvraag daadwerkelijk te effectueren, dient de belanghebbende binnen twaalf weken na het moment van stuiting zijn aanvraagformulier voor vrijwillige verzekering bij de SVB ingediend te hebben. Dit beleid vindt evenzeer toepassing als een verzoek om informatie dat bij een ander bestuursorgaan dan de SVB is ingediend naar de SVB is doorgezonden.
     In paragraaf 4.1.1 over de inkomenstoets is de tekst volledig herzien. Beleidsinhoudelijke wijzigingen zijn er niet.
     In paragraaf 4.3.1.1 is nieuw beleid opgenomen met betrekking tot de onderhoudseis. De SVB past een forfaitaire onderhoudsbijdrage toe als de verzekerde bij zijn kind verblijft of als het kind bij de verzekerde verblijft, terwijl het kind niet tot het huishouden van verzekerde behoort. Het forfaitaire bedrag treedt in beginsel in de plaats van de reiskosten en de werkelijke uitgaven ten tijde van het verblijf. De SVB zal de werkelijke uitgaven (in plaats van het forfaitaire bedrag) in aanmerking nemen als de verzekerde aantoont dat de werkelijke uitgaven hoger zijn dan het forfaitaire bedrag.
     In paragraaf 4.4 is een aantal wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de Wet van 9 december 2004, Stb. 2004, 715. In deze wet is de opzegging van Verdrag 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie goedgekeurd en is tevens de opschorting van de Wet BEU geregeld tot het moment waarop Nederland niet langer aan het verdrag gebonden is. Dit moment is bepaald op 1 januari 2006. Vanaf die datum zijn de bepalingen van de Wet BEU weer onverkort van toepassing.
     Voor een aantal landen geldt dat de bepalingen van de Wet BEU niet worden toegepast, ondanks het feit dat met die landen nog geen verdrag is gesloten dat de export van uitkeringen naar die landen mogelijk maakt. In afwachting van de ondertekening en ratificatie van de betreffende verdragen handelt de SVB alsof in de betrokken landen recht op uitkering op grond van een verdrag bestaat. In de beleidsregels is geactualiseerd voor welke landen deze handelwijze thans nog geldt.
     In paragraaf 5.1.1 over het geldend maken van het recht op uitkering is het beleid van de SVB opgenomen ter zake van het aanvragen van kinderbijslag. De SVB bevordert aanvragen om kinderbijslag voor in Nederland wonende personen die nog geen kinderbijslag ontvangen als zij na de geboorte van een kind binnen dertig dagen aangifte doen bij de burgerlijke stand. Als reeds recht op kinderbijslag bestaat, wordt bij de geboorte van volgende kinderen geen aanvraag bevorderd. De toekenning van kinderbijslag vindt dan automatisch plaats op basis van gegevensuitwisseling tussen de GBA [gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, red.] en de SVB. Ook in deze situatie moet aangifte bij de burgerlijke stand binnen dertig dagen na de geboorte plaatsvinden.
     Eventuele fouten in de gegevensuitwisseling tussen de GBA en de SVB die tot gevolg hebben dat de kinderbijslag niet of niet tijdig wordt toegekend, komen voor risico en rekening van de SVB. De kinderbijslag wordt in dergelijke gevallen ambtshalve of op verzoek toegekend met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar.
     In de nieuw toegevoegde paragraaf 5.1.3 zijn de beleidsregels over ambtshalve toekenning van uitkeringen opgenomen. Van de bevoegdheid tot het ambtshalve toekennen van uitkeringen wordt door de SVB alleen bij in het buitenland wonenden gebruik gemaakt, in alle gevallen waarin zij reeds een uitkeringsrelatie heeft met de betrokkene of diens partner.
     In paragraaf 6.7.2 zijn de beleidsregels ter zake van kinderbijslagbetaling bij co-ouderschap herschreven. Voor de interpretatie van het begrip "overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden" in de zin van artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag valt de SVB terug op de regels die zijn ontwikkeld in het kader van het huishoudbegrip, wat betekent dat het kind afwisselend in gelijke mate de nachtrust moet doorbrengen bij beide ouders. Verder heeft de SVB in deze paragraaf nieuw beleid opgenomen voor situaties waarin er tussen de gescheiden levende ouders afspraken gelden die niet uitgaan van een strikte verdeling van de verzorging en het onderhoud van de kinderen op een wijze zoals hiervoor beschreven. Indien in een dergelijke situatie in de overeenkomst niettemin een expliciete afspraak is gemaakt over de verdeling van de kinderbijslag, dan zal deze door de SVB worden gehonoreerd. De SVB gaat uit van de in de overeenkomst opgenomen regeling betreffende de verdeling van de verzorging en het onderhoud. Alleen indien blijkt dat niet-naleving van deze regeling een bestendig karakter heeft (in zijn algemeenheid langer dan zes maanden), dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor de uitbetaling. Als het niet goed mogelijk is om de feitelijke situatie vast te stellen, gaat de SVB alsnog uit van de in de overeenkomst opgenomen regeling.
     In paragraaf 7.7 staat het beleid ten aanzien van buitenlandse brondocumenten. Naar aanleiding van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de intrekking van de mededeling "Aanwijzing probleemlanden" en daaraan gerelateerde besluiten door de Minister van Buitenlandse Zaken, is de inhoud van deze paragraaf aangepast.
     In paragraaf 7.8 over de DNA-test zijn wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 15 april 2005. Voorheen bestond de mogelijkheid van de DNA-test alleen in het kader van het vaststellen van het moederschap. Sedert de uitspraak van de CRvB van 15 april 2005 is de betreffende beleidsregel geslachtsneutraal geformuleerd.
     In paragraaf 8.5 en paragraaf 8.7 is het beleid opgenomen ter zake van de toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Als een schuldsaneringsregeling is uitgesproken op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, stelt de rechter-commissaris een bedrag vast dat ter vrije beschikking blijft van de schuldenaar. In die gevallen stelt de SVB niet zelf de beslagvrije voet vast, maar hanteert zij het door de rechter-commissaris vastgestelde bedrag als beslagvrije voet.
     In deel II (Internationaal) zijn de volgende wijzigingen aangebracht.
     In paragraaf 1.1.4 is toegevoegd het beleid van de SVB bij (beleids)wijzigingen die voortvloeien uit jurisprudentie op het gebied van het internationale coördinatierecht. Op grond van artikel 94, derde lid, Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt rekening gehouden met verzekerde gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening of vóór de datum waarop de verordening van toepassing is geworden op een lidstaat. De SVB past deze regel naar analogie toe bij beleidswijzigingen en wijzigingen die voortvloeien uit jurisprudentie op het gebied van het internationale coördinatierecht. In gevallen waarin de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan vóór de datum waarop de beleidswijziging is ingegaan of de rechterlijke uitspraak is gedaan, wordt voor het recht op uitkering rekening gehouden met die gebeurtenis. Het recht op uitkering dat aan een beleidswijziging of aan een rechterlijke uitspraak kan worden ontleend, gaat op zijn vroegst in op de datum waarop het beleid is vastgesteld of de uitspraak is gedaan. Aan een rechterlijke uitspraak kan met ingang van een eerdere datum recht worden ontleend als de ingangsdatum van de toekennings- of herzieningsbeschikking ligt vóór de datum van de uitspraak en de beschikking nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. In die gevallen werkt de uitspraak terug tot de ingangsdatum van de beschikking.
     In paragraaf 1.2.8 is het beleid beschreven ter zake van de toepassing van artikel 17 Verordening (EEG) nr. 1408/71 ten aanzien van werknemers die zijn tewerkgesteld in een land dat toetreedt tot de EU. Indien voorafgaand aan de toetreding van een land tot de EU geen mogelijkheid tot detachering op grond van een tussen Nederland en het betreffende land gesloten verdrag bestaat en de werknemer ook niet op andere grond aan de Nederlandse verplichte verzekering onderworpen is gebleven, staat het ontbreken van voorafgaande verplichte verzekering in Nederland in de weg aan een detachering op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, Verordening (EEG) nr. 1408/71. In die situatie kunnen betrokkenen de SVB verzoeken met het betreffende land een artikel 17-overeenkomst te sluiten, met als gevolg dat zij toch aan de Nederlandse wetgeving onderworpen zijn. De artikel 17-overeenkomst kan door de SVB worden afgegeven met een terugwerkende kracht tot de datum van toetreding van het betreffende land.
     In paragraaf 3.1.1 is het akkoord tussen de provincie Québec en Nederland ter aanvulling op het verdrag met Canada verwerkt. Tevens is in deze paragraaf de tekst opgenomen die voorheen was te vinden in paragraaf 1.1.5 van deel II.
     In paragraaf 3.3.4.1 is opgenomen dat bepalingen betreffende tijdvakken vóór 1957 en huwelijkse tijdvakken door de SVB ook worden toegepast op personen die gescheiden zijn. Tevens is in deze paragraaf opgenomen de door de SVB aangenomen reflexwerking van de beleidsregel in deel II, paragraaf 1.3.1.5, over het samenvallen van tijdvakken die op grond van bijlage VI in aanmerking kunnen worden genomen, met tijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering vervuld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat. Ten slotte zijn de relevante verdragswijzigingen in het verdrag met Marokko in deze paragraaf opgenomen.
     In paragraaf 3.3.4.2 en in paragraaf 3.3.4.3 is achtereenvolgens het beleid van de SVB inzake vrijwillige verzekering bij polygamie en het beleid van de SVB met betrekking tot het honoreren van huwelijkse tijdvakken bij polygamie opgenomen. De in de vorige bundel opgenomen paragraaf 3.3.4.4 over de pensioenberekening volgens artikel 24 van het Administratief Akkoord met Marokko is in verband met het vervallen van de betreffende bepaling geschrapt.
     In paragraaf 3.3.4.5 over artikel 15, vierde lid, van het verdrag met Nieuw-Zeeland is het beleid van de SVB opgenomen dat tijdvakken van vrijwillige verzekering niet in de aftoppingsberekening worden betrokken.
     In deel III (Awb) zijn de volgende wijzigingen opgenomen.
     In paragraaf 1.2 is de tekst over het besluitbegrip herschreven. Verder is aan deze paragraaf toegevoegd de handelwijze van de SVB bij bezwaarschriften gericht tegen beschikkingen met fiscaalrechtelijke aspecten.
     In hoofdstuk 2 over vertegenwoordiging en machtiging is toegevoegd dat het overleggen van een machtiging dient te gebeuren binnen vier weken vanaf het moment waarop de SVB hierom heeft verzocht. Indien binnen de termijn van vier weken geen machtiging wordt overgelegd, is sprake van verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb en past de SVB het beleid toe dat is beschreven in deel III, paragraaf 6.1.
     In hoofdstuk 3 over aanvragen in de zin van de Awb staat de tekst die voorheen in paragraaf 1.3 stond. De volgende hoofdstukken zijn als gevolg hiervan vernummerd.
     In de tekst van hoofdstuk 7 over rechtstreeks beroep is de beleidsregel toegevoegd dat de SVB op een verzoek om de bezwaarschriftprocedure over te slaan, beslist binnen twee weken.
     In paragraaf 10.3 is het beleid opgenomen ten aanzien van de toepassing van artikel 9:6 Awb. De SVB hanteert het beleid dat zij uiterlijk één week na ontvangst van een klacht een ontvangstbevestiging verzendt. Is de klacht binnen deze termijn reeds (telefonisch) afgehandeld, dan wordt het verzenden van een ontvangstbevestiging achterwege gelaten. De SVB stuurt dan een gespreksbevestiging naar aanleiding van de informele afhandeling van de klacht. Dit beleid is geformuleerd naar aanleiding van opmerkingen van de Nationale ombudsman.
     In paragraaf 10.5 over het horen in het kader van de klachtprocedure is opgenomen dat de SVB in het schriftelijk oordeel over de klacht in voorkomende gevallen motiveert waarom van het horen is afgezien.
     Hoofdstuk 11 bevat de gedragslijn van de SVB ten aanzien van de recentelijk in werking getreden artikelen 2:14, 2:15 en 2:16 Awb. De SVB spant zich in om belanghebbenden zoveel mogelijk in staat te stellen elektronisch met de SVB te communiceren. In een aantal gevallen kan reeds via het internet een aanvraag om uitkering worden ingediend en kunnen wijzigingen worden doorgegeven. Waar deze mogelijkheid bestaat, is dat op de website van de SVB (www.svb.nl) aangegeven. Als bij behandeling van een via het internet ingediende aanvraag blijkt dat nader onderzoek nodig is, dan verzoekt de SVB de aanvrager zo nodig alsnog een papieren aanvraagformulier in te vullen.
     Als de SVB elektronisch een aanvraag ontvangt waarvoor de elektronische weg nog niet openstaat, licht zij de indiener van het bericht hierover binnen vijf dagen in, onder verwijzing naar de schriftelijke procedure. De SVB merkt in deze gevallen de datum van binnenkomst van het elektronisch bericht aan als datum van indiening van de aanvraag, mits het papieren aanvraagformulier binnen een termijn van twee weken na ontvangst van het elektronisch bericht wordt ontvangen. Dit beleid ten aanzien van aanvragen geldt eveneens voor alle mededelingen die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van een uitkering.
     De elektronische diensten van de SVB zijn, zolang een elektronische handtekening die aan alle wettelijke eisen voldoet nog niet voorhanden is, slechts toegankelijk voor burgers die in het bezit zijn van DigiD. DigiD is een gemeenschappelijk systeem voor overheidsinstellingen waarmee een belanghebbende zich kan identificeren. DigiD kan worden aangevraagd via de website van de SVB of direct op de website van DigiD (www.digid.nl).
     In een nieuw toegevoegd deel IV (Overige onderwerpen) is de tekst opgenomen die voorheen was te vinden in deel III, hoofdstuk 11, betreffende de uitwisseling van persoonsgegevens.
     Ten slotte zijn enkele wijzigingen van technische aard aangebracht in de diverse bijlagen in de bundel. Wijzigingen zijn aangebracht in de Mededelingsverplichting AOW (bijlage I), de Mededelingsverplichting Anw (bijlage IV) en de Mededelingsverplichting AKW (bijlage VII).
     Voor de exacte inhoud van de hiervoor weergegeven wijzigingen alsmede de overige beleidsregels wordt verwezen naar de bundel SVB Beleidsregels 2005 zoals deze op de vestigingskantoren ter inzage ligt, op het internet valt in te zien of te downloaden en in de boekhandel verkrijgbaar is.
     Met de inwerkingtreding van dit besluit wordt het Besluit beleidsregels SVB 2004 ingetrokken.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet SUWI | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x