|
BESLUIT van 21 september 2010, houdende regels
voor bevorderen eigen verantwoordelijkheid sociale partners voor
toeleiding van werk naar werk (Tijdelijk besluit van werk naar werk)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Op de voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2010, nr.
R&P/RA/2010/14081;
Gelet op artikel 82a
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
De Raad van State
gehoord (advies van 5 augustus 2010, nr. W12.10.0285/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr.
R&P/RA/2010/15925;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
Art. 1.
Algemene begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
b. met ontslag bedreigde werknemer: een werknemer als bedoeld in
artikel 30a, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet SUWI;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. werkgever: de werkgever in de zin van
artikel 9 en 10 van de
WW, niet zijnde een overheidswerkgever, bedoeld in
artikel 1, onderdeel i, van de WW;
e. projecten: voorstellen van werkgevers, organisaties van
werkgevers dan wel organisaties die werkgevers in een sector of regio
vertegenwoordigen om met ontslag bedreigde werknemers van werk naar werk
te begeleiden, waarbij verenigingen van werknemers of een
vertegenwoordiging van werknemers zijn betrokken;
f. zelfstandig ondernemerschap: het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening
van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
Art. 2.
Doel inzet middelen voor projecten
-1. Voor de uitvoering van projecten kan Onze
Minister middelen ter beschikking stellen aan werkgevers, organisaties
van werkgevers dan wel organisaties die werkgevers in een sector of
regio vertegenwoordigen, die rechtspersoon zijn, met het oog op
onderzoek naar de mogelijkheden van uitvoering van de re-integratietaak
en de inzet van re-integratie-instrumenten door werkgevers en sectoren
bij wijze van experiment als bedoeld in artikel
82a van de Wet SUWI.
-2. De middelen zijn bestemd voor projecten van
toeleiding naar werk bij een andere werkgever dan wel naar zelfstandig
ondernemerschap van met ontslag bedreigde werknemers en werknemers die
een uitkering op grond van de WW ontvangen voortvloeiend uit de
beëindiging van de dienstbetrekking met bij de projecten betrokken
werkgevers voor trajecten ten behoeve van deze werknemers.
Art. 3.
Toepasselijke bepalingen
-1. De middelen worden door de ontvangers besteed
voor arbeidsbemiddeling en re-integratiemaatregelen met toepassing van
de Wet SUWI, de WW en de
Wet werk en bijstand.
-2. Bij de besteding van de middelen kan afgeweken
worden van artikel 30a, vierde tot en met achtste lid, van de
Wet SUWI en
de artikelen 76, derde lid, 76a, derde lid,
onderdeel a en d, en 78a
van de WW en artikel 8 van de
Wet werk en bijstand.
-3. Voor de financiering wordt afgeweken van
artikel 100 van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Art. 4.
Duur projecten
-1. De looptijd van de projecten bedraagt maximaal
één jaar vanaf het moment van toekenning van de middelen.
-2. De middelen worden besteed voor
arbeidsbemiddeling van en re-integratiemaatregelen als bedoeld in
artikel 3 voor de werknemers die tijdens de duur van de projecten met
ontslag bedreigd worden.
-3. Re-integratietrajecten voor werknemers die op
de datum van afloop van de projecten nog niet zijn afgerond, worden
voortgezet.
Art. 5.
Aanvraag en toekenning middelen voor
projecten
-1. Onze
Minister maakt bekend vóór welke datum
verzoeken om middelen voor de projecten kunnen worden ingediend.¹
-2. Voorwaarde voor ontvangst van de middelen is
dat de uitvoering van de projecten voor 50% wordt bekostigd met eigen
middelen, die niet afkomstig zijn van het Rijk, provincies of
gemeenten
en niet zijn aan te merken als loon voor de arbeid in dienstbetrekking,
met dien verstande dat het loon voor de arbeid van de werknemers die de
projecten begeleiden wel kan worden aangewend als eigen middelen ter
bekostiging van de uitvoering van de projecten.
-3. Bij het verzoek wordt een projectplan
overgelegd, dat in ieder geval bevat:
a. een inschatting van het aantal werknemers dat
zal deelnemen;
b. de opzet van de projecten;
c. de aard en omvang van de eigen middelen,
bedoeld in het tweede lid, die voor de projecten beschikbaar zijn;
d. een begroting van de benodigde middelen
gerelateerd aan het aantal deelnemende werknemers.
-4. Onze Minister beslist aan welke projecten
middelen worden toegekend en maakt daarbij bekend welk bedrag
beschikbaar is.
1. Ingevolge de Bekendmaking van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 oktober 2010, Stcrt.
2010, 15938, kunnen verzoeken om middelen voor de projecten tot 1
november 2010 worden ingediend, red.
Art. 6.
Aanvullende middelen
Onze
Minister kan bepalen dat en op welk tijdstip
nieuwe middelen beschikbaar zijn voor nieuwe projecten of voor
voortzetting van projecten gedurende de werkingsduur van dit besluit,
bedoeld in artikel 82a, derde lid, van de
Wet SUWI.
Art. 7.
Onderzoek en inlichtingenverplichtingen
-1. De bij de projecten betrokken organisaties,
werkgevers en werknemers verlenen hun medewerking aan het onderzoek dat Onze
Minister instelt naar het verloop van de projecten en de
doelmatigheid en doeltreffendheid daarvan.
-2. De bij de projecten betrokken organisaties,
werkgevers en werknemers verstrekken Onze Minister alle gegevens die
noodzakelijk zijn voor de verslaglegging over het verloop van de projecten
met het oog op het onderzoek, bedoeld in artikel 2 en het eerste lid, en
de resultaten van de projecten in de praktijk.
Art. 8.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.¹
1. Ingevolge artikel
82a, derde lid, van de Wet SUWI
vervalt dit besluit met ingang van 1 oktober 2015, tenzij vóór die
datum een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het
experiment om te zetten in een wettelijke regeling, red.
Art. 9.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk
besluit van werk naar werk.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 september 2010
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertigste september 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[21 september 2010]
Algemeen
Werkgevers en werknemers
kunnen een belangrijke rol spelen in het voorkomen van werkloosheid en
het toeleiden naar een andere baan van met werkloosheid bedreigde
werknemers. Op dit moment is een beweging gaande in regio’s en
sectoren, waar samenwerkende partijen proberen ontslagen of met
werkloosheid bedreigde werknemers van werk naar werk te helpen. Hiertoe
ontwikkelen samenwerkende partijen diverse initiatieven waarvoor
financiële ondersteuning uit publieke middelen wordt gevraagd. Het
bevorderen van de arbeidsmobiliteit en het daartoe organiseren van het
netwerk van werkgevers in de regio of sector is een belangrijke
beweging, zeker in de huidige arbeidsmarkt, die ondersteuning verdient.
Werkgevers hebben toegevoegde waarde bij het aan het van werk naar werk
helpen van hun werknemers in het netwerk van bedrijven in de regio en de
sector. Dit geldt met name voor die werknemers die niet snel zelf ander
werk vinden en daardoor het risico lopen langdurig werkloos te worden.
Juist in de huidige arbeidsmarkt is de (intersectorale) mobiliteit van
met ontslag bedreigden en werklozen naar nog openstaande vacatures van
groot belang.
Het kabinet wil binnen de huidige wettelijke
kaders actief initiatieven ondersteunen die, complementair aan het
huidige re-integratiebeleid, meerwaarde kunnen opleveren voor van-werk-naar-werktransities op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal daarom
tijdelijk financiële ondersteuning geven aan projecten van
samenwerkende werkgevers in regio’s en sectoren. Doel van deze
ondersteuning van projecten is te onderzoeken of (samenwerkende)
werkgevers een meer directe rol kunnen spelen bij herplaatsing of
re-integratie bij een andere werkgever dan wel bij de toeleiding naar
zelfstandig ondernemerschap van met ontslag bedreigde of tijdens de duur
van het project werkloos geworden werknemers, en of zij daarbij
aansprekende resultaten laten zien.
Bij de totstandkoming van de
Wet SUWI is de
betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de re-integratie van werklozen
al een uitgangspunt geweest. Naast de publieke re-integratietaak van het
UWV werd ruimte gegeven voor bipartiet opdrachtgeverschap op
CAO-niveau of
sectoraal niveau. Met dit besluit wordt een nadere invulling gegeven aan
een meer directe betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de
re-integratie. Om de belangstelling voor de projecten te polsen, is een
concept van dit besluit besproken in het overleg met de Stichting van de
Arbeid. In het overleg is positief gereageerd op het conceptbesluit.
Samenwerkende of grote werkgevers in een
regio/sector kunnen op basis van dit besluit een aanvraag met
projectplan indienen waarbij zij, in plaats van het UWV, de toeleiding naar
werk bij een andere werkgever dan wel de toeleiding naar zelfstandig
ondernemerschap ter hand nemen voor de met ontslag bedreigde of recent
werkloos geworden werknemers. Bij de totstandkoming van deze
projectplannen moeten werknemersorganisaties of een vertegenwoordiging
van werknemers zijn betrokken. Ter ondersteuning van de uitvoering van
deze projecten kan de minister financiële middelen ter beschikking
stellen aan de daartoe geselecteerde projecten.
Voorwaarde voor toekenning van publieke middelen
is dat (samenwerkende) partijen voor minimaal 50% van de totale
projectkosten aan eigen middelen inzetten als co-financiering. Hierbij
kan gedacht worden aan het inzetten van (een deel van) de middelen die
de werkgever anders zou reserveren in het kader van een sociaal plan
(bijvoorbeeld voor ontslagvergoedingen). Hiermee worden deze middelen in
een dergelijk project ingezet voor activering van werknemers en daarmee
het verhogen van de arbeidsparticipatie.
Innovatiebepaling Wet SUWI
Een afwijking van de wettelijke taken op gebied
van re-integratie kan worden vormgegeven op grond van de
innovatiebepaling in de Wet SUWI (artikel
82a). Op grond van deze
innovatiebepaling kan bij algemene maatregel van bestuur
experimenteerruimte worden geboden met het oog op het onderzoeken van
een doeltreffender uitvoering van de WW en de Wet werk en bijstand
(Wwb). Hierbij kan onder meer worden afgeweken van bepalingen over de
re-integratieverantwoordelijkheid, alsmede van de inhoud van de
re-integratie-instrumenten en de financiering daarvan.
In het kader van dit besluit gaat het om het
tijdelijk toestaan van een andere aanpak van de
re-integratieverantwoordelijkheid. Hierbij wordt onderzocht of de
uitvoering van de re-integratietaak en de inzet van
re-integratie-instrumenten door werkgevers en sectoren met inzet van
middelen zowel afkomstig van het Rijk als van werkgevers en sectoren een
effectieve wijze is van toeleiding naar werk bij een andere werkgever
dan wel de toeleiding naar zelfstandig ondernemerschap van met ontslag
bedreigde en tijdens de duur van het project werkloos geworden
werknemers.
Dit betekent dat het indienen van een projectplan
niet automatisch leidt tot toekenning van middelen. Slechts de aanvragen
die naar de mening van SZW het beste resultaat kunnen leveren voor het
onderzoek naar deze andere wijze van uitvoeren van de SUWI-wetten,
kunnen voor financiële ondersteuning in aanmerking komen.
Inhoud van de projectplannen
(Samenwerkende) werkgevers beslissen zelf hoe en
voor welke met ontslag bedreigde of tijdens de duur van het project
werkloos geworden werknemers de beschikbare gelden worden ingezet,
zolang deze maar worden besteed aan bemiddeling of re-integratie naar
ander werk.
Met ontslag bedreigde werknemers zijn werknemers
die kunnen aantonen dat hun dienstbetrekking binnen vier maanden zal
eindigen (blijkend uit een ontslagaanzegging of reorganisatie). De
arbeidstoeleiding en re-integratie voor deze werknemers valt onder de
regie van de aanvragers vanaf het moment dat duidelijk is dat de
dienstbetrekking binnen vier maanden eindigt. Als deze werknemers gedurende
het project instromen in de WW, blijven arbeidstoeleiding en
re-integratie van deze werknemers onder de regie van de aanvragers
vallen. Hiermee wordt voorkomen dat door werkgevers ingezette
activiteiten gericht op arbeidstoeleiding en re-integratie direct moeten
worden afgebroken en overgedragen aan het UWV
zodra werkloosheid optreedt.
Werknemers die al werkloos zijn bij aanvang van
het project en waarvan de arbeidsbemiddeling en re-integratie door het UWV
wordt uitgevoerd, vallen niet onder dit project.
Met ontslag bedreigde werknemers nemen op basis
van vrijwilligheid deel aan het project. Deze vrijwillige deelname kan
eraan bijdragen dat aan het project hoofdzakelijk met ontslag bedreigde
werknemers zullen deelnemen die verwachten de in het project vormgegeven
arbeidstoeleiding en re-integratie nodig te hebben om ander werk te
vinden. Werknemers die de voorkeur geven aan bemiddeling en
re-integratiedienstverlening via het UWV kunnen daar echter voor kiezen.
Werknemers die al deelnemen aan het project kunnen gedurende de looptijd
van het project niet alsnog kiezen voor de bemiddeling en
re-integratiedienstverlening via het UWV.
Aanvragers moeten een aanvraag met
plan van aanpak
indienen. Hierin moet worden omschreven voor hoeveel personen welke
inzet gepleegd gaat worden en welke resultaten daarbij worden
nagestreefd. Daarbij zullen ten behoeve van de monitoring en de
evaluatie ook meer kwalitatieve aspecten als bijvoorbeeld de
organisatorische opzet en de procesgang inzichtelijk moeten worden
gemaakt.
Selectie van projecten
die financieel ondersteund worden
De minister
besluit welke
projecten in aanmerking komen voor financiering. De projecten moeten in
ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
• Voorziet het projectplan in activiteiten die gericht zijn op
re-integratie en bemiddeling naar werk bij een andere werkgever en/of
andere sector dan wel gericht op de toeleiding naar zelfstandig
ondernemerschap?
• Is er sprake van minimaal 50% van de totale projectkosten als inzet
van private middelen ter cofinanciering?
• Zijn de belanghebbende verenigingen van werknemers of een
vertegenwoordiging van werknemers betrokken bij de opzet van het
project?
• De verhouding tussen de totale kosten van het project en het aantal
werknemers dat deelneemt. Als indicatie daarvoor wordt uitgegaan van het
volgende:
- Om voldoende omvang van projecten te borgen zodat de effecten van het
project kunnen worden gemonitord, wordt vereist dat minimaal 50 met
ontslag bedreigde werknemers deelnemen aan het project.
- Om minimaal vier verschillende projecten te kunnen vergelijken, is per
project maximaal €|500 000,- beschikbaar;
- Een redelijke verhouding tussen de verwachte kosten van het experiment
en en [lees: en het, red.] aantal deelnemende werknemers. Per deelnemende met ontslag
bedreigde werknemer wordt maximaal een bedrag van €|2500,- aan publieke
middelen beschikbaar gesteld.
Tevens spelen bij de
selectie van de projecten de volgende criteria een rol:
• De conjunctuurbestendigheid van de voorgestelde aanpak: het is van
belang dat het uit te voeren project zowel in tijden van economische
neergang effect kan hebben als in tijden van economische opgang
(vacaturevervulling).
• Diversiteit van projecten (naar regio, sector en bedrijfsgrootte).
• Innovativiteit en creativiteit in aanpak en werkwijze.
• Past de aanvraag binnen de kaders van de WW (zie hieronder bij
afbakening ten opzichte van WW)?
Afbakening ten opzichte
van WW
Het gaat bij het project om
een andere uitvoering van de Wet SUWI en de re-integratieinstrumenten
uit de WW. In het kader van dit experiment kan niet worden
afgeweken van de regels die gelden met betrekking tot wijze waarop een
dienstbetrekking beëindigd kan worden en de daarbij geldende
opzegtermijnen (ontslagrecht). Zoals eerder aangegeven, is het wel
mogelijk afspraken te maken om bijvoorbeeld (een deel van) de middelen
die de werkgever anders zou reserveren in het kader van een sociaal plan
(bijvoorbeeld voor ontslagvergoedingen) in te zetten om de projecten te
financieren.
Evenmin is het mogelijk om
WW-uitkeringsgelden
anders in te zetten dan de mogelijkheden die de wettelijke kaders
hiertoe bieden.
Aangezien de werknemer in geval van werkloosheid
een WW-uitkering ontvangt, zijn de daarbij geldende verplichtingen
(zoals opgenomen in artikel 24, 25 en
26 WW) onverminderd van kracht.
Hetzelfde geldt ook voor de werknemers die niet voor een WW-uitkering
in aanmerking komen, maar eventueel direct instromen in de Wwb. Deze wet
blijft voor wat betreft de uitkeringsvoorwaarden gewoon van kracht.
Aanvragers moeten daarom met het UWV
en/of
gemeenten afspraken maken over invulling van de controle op deze
verplichtingen in het project. Hieronder valt in ieder geval controle op
de sollicitatieverplichtingen.
Duur project
De looptijd van een project bedraagt maximaal
één jaar vanaf het moment van toekenning van de aanvraag. Gedurende
dit jaar kunnen de aanvragers de regie op arbeidsbemiddeling en
re-integratie uitvoeren voor de met ontslag bedreigde werknemers.
Re-integratietrajecten (waaronder scholing) voor individuele werknemers
die op de datum van afloop van het project nog niet zijn afgerond,
worden in het kader van het project nog voortgezet.
Voor werknemers die na afloop van het individuele
traject nog werkloos zijn, zal de re-integratie en arbeidsbemiddeling na
afloop van het project weer door het UWV en/of
gemeenten worden uitgevoerd.
Aanvragers dienen met het UWV en gemeenten (in ieder geval vóór afloop van
het project) afspraken te maken over de wijze waarop het UWV en/of gemeenten
de re-integratie en arbeidsbemiddeling na afloop van het project weer
overnemen.
Financiering
Zoals gemeld in de arbeidsmarktbrief
"Op weg naar herstel" van 12 maart 2010 (Kamerstukken 29 544, nr. 238) stelt het
kabinet in 2010 €|2 mln ter beschikking (uit de zogenoemde
arbeidsmarktenveloppe 2010). Aanvragers krijgen vrij besteedbare
middelen. Aanvragers mogen bij de inzet van deze middelen afwijken van
de huidige bepalingen ten aanzien van de inzet van re-integratie-instrumenten.
Hierbij zijn aanvragers eveneens vrij om zelf te bepalen welk bedrag aan
re-integratiebudget per persoon wordt ingezet. Aanvragers zijn hierbij
niet gebonden aan het maximale bedrag aan publieke middelen ad €|2500,-
dat per met ontslag bedreigde werknemer beschikbaar wordt gesteld. Zij
kunnen zelf bepalen of zij voor één werknemer meer middelen inzetten
dan voor de andere werknemer.
Cofinanciering
Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de
middelen is dat de dekking van de projectkosten voor minimaal 50% uit
eigen middelen bestaat. Bij de vaststelling of voldoende eigen middelen
worden ingezet, worden de volgende middelen niet meegerekend:
• Subsidies die afkomstig zijn van Rijk,
provincie en gemeenten [lees:
provincies of gemeenten, red.]. Hiertoe behoren ook de subsidies die worden
verleend ter besteding van de gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007-2013
door de Minister van SZW.
• Salariskosten die betaald worden aan werknemers, die in het kader van de projecten van werk naar werk worden
begeleid, voor werkzaamheden die zij verrichten.
Administratieve lasten
Dit besluit is regelluw opgesteld. Daarmee zullen
ook de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt. Het
experimentele karakter van de aanpak maakt dat van te voren niet is aan
te geven hoe de projecten eruit komen te zien. Gegeven de hiervoor
genoemde regelluwheid bestaat er een grote mate van vrijheid van
aanvragende werkgevers hoe zij hun aanpak vorm en inhoud willen geven.
Verder zal sprake zijn van het uitvragen van voor onderzoek
gebruikelijke gegevens (zoals aantal deelnemers, soort activiteiten,
ingezette middelen, resultaten, etc.). Deze moeten voldoende informatie
opleveren om te bepalen of de gekozen wijze van de uitvoering van
re-integratie tot aansprekende resultaten leidt. Hierbij geldt als
uitgangspunt dat in onderling overleg wordt gekozen voor de voor de
projecten minst belastende vorm. Indien een ondernemer vrijwillig
deelneemt aan een project, brengt dit administratieve lasten met zich
mee. Deze administratieve lasten bestaan uit het indienen van een
projectplan en het bijhouden en leveren van voor het onderzoek
gebruikelijke gegevens, alsmede de kosten van overdracht aan het UWV
en/of gemeenten indien na afloop van het project de werknemer nog werkloos is.
Uitgaande van tien projecten met de maximale duur van één jaar worden de
administratieve lasten geraamd op €|70
000,- (gemiddeld €|7000,- per
project).
Monitoring
De uitkomsten van de projecten worden gemonitord.
Daartoe wordt een extern bureau ingeschakeld, dat op een aantal momenten
het verloop en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het project zal
toetsen. Met de beschikbare middelen kunnen vier tot zestien projecten worden
gefinancierd. Aangezien per met ontslag bedreigde werknemer maximaal €|2500,- beschikbaar is, kunnen met het totale experiment minstens 800
personen worden bereikt. Hiermee moeten onderbouwde en betrouwbare
kwalitatieve uitspraken over succes- en faalfactoren kunnen worden
gedaan. Een belangrijke indicator voor succes is wanneer er een grote
betrokkenheid van werkgevers is bij de projecten en als een aanzienlijk
deel van de deelnemende werknemers een plek vindt bij een andere
werkgever. Hierbij is tevens van belang hoe groot de afstand tot de
arbeidsmarkt is van betrokken werknemers, hoe snel deelnemende
werknemers aan het werk zijn gegaan en of er sprake is van een duurzame
werkhervatting. Ook de inzet van de financiële middelen wordt
gemonitord.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Algemene
begrippen
De
re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV
voor werknemers die met
ontslag bedreigd worden of een WW-uitkering ontvangen, geldt niet voor
overheidswerkgevers (artikel 30a, derde lid, onderdeel
d, van de Wet SUWI). Overheidswerkgevers zijn op grond van
artikel 72a WW
verantwoordelijk voor de re-integratie van hun werkloze werknemers. Om
die reden is hier in de begripsbepalingen al aangegeven dat deze
overheidswerkgevers niet worden beschouwd als werkgevers die voor de
middelen op grond van dit besluit in aanmerking kunnen komen.
Tevens wordt in dit artikel gedefinieerd om
welke projecten het gaat. Het gaat om voorstellen van werkgevers, van
organisaties van werkgevers in een bepaalde sector of van organisaties
van ondernemingen in een bepaalde regio. De voorstellen dienen dus
gericht te zijn op het toeleiden naar werk bij een andere werkgever dan
wel op de toeleiding naar zelfstandig ondernemerschap van met ontslag
bedreigde werknemers en werknemers die als gevolg daarvan reeds werkloos
zijn geworden. Voorts is van belang dat werknemersorganisaties en
vertegenwoordigingen van werknemers, waarbij gedacht kan worden aan
ondernemingsraden of personeelsvertegenwoordigers, bij de projecten zijn
betrokken.
Artikel
2. Doel inzet
middelen voor projecten
Dit besluit is gebaseerd
op artikel 82a van de Wet
SUWI. Dit artikel maakt het mogelijk in
verband met onderzoek naar andere mogelijkheden van uitvoering van de socialeverzekeringswetten bij
AMvB tijdelijk van wettelijke bepalingen
over re-integratie en re-integratie-instrumenten af te wijken. Met de
uitvoering van de projecten van werk naar werk wordt onderzocht of
sociale partners een meer directe rol kunnen spelen bij herplaatsing of
re-integratie bij een andere werkgever dan wel bij de toeleiding naar
zelfstandig ondernemerschap van met ontslag bedreigde werknemers en of
zij in dit kader aansprekende resultaten laten zien. Daarmee wordt
tijdelijk afgeweken van het uitgangspunt van de Wet
SUWI dat het UWV hiervoor verantwoordelijk is. In het eerste lid wordt
bepaald dat de minister voor de uitvoering van deze projecten middelen beschikbaar
stelt en daarmee dus beslist welke projecten voor de middelen in
aanmerking komen.
Kern van de projecten is dat re-integratiemiddelen
op andere wijze worden besteed dan op grond van de Wet SUWI, de Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de WW. In dit artikel wordt
geregeld wie in aanmerking komt voor deze middelen en onder welke
voorwaarden. De middelen zijn bestemd voor werkgevers,
werkgeversorganisaties of sectorale organisaties voor werknemers van die
werkgevers of in die sector die met ontslag bedreigd worden in de
betekenis van artikel 30a, eerste lid, van de
Wet SUWI (werknemers die
kunnen aantonen dat hun dienstbetrekking binnen vier maanden zal
eindigen blijkend uit een ontslagaanzegging of reorganisatie) of die al
een werkloosheidsuitkering ontvangen uit de dienstbetrekking waaruit ze
inmiddels ontslagen zijn. De werknemers moeten dan werkloos zijn
geworden uit de dienstbetrekking met de deelnemende werkgever of
werkzaam zijn geweest in de deelnemende sector (of regio).
Artikel 3.
Toepasselijke bepalingen
Het gaat bij de projecten om een andere uitvoering
van de Wet SUWI en de re-integratieinstrumenten uit de
WW.
De bepalingen van die wetten zijn in beginsel van toepassing, maar er
mag daarvan ook afgeweken worden voor zover het de voorwaarden betreft
die daarin zijn opgenomen. In het tweede lid is aangegeven van welke
bepalingen kan worden afgeweken. Het betreft de bepalingen over het
re-integratieplan en de wijze waarop het UWV
de
re-integratieverantwoordelijkheid uitvoert in artikel
30a van de Wet SUWI en de bepalingen over de voorwaarden voor scholing
(artikel 76) en
loonkostensubsidie (artikel 78a) en de bepaling over de soort
werkzaamheden die bij wijze van proefplaatsing worden uitgevoerd (76a,
derde lid, onderdelen a en d) in hoofdstuk VI van de
WW. Met betrekking
tot de proefplaatsing (artikel 76a) is
ervoor gekozen dat niet kan
worden afgeweken van de bepalingen in het eerste lid (maximale termijn
van drie maanden), derde lid, onderdeel b (aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering) en het derde lid, onderdeel c (slechts eenmaal
proefplaats mogelijk bij dezelfde werkgever of diens rechtsvoorganger).
Voorts kan ingeval een werkloze werknemer een bijstandsuitkering
ontvangt (of onder de re-integratieverantwoordelijkheid van het college
van burgemeester en wethouders zou vallen), worden afgeweken van de
verordening met bepalingen over de inhoud van de re-integratie-instrumenten die het college zou kunnen inzetten. Daarmee
zou dan worden afgeweken van artikel 8 van de
Wwb.
Voor de financiering van de
re-integratieactiviteiten en de re-integratie-instrumenten wordt ook
afgeweken van artikel 100 van de Wfsv, omdat de middelen zowel uit een
rijksbijdrage als uit de sociale fondsen afkomstig zijn en ze ook niet
verantwoord worden als uitgaven die ten laste komen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf). In artikel 100, onderdeel
k, van de Wfsv wordt
bepaald dat kosten in verband met de uitvoering van artikel
30a van de Wet SUWI en van de re-integratiemaatregelen, bedoeld in
hoofdstuk IV van de WW,
ten laste komen van het AWf.
De afwijkingen betreffen wettelijke bepalingen
die in artikel 82a, eerste lid, onderdeel
a, b, e en i, van de Wet
SUWI worden bedoeld.
Artikel 4.
Duur projecten
De looptijd van de projecten bedraagt één jaar
vanaf het moment van toekenning van de middelen. Gedurende dit jaar
kunnen de aanvragers de regie op arbeidsbemiddeling en re-integratie
uitvoeren voor de met ontslag bedreigde werknemers en voor de werknemers
die uiteindelijk daadwerkelijk ontslagen worden. Re-integratietrajecten
(waaronder scholing) voor individuele werknemers die op de datum van
afloop van het experiment nog niet zijn afgerond, worden afgemaakt. De
activiteiten in het kader van de projecten moeten worden ingezet voor de
met ontslag bedreigde werknemers, die echter gedurende het project
inmiddels wel werkloos kunnen zijn geworden.
Artikel 5.
Aanvraag en toekenning middelen voor
projecten
De minister
maakt bekend vóór welke datum
verzoeken voor de middelen voor de projecten op de uitvoering waarvan
dit besluit van toepassing is, kunnen worden ingediend (het eerste lid).
Voorwaarde om de middelen toe te kennen, is dat de
projecten voor 50% met eigen middelen worden bekostigd. Het mag hierbij
niet gaan om subsidies die afkomstig zijn van Rijk, provincie
en gemeenten [lees:
provincies of gemeenten, red.]. Daartoe behoren ook de subsidies die worden verleend ter
besteding van de gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007-2013 door
de Minister van SZW. Het mag evenmin gaan om loon dat de
werknemers die
in het kader van de projecten van werk naar werk worden begeleid voor
arbeid in de dienstbetrekking ontvangen. Wel mag het loon voor arbeid
van de werknemers die de projecten begeleiden, worden gebruikt als eigen
middelen ter bekostiging van de uitvoering van het project (het tweede
lid).
De gegevens die noodzakelijk zijn om een selectie
van de projecten te kunnen maken, zijn hiervoor al besproken in het
algemene deel van deze nota van toelichting.
Bij de beslissing over de toekenning van de
middelen wordt aangegeven welk bedrag beschikbaar is voor de aanvragers
voor de uitvoering van de projecten. Daarbij wordt rekening gehouden met
het maximaal per projectvoorstel beschikbare bedrag.
Artikel 6.
Aanvullende middelen
Op grond van artikel
82a, derde lid, van de Wet SUWI vervalt het innovatiebesluit vijf jaar na inwerkingtreding, tenzij
bepaald wordt dat het eerder vervalt of er een wet is ingediend om de
inhoud van het besluit om te zetten in een regeling bij wet. Er wordt
uitgegaan van de wettelijke looptijd van vijf jaar voor dit besluit. Er
zijn echter voor de invulling van deze innovatieve projecten alleen voor
2010 middelen beschikbaar gesteld voor eenmalige besteding voor dit
doel. Dit artikel maakt het mogelijk gedurende de werkingsduur van vijf
jaar van dit besluit voor de komende jaren opnieuw middelen ter
beschikking te stellen en in te zetten voor nieuw aan te melden
projecten van de soort waarop dit besluit betrekking heeft.
Artikel 7.
Onderzoek en inlichtingenverplichtingen
Op grond van artikel
82a, zesde lid, van de Wet SUWI moet aan het parlement gemeld worden hoe wat op grond van het
innovatieartikel wordt uitgeprobeerd in de praktijk is verlopen en welk
standpunt de minister hierover heeft. Daartoe is het van belang dat het
verloop van de projecten en de resultaten naar doelbereik en
doeltreffendheid worden onderzocht. In dit onderzoek wordt de plaatsing
van de werknemers gemonitord. Dit artikel regelt dat de deelnemers en
betrokken werknemers dienen mee te werken aan dat onderzoek. Voorts
dienen zij alle gegevens te verstrekken die nodig zijn voor het
onderzoek en de verslaglegging over het onderzoek en de projecten. Het
gaat daarbij ook om het onderzoek naar de vraag of de uitvoering van
re-integratieactiviteiten onder verantwoordelijkheid van sectoren en
regio’s als onderdeel van de structuur van de uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen effectief is (het doel en het onderzoek, dat in artikel
2 wordt aangeduid).
Artikel 8.
Inwerkingtreding
Dit besluit zal niet in werking treden op de vaste
verandermomenten 1 juli of 1 januari. De datum van 1 juli 2010 is niet
haalbaar. Opschuiven tot de datum 1 januari 2011 is niet in het belang
van de bij de projecten betrokken organisaties, omdat de middelen voor
de projecten vooralsnog alleen in het jaar 2010 kunnen worden toegekend.
De organisaties zijn gebaat bij een spoedige inwerkingtreding. De eerste
uitzonderingsgrond voor de vaste verandermomenten is van toepassing.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|