Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

GARANTIEWET  BURGERLIJK  OVERHEIDSPERSONEEL  INDONESIň

Tekst zoals deze geldt op 11 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 8 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel IndonesiŽ

 

 

WET van 11 mei 1950 tot vaststelling van zekere waarborgen jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van IndonesiŽ en hun nagelaten betrekkingen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de overgang naar een nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van IndonesiŽ en hun nagelaten betrekkingen bij de wet vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

I. "overheidsdienaren":

burgerlijke landsdienaren van IndonesiŽ, en personen in dienst van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling,

a. die op 5 Augustus 1949:

hetzij in vaste dienst waren,

hetzij waren aangenomen op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht naar Nederland is verbonden, mits op die aanneming een feitelijke indiensttreding is gevolgd,

hetzij in tijdelijke dienst waren sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip,

hetzij in tijdelijke dienst waren in aansluiting op een dienstverband, dat door het Reglement betreffende de aanneming en de dienstvoorwaarden van werkkrachten op maand-, dag- of uurloon (M.D.R. 1939) of daarmede in aard overeenkomende reglementen werd beheerst, of op een kortverband, dan wel op een betrekking als bijzondere leerkracht in de zin van artikel 1 onder 2į van het Pensioenreglement voor bijzondere leerkrachten, mits deze verbanden of deze betrekking bestonden sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip,

hetzij in tijdelijke dienst waren en sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip tot aan dat van aanstelling in tijdelijke dienst als dienst- of reserveplichtige onafgebroken in militaire dienst zijn geweest;

b. die na 5 Augustus 1949, doch vůůr de souvereiniteitsoverdracht zijn aangesteld in vaste dienst, of aangenomen op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht naar Nederland is verbonden;

c. die voor de toepassing van deze wet door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van FinanciŽn met een der onder a of b bedoelde categorieŽn zijn gelijkgesteld;

voorzover de onder a, b en c bedoelde personen Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij artikel 8a op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in artikel 5.

II. "gewezen overheidsdienaren":

a. personen, die na Augustus 1945 in overheidsdienst aan de wederopbouw van IndonesiŽ daadwerkelijk hebben medegewerkt dan wel - ter beslissing van de commissie - daartoe wel bereid zijnde, buiten eigen schuld of toedoen daartoe verhinderd zijn geweest, wier dienstverband op een tijdstip vůůr 5 Augustus 1949 is geŽindigd en die op dat tijdstip een der dienstverbanden hadden als omschreven onder I;

b. personen, die op of na 1 Maart 1942, doch vůůr het tijdstip van de souvereiniteitsoverdracht in tijdelijke dienst van het Land of van een der onder I bedoelde zelfstandige gemeenschappen zijn getreden en wegens in en door de dienst bekomen letsel of gebreken zijn of zullen zijn ontslagen;

voorzover de onder a en b bedoelde personen Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij artikel 8a op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in artikel 5.

III. "nagelaten betrekkingen":

betrekkingen van een overleden overheidsdienaar, een overleden gewezen overheidsdienaar, zomede van een Nederlander, die nŗ 1 Maart 1942, doch vůůr September 1945, dan wel wegens oorlogsletsel in het tijdvak van 8 December 1941 tot en met 1 Maart 1942 is overleden, en op het tijdstip van overlijden een der dienstverbanden had als omschreven onder I, een en ander voor zover zij op grond van dat overlijden gerechtigd zijn tot een uitkering van overheidswege en voor zover zij Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij artikel 8a op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in artikel 5.

IV. "afvloeiingsvoorwaarden":

de afvloeiingsvoorwaarden, behorende bij de Overeenkomst inzake de positie van de Burgerlijke Overheidsdienaren in verband met de souvereiniteitsoverdracht (Stb. J 570).

V. "normaal pensioen":

het pensioen, waarop recht wordt verkregen bij het bereiken van een diensttijd van 20 en een leeftijd van 50 jaar, onderscheidenlijk van een diensttijd van 25 en een leeftijd van 55 jaar, naar gelang de door de betrokken overheidsdienaar beklede betrekking krachtens de terzake op 5 Augustus 1949 voor hem van kracht zijnde pensioenregeling is ingedeeld in de daarin bedoelde pensioengroep I, onderscheidenlijk pensioengroep II.

VI. "de commissie":

de bevoegde commissie, als bedoeld in artikel 8.

VII. "Onze Minister":

Onze Minister, belast met de uitvoering van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel IndonesiŽ.

VIII. "Onze Ministers":

Onze Minister, belast met de uitvoering van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel IndonesiŽ en Onze Minister van FinanciŽn.

IX. "Pensioenstichting":

Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van IndonesiŽ en hun nagelaten betrekkingen.

 

Artikel 2

1. Met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de overheidsdienaren, die hun in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband vůůr of op 31 December 1959 vrijwillig beŽindigen, dan wel uit dat dienstverband vůůr of op 31 December 1959 worden ontslagen anders dan op eigen verzoek, mits dit ontslag niet is te wijten aan eigen schuld, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond van die beŽindiging bij toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen toekomen, en overigens de gevolgen, als omschreven in de afvloeiingsvoorwaarden.

2. Voor de toepassing van deze wet:

a. wordt het in de afvloeiingsvoorwaarden onder B genoemde bedrag van Ä 79,41 ís maands gesteld op Ä 136,13 ís maands voor kostwinners en op Ä 102,10 ís maands voor niet-kostwinners, en vervalt de daarbij gestelde eis van tenminste 10 jaar;

b. wordt onder de in de afvloeiingsvoorwaarden onder A en B bedoelde laatstelijk genoten activiteitswedde onderscheidenlijk activiteitswedde verstaan de activiteitsbezoldiging, waarop volgens de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen op het tijdstip van de dienstbeŽindiging rechtens aanspraak bestaat;

c. worden op de op basis van de afvloeiingsvoorwaarden verleende uitkeringen in IndonesiŽ duurte-, gezins- en kindertoelagen toegekend volgens de ter plaatse geldende regelingen, behoudens de bevoegdheid van Onze Ministers om van deze regelingen af te wijken;

d. eindigt de wachtgeldperiode als bedoeld in de afvloeiingsvoorwaarden uiterlijk 31 December 1961.

3. Voorzover recht of aanspraak op vrije overtocht

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x