Nadere regelgeving:
- Besluit
meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart
- Erkenningsregeling opleidingen havenbeveiliger
WET van 6 juli 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 725/2004
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart
2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en
havenfaciliteiten (PbEU L 129), alsook van andere besluiten van
volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot de beveiliging van
havens (Havenbeveiligingswet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is uitvoering te
geven aan Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering
van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129),
alsmede dat het gewenst is een wettelijke basis vast te stellen voor de
uitvoering van verdragen of van besluiten van een of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, die betrekking hebben op
de beveiliging van havenfaciliteiten of die betrekking hebben op de
beveiliging van havens;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Verordening: Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004
betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en
havenfaciliteiten (PbEU 129);
b. richtlijn: de bij regeling van Onze Minister aangewezen
richtlijn;
c. havenfaciliteit: havenfaciliteit als bedoeld in artikel 2,
elfde lid, van de Verordening en artikel 3, derde lid, van de
richtlijn;
d. beheerder van een havenfaciliteit: natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een havenfaciliteit in beheer heeft;
e. havenbeveiligingscertificaat: certificaat als bedoeld in
artikel 7, eerste lid;
f. haven: elk uit land en water bestaand gebied, met werken en
voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee,
aangewezen krachtens artikel 1a, tweede lid;
g. havengerelateerd gebied: in de directe omgeving van een haven
gelegen gebied of object, waarvan verstoring van directe invloed is
of kan zijn op de veiligheid van een werk of voorziening ten behoeve
van het commercieel vervoer over zee, aangewezen krachtens artikel
1a, derde lid;
h. veiligheidsniveau: een van de veiligheidsniveaus, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van de richtlijn;
i. havenveiligheidsbeoordeling: een havenveiligheidsbeoordeling
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de richtlijn;
j. havenveiligheidsplan: een havenveiligheidsplan als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de richtlijn;
k. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
§ 1a. Reikwijdte
Artikel 1a
1.Deze wet is van toepassing op:
a. een haven waarin zich een havenfaciliteit bevindt, en
b. havengerelateerd gebied,
met uitzondering van militaire installaties.
2.Onze Minister wijst bij besluit havens aan.
3.Onze Minister kan bij besluit havengerelateerd gebied aanwijzen.
4.Onze Minister houdt bij de aanwijzing van een haven en
havengerelateerd gebied rekening met de resultaten van de
havenveiligheidsbeoordeling.
5.Een besluit als bedoeld in het tweede of derde lid wordt door
Onze Minister toegezonden aan de desbetreffende autoriteit voor
havenveiligheid.
§ 2. Bevoegde autoriteiten voor de maritieme beveiliging en andere
instanties voor de beveiliging van de haven
Artikel 2
1.Als bevoegde autoriteiten voor de maritieme beveiliging, bedoeld
in artikel 2, zevende lid, van de Verordening worden aangewezen:
a. de burgemeester voor de taken, bedoeld in de artikelen 4 tot
en met 10 en 17, tweede lid;
b. Onze Minister van Justitie voor de taak, genoemd in artikel
12, en
c. Onze Minister voor de overige taken.
2.De bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, dragen zorg
voor de uitvoering van de taken, onderscheidenlijk de nakoming van de
verplichtingen die ingevolge de Verordening op Nederland rusten, ieder
voor zoveel deze hem zijn opgedragen.
Artikel 3 [Vervallen per 15-06-2007]
Artikel 4
1.In de gemeenten met een of meer havenfaciliteiten is de
burgemeester het bevoegd gezag voor de uitvoering, respectievelijk de
toepassing van artikel 7, eerste, derde en vijfde lid, van de
Verordening en voorschrift 10, tweede en derde lid, van Bijlage I, de
onderdelen 5.4, onder 2, 15 en 16 van Bijlage II en de onderdelen
1.16, 4.1, 4.2, 4.14, 4.15, 4.16, 4.18, 15.3, 15.4, 15.6, 16.3, 16.8,
17.1, 18.5 en 18.6 van Bijlage III van de Verordening, voorzover deze
betrekking hebben op havenfaciliteiten.
2.Ingeval een havenfaciliteit op het grondgebied van meer dan één
gemeente is gelegen, wordt de functie van bevoegde autoriteit voor de
havenbeveiliging vervuld door de burgemeester van de gemeente waarin
het grootste deel van de oppervlakte van die havenfaciliteit is
gelegen.
Artikel 4a
Onze Minister is de instantie voor havenbeveiliging, bedoeld in
artikel 3, vierde lid, van de richtlijn.
Artikel 4b
1.De burgemeester van een gemeente waarin een haven of
havengerelateerd gebied is gelegen, is de autoriteit voor
havenveiligheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de richtlijn.
2.Indien een haven of een havengerelateerd gebied zich over
meerdere gemeenten uitstrekt, kunnen de desbetreffende autoriteiten
voor havenveiligheid gezamenlijk een van hen als autoriteit voor
havenveiligheid voor de desbetreffende havens en havengerelateerde
gebieden aanwijzen.
3.Van een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt door de
autoriteiten voor havenveiligheid gezamenlijk mededeling gedaan in de
Staatscourant, waarbij wordt aangegeven voor welke gemeenten die
aanwijzing van toepassing is.
Artikel 4c
1.Een autoriteit voor havenveiligheid wijst een
havenveiligheidsfunctionaris aan als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de richtlijn.
2.Indien een haven of een havengerelateerd gebied zich over
meerdere gemeenten uitstrekt, kunnen de desbetreffende autoriteiten
voor havenveiligheid gezamenlijk een havenveiligheidsfunctionaris voor
de desbetreffende havens en havengerelateerde gebieden aanwijzen.
3.Van een aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, wordt door de
autoriteiten voor havenveiligheid gezamenlijk mededeling gedaan in de
Staatscourant, waarbij wordt aangegeven voor welke gemeenten die
aanwijzing van toepassing is.
4.Indien een havenveiligheidsfunctionaris niet tevens de
havenbeveiligingsbeambte van een havenfaciliteit als bedoeld in
Bijlage II, deel A, onderdeel 2.1, onder 8, van de Verordening is,
werken deze bij de uitvoering van hun taken nauw samen.
Artikel 4d
Een autoriteit voor havenveiligheid draagt zorg voor de coördinatie
van de havenveiligheidsmaatregelen die uit de Verordening voortvloeien
en de maatregelen die uit de richtlijn voortvloeien.
Artikel 4e
1.Onze Minister kan veiligheidsorganisaties aanwijzen waaraan het
uitvoeren van een havenveiligheidsbeoordeling of het opstellen of het
wijzigen van een havenveiligheidsplan kan worden opgedragen.
2.Een veiligheidsorganisatie als bedoeld in het eerste lid voldoet
aan de voorwaarden van Bijlage IV van de richtlijn.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 4f
Onze Minister is de instantie voor havenveiligheidsaspecten bedoeld
in artikel 12 van de richtlijn.
Artikel 5
1. Bij de vervulling van zijn taken ingevolge deze wet neemt de
burgemeester, en in een situatie als bedoeld in artikel 12, derde en
vierde lid, de voorzitter van de veiligheidsregio, de algemene en
bijzondere aanwijzingen van Onze Minister in acht.
2. De burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio in een
situatie als bedoeld in artikel 12, derde en vierde lid, en Onze
Minister verschaffen elkaar de inlichtingen die ieder van hen nodig
heeft voor een goede vervulling van zijn taken ingevolge deze wet.
§ 3. Havenbeveiligingscertificaten
Artikel 6
1.Op aanvraag van de beheerder van een havenfaciliteit beslist de
burgemeester omtrent het verlenen van instemming, bedoeld in
voorschrift 10, tweede lid, onderdeel 2 van Bijlage I van de
Verordening, met het beveiligingsplan van die havenfaciliteit.
2.Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt een
veiligheidsbeoordeling van de havenfaciliteit overgelegd.
Artikel 7
1.Als bewijs van instemming, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
geeft de burgemeester een havenbeveiligingscertificaat af.
2.Een havenbeveiligingscertificaat is ten hoogste vijf jaar geldig.
3.Van elk door hem afgegeven havenbeveiligingscertificaat doet de
burgemeester onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
Artikel 8
1.De artikelen 6 en 7, derde lid, zijn mede van toepassing op
aanvragen die betrekking hebben op een wijziging van de inhoud van een
veiligheidsbeoordeling, onderscheidenlijk van de inhoud van een
beveiligingsplan van een havenfaciliteit.
2.Ingeval met de wijziging van een beveiligingsplan wordt ingestemd
en het certificaat, afgegeven ingevolge artikel 7, eerste lid, nog
geldig is, wordt de instemming verleend voor de resterende looptijd
van het certificaat en als bewijs hiervan een aanhangsel bij dat
certificaat afgegeven.
Artikel 9
1.De burgemeester trekt een door hem gegeven instemming en het
bijbehorende havenbeveiligingscertificaat in, indien hem is gebleken
dat de beheerder van de havenfaciliteit bij de aanvraag onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een ander besluit op diens aanvraag zou hebben
geleid.
2.De burgemeester kan een door hem gegeven instemming en het
bijbehorende havenbeveiligingscertificaat intrekken, indien de
beheerder van de havenfaciliteit heeft gehandeld in strijd met het
beveiligingsplan of heeft nagelaten te handelen in overeenstemming met
dit plan.
3.Artikel 7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1.De burgemeester kan de beheerder van een havenfaciliteit
ontheffing verlenen van de eis om in het bezit te zijn van een
beveiligingsplan waarmee hij heeft ingestemd, mits de beheerder
beschikt over een gelijkwaardige beveiligingsregeling, waarmee de
burgemeester heeft ingestemd.
2.Goederen worden alleen overgeslagen van een schip in een
ankerplaats of een redegebied, gelegen binnen het gebied van een
gemeente, indien de burgemeester heeft ingestemd met een
gelijkwaardige beveiligingsregeling.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het aan of
van boord doen gaan van passagiers.
4.Onder een gelijkwaardige beveiligingsregeling wordt in dit
artikel verstaan een gelijkwaardige regeling als bedoeld in
voorschrift 12, tweede lid, van Bijlage I van de Verordening.
5.Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing ingeval de
overslag van goederen, onderscheidenlijk het overbrengen van
passagiers plaatsvindt tussen twee schepen die elk een schip zijn als
bedoeld in artikel 3 van de Verordening.
Artikel 11
Het is de beheerder van een havenfaciliteit niet toegestaan een
activiteit als bedoeld in artikel 2, twaalfde lid, van de Verordening in
zijn havenfaciliteit te verrichten of toe te laten dat deze wordt
verricht, indien de beheerder niet in het bezit is van een geldig
havenbeveiligingscertificaat of een ontheffing als bedoeld in artikel
10.
§ 3a. Havenveiligheidsbeoordelingen en havenveiligheidsplan
Artikel 11a
1. Een autoriteit voor havenveiligheid voert ten minste elke vijf
jaar een havenveiligheidsbeoordeling uit voor de desbetreffende haven
en het desbetreffende havengerelateerde gebied.
2. Indien een haven of een havengerelateerd gebied zich over
meerdere gemeenten uitstrekt, kunnen de autoriteiten voor
havenveiligheid gezamenlijk een havenveiligheidsbeoordeling voor de
desbetreffende havens en havengerelateerde gebieden uitvoeren.
3. Een havenveiligheidsbeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig
artikel 6, eerste en tweede lid, van de richtlijn.
4. Een autoriteit voor havenveiligheid kan het uitvoeren van een
havenveiligheidsbeoordeling opdragen aan een op grond van artikel 4e
aangewezen veiligheidsorganisatie.
5. Een autoriteit voor havenveiligheid of een
veiligheidsorganisatie waaraan het uitvoeren van een
havenveiligheidsbeoordeling is opgedragen, is ten behoeve van een
havenveiligheidsbeoordeling bevoegd aan een ieder die in de
desbetreffende haven zeggenschap heeft over een werk of een
voorziening ten behoeve van het commercieel vervoer over zee, of die
zeggenschap heeft over havengerelateerd gebied, met betrekking tot dat
werk, die voorziening of dat havengerelateerd gebied de inlichtingen
te vragen die betrekking hebben op de in Bijlage I van de richtlijn
bedoelde elementen van een havenveiligheidsbeoordeling, voor zover die
van belang zijn voor de veiligheid van de werken en voorzieningen ten
behoeve van het commercieel vervoer over zee.
6. Een ieder aan wie op grond van het vijfde lid inlichtingen
worden gevraagd, is verplicht die inlichtingen te verstrekken.
7. Het resultaat van een havenveiligheidsbeoordeling behoeft de
instemming van Onze Minister.
8. Na de instemming, bedoeld in het zevende lid, wordt de
havenveiligheidsbeoordeling ter kennisgeving gezonden aan het bestuur
van de veiligheidsregio.
Artikel 11b
1. Een autoriteit voor havenveiligheid stelt voor de desbetreffende
haven en voor het desbetreffende havengerelateerde gebied een
havenveiligheidsplan op, indien de uitkomsten van een
havenveiligheidsbeoordeling daar naar het oordeel van de autoriteit
voor havenveiligheid aanleiding toe geven.
2. Indien een haven of een havengerelateerd gebied zich over
meerdere gemeenten uitstrekt, kunnen de autoriteiten voor
havenveiligheid gezamenlijk een havenveiligheidsplan voor de
desbetreffende haven en het havengerelateerde gebied opstellen.
3. Een havenveiligheidsplan wordt opgesteld met inachtneming van
artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de richtlijn.
4. Een autoriteit voor havenveiligheid kan het opstellen van een
havenveiligheidsplan opdragen aan een overeenkomstig artikel 4e
aangewezen veiligheidsorganisatie.
5. Het bestuur van de veiligheidsregio wordt in de gelegenheid
gesteld zijn zienswijze te geven over een ontwerp van het
havenveiligheidsplan of een wijziging van dat plan, voor zover dat van
belang is in verband met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de
Wet veiligheidsregio’s.
6. Een havenveiligheidsplan of een wijziging daarvan behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
7. Een autoriteit voor havenveiligheid draagt er zorg voor dat de
in een havenveiligheidsplan opgenomen veiligheidsmaatregelen in de
desbetreffende haven en in het desbetreffende havengerelateerde gebied
worden uitgevoerd en dat er ten minste eenmaal per kalenderjaar, met
tussenpozen van niet meer dan 18 maanden, oefeningen worden gehouden
als bedoeld in artikel 7, zevende lid, van de richtlijn.
8. Een ieder met zeggenschap als bedoeld in artikel 11a, vijfde
lid, voert de in een havenveiligheidsplan opgenomen maatregelen uit
die op een werk, voorziening of havengerelateerd gebied als bedoeld in
dat lid, betrekking hebben, op de wijze en binnen de periode als in
het havenveiligheidsplan is aangegeven.
§ 4. Veiligheidsniveaus
Artikel 12
1. Wanneer de veiligheidsniveaus 2 of 3 niet van toepassing zijn,
geldt veiligheidsniveau 1.
2. Wijziging van het veiligheidsniveau geschiedt door Onze Minister
van Justitie na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties is niet vereist indien de spoed, gelet op een
acute dreiging, zich daartegen verzet.
3. Een autoriteit voor havenveiligheid, dan wel wanneer een
wijziging van het veiligheidsniveau en een situatie als bedoeld in
artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s samenvallen, de voorzitter
van de veiligheidsregio, kan in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie, een gedeelte van de desbetreffende haven of het
desbetreffende havengerelateerde gebied aanwijzen, waar de bij het
desbetreffende veiligheidsniveau behorende veiligheidsmaatregelen niet
hoeven te worden toegepast.
4. Een autoriteit voor havenveiligheid, dan wel wanneer er sprake
is van een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet
veiligheidsregio’s, de voorzitter van de veiligheidsregio, kan,
indien dit gezien de omstandigheden of blijkens hem ter kennis gekomen
feiten noodzakelijk is, bepalen dat in de desbetreffende haven of in
het desbetreffende havengerelateerde gebied, of in een gedeelte
daarvan, veiligheidsmaatregelen worden genomen die horen bij een hoger
veiligheidsniveau dan het veiligheidsniveau dat op dat moment van
toepassing is.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 13
1.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter
uitvoering van voorschrift 10, derde lid, van Bijlage I van de
Verordening.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen, voorzover nodig voor een
goede toepassing van de Verordening, nadere regels worden gesteld
omtrent de onderwerpen, genoemd in artikel 3, derde lid, van de
Verordening, alsmede in de onderdelen 3.2, 5.6, 14.3, 15.3, 15.6,
16.6, 16.7 en 17 van Bijlage II van de Verordening, voorzover deze
betrekking hebben op havenfaciliteiten.
Artikel 14
1.Personen die bij havenfaciliteiten beveiligingswerkzaamheden als
bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verrichten, zijn in het
bezit van een certificaat ten bewijze dat zij met goed gevolg een door
Onze Minister erkende cursus voor de beveiliging van havenfaciliteiten
hebben gevolgd.
2.Bij een aanvraag om toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede
lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus, voor een persoon als bedoeld in het eerste lid,
wordt een afschrift van diens certificaat overgelegd.
3.Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de aanvraag van de erkenning, bedoeld in het eerste
lid, alsmede de intrekking van die erkenning.
4.Onze Minister stelt bij de regeling, bedoeld in het derde lid, de
criteria vast op grond waarvan een aanvraag voor de erkenning, bedoeld
in het derde lid, wordt beoordeeld, alsmede de gronden voor een
intrekking als bedoeld in dat lid.
Artikel 15
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van verdragen of van besluiten van instellingen van de EU
alleen of gezamenlijk, regels worden gesteld omtrent:
a. de in deze wet geregelde onderwerpen;
b. de beveiliging van havens, voorzover het betreft het
vergroten van de veiligheid van havens, het uitvoeren van
veiligheidsbeoordelingen voor havens, het opstellen van
beveiligingsplannen voor havens, het vaststellen van
veiligheidsniveaus voor havens, alsmede de opleiding en training
van personen die belast zijn met taken in het kader van de
veiligheid van havens.
2.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden
opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan de burgemeester.
Artikel 16
1. De verplichtingen ingevolge de Verordening en deze wet zijn met
ingang van 1 juli 2005 mede van toepassing op de voor binnenlandse
reizen gebruikte passagiersschepen die behoren tot Klasse A als
bedoeld in de bij regeling van Onze Minister aangewezen richtlijn
inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen.
2. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde richtlijn, gaat
voor de toepassing van de verplichtingen ingevolge de Verordening en
deze wet op de voor binnenlandse reizen gebruikte passagiersschepen
die behoren tot Klasse A als bedoeld in die richtlijn, gelden met
ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
§ 6. Toezicht op de naleving en last onder bestuursdwang
Artikel 16a
Een autoriteit voor havenveiligheid verstrekt op verzoek van Onze
Minister aan hem, binnen de bij dat verzoek aangegeven periode, alle
inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van het
havenveiligheidsplan in de desbetreffende haven of in het desbetreffende
havengerelateerde gebied.
Artikel 17
1.Met het toezicht op de naleving van de Verordening en het
bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen personen.
2.Met het toezicht op de naleving van de Verordening, voorzover het
de bepalingen betreft die zijn genoemd in artikel 4, eerste lid, en
het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn eveneens belast de bij
besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen, voorzover
het havenfaciliteiten betreft waarvoor de burgemeester ingevolge deze
wet het bevoegd gezag is en voor zover het binnen de haven gelegen
overige werken of voorzieningen ten behoeve van het commercieel
vervoer over zee of voor zover het havengerelateerd gebied betreft
waarvoor hij ingevolge deze wet de autoriteit voor havenveiligheid is.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 18
1. Onze Minister is, als bevoegd gezag ingevolge deze wet of
ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
15, eerste lid, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang,
bedoeld in het eerste lid, komt mede toe aan de bij besluit van Onze
Minister aangewezen personen.
§ 6b. Vertrouwelijkheid en verspreiding van informatie
Artikel 18a
Voor zover noodzakelijk om te voldoen aan de vereisten van artikel
16, tweede lid, van de richtlijn, wijst Onze Minister, in
overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de Wet
veiligheidsonderzoeken, functies als vertrouwensfuncties aan.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 19
[Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet]
Artikel 19a
Een wijziging van de richtlijn bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 20
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien
verstande dat indien de datum van uitgifte op 29 juni 2004 of een eerder
tijdstip is gelegen, artikel 11 met ingang van 1 juli 2004 in werking
treedt.
Artikel 21
Deze wet wordt aangehaald als: Havenbeveiligingswet.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 juli 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de vijftiende
juli 2004
De Minister van Justitie
J.P.H. Donner
|