Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

IN-  EN  UITVOERWET

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2008

Vervallen m.i.v. 1 augustus 2008

(Zie Algemene douanewet)

 

 

 

 
WET van 5 juli 1962, houdende een regeling op het gebied van de invoer en de uitvoer van goederen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter vervanging van bestaande wettelijke regelingen, een regeling op het gebied van de invoer en de uitvoer van goederen vast te stellen in het belang van de volkshuishouding, van de inwendige en uitwendige veiligheid des lands en van de internationale rechtsorde, mede in verband met daarop betrekking hebbende internationale afspraken of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

goederen: roerende lichamelijke zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen;

Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302);

communautaire goederen: goederen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, onderdeel 7, van het Communautair douanewetboek;

invoer van goederen: de plaatsing van goederen onder enige douaneregeling als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder a, d en f, van het Communautair douanewetboek, alsmede iedere handeling die daarop kennelijk rechtstreeks is gericht;

uitvoer van goederen: de plaatsing van communautaire goederen onder een douaneregeling als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder c, g en h, van het Communautair douanewetboek, alsmede iedere handeling die daarop kennelijk rechtstreeks is gericht;

College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven;

bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

2. De artikelen van deze wet die betrekking hebben op goederen hebben mede betrekking op programmatuur, op technologie en op andere producten dan goederen, voor zover deze verband houden met goederen die worden aangemerkt als strategische goederen in een krachtens deze wet vastgesteld invoer- of uitvoerbesluit onderscheidenlijk een krachtens artikel 2, vierde lid, of 7, eerste lid, vastgestelde ministeriŽle regeling.

3. Deze wet verstaat onder internationale afspraak mede een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

4. Voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet ter zake van invoer gestelde regelen worden goederen als bedoeld in de artikelen 202, eerste lid, en 203, eerste lid, alsmede goederen met betrekking tot welke niet is voldaan aan enige verplichting of voorwaarde als bedoeld in artikel 204, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, geacht te zijn geplaatst onder de douaneregeling, bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder a, van dat wetboek.

Artikel 2

1. Indien het belang van de volkshuishouding, van de inwendige of uitwendige veiligheid des lands of van de internationale rechtsorde op zichzelf, dan wel een daarop betrekking hebbende internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij algemene maatregel van bestuur, in deze wet verder genoemd invoerbesluit, onderscheidenlijk uitvoerbesluit, regelen worden gesteld ten aanzien van:

a. de invoer of de uitvoer van daarbij aangewezen goederen,

b. de invoer of de uitvoer van goederen, die bestemd zijn voor, of van herkomst of oorsprong zijn uit daarbij aangewezen landen, dan wel een onbekende bestemming, herkomst of oorsprong hebben, of

c. de invoer of de uitvoer van goederen, die op een daarbij aangegeven wijze worden betaald.

2. In een invoer- of uitvoerbesluit kan worden bepaald dat bij of krachtens dat besluit ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen gestelde regelen slechts gelden met betrekking tot een of meer daarbij aangewezen bestemmingen onderscheidenlijk gevallen als bedoeld in de in artikel 1 opgenomen definitie van invoer onderscheidenlijk uitvoer van goederen. Daarbij kan tevens worden bepaald, dat voor de toepassing van die regelen en de daarop berustende bepalingen de definitie van invoer onderscheidenlijk uitvoer slechts betrekking heeft op de aangewezen bestemmingen onderscheidenlijk gevallen.

3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen onder meer inhouden:

a. een verbod van invoer, onderscheidenlijk uitvoer, zonder vergunning van Onze bij het besluit aangewezen Minister;

b. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van rechten bij invoer, andere dan douanerechten, dan wel rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 1, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van de Douanewet, alsmede van restituties of bijdragen, door hem op aanvrage te verlenen ter zake van de invoer, dan wel de uitvoer van goederen;

c. toekenning aan Onze bij het besluit aangewezen Minister van de bevoegdheid van bij of krachtens het besluit gestelde regelen vrijstelling en, op aanvrage, ontheffing te verlenen;

d. al hetgeen naar Ons oordeel overigens is vereist ter voldoening aan een internationale afspraak als in het eerste lid bedoeld.

4. Indien de regelen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister van Economische Zaken dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wat betreft verplichtingen op zijn terrein, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat deze regelen vaststellen.

Artikel 2a

1. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of internationale afspraak, ten behoeve waarvan in een invoer- of uitvoerbesluit ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen regelen worden gesteld, zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen die regelen in dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere handelingen, welke worden verricht met betrekking tot zodanige goederen, voor zover het, in de zin van het Communautair douanewetboek, betreft:

a. goederen die op regelmatige wijze zijn aangebracht en aangegeven of op regelmatige wijze zijn aangebracht onder geleide van een document voor communautair douanevervoer en die nog niet zijn vrijgegeven voor een van de douanebestemmingen als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder a, d of f, van het Communautair douanewetboek;

b. communautaire goederen die zijn aangegeven voor de douaneregeling uitvoer dan wel niet-communautaire goederen waarvoor een aangifte tot wederuitvoer is gedaan.

Ter zake van die toepassing kunnen bij of krachtens het besluit nadere regelen worden gesteld.

2. Voor de in het eerste lid bedoelde toepassing van de in een invoer- of uitvoerbesluit gestelde regelen worden onder krachtens dat lid aangewezen handelingen mede verstaan handelingen, die kennelijk rechtstreeks zijn gericht op het bewerkstelligen van een of meer van die handelingen.

3. Indien het belang van de internationale rechtsorde of een daarop betrekking hebbende internationale afspraak, ten behoeve waarvan in een uitvoerbesluit ten aanzien van de uitvoer van goederen regelen worden gesteld, zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen die regelen in dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het doen uitgaan van zodanige goederen uit Nederland met als bestemming een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen. Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in artikel 2, vierde lid, bedoelde regelen.

5. Met betrekking tot goederen:

a. ten aanzien van welker uitvoer in een invoer- of uitvoerbesluit regelen worden gesteld,

b. die behoren tot een in dat besluit aangegeven categorie van strategische goederen en

c. waarvoor op grond van het bij of krachtens dit artikel bepaalde geen verbod op de wederuitvoer zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken geldt,
kan Onze voornoemde minister, indien het belang van de internationale rechtsorde of een daarop betrekking hebbende internationale afspraak of van de uitwendige veiligheid van het land dat vereist, bij beschikking bepalen dat het doen uitgaan van die goederen uit Nederland zonder vergunning is verboden.

6. Voor zover dit strekt tot uitvoering van verdragen of van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, kan Onze Minister van Economische Zaken regelen stellen ten aanzien van de uitvoer en de wederuitvoer van goederen waarvoor geen verbod op de uitvoer zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken geldt op grond van een uitvoerbesluit of een regeling als bedoeld in artikel 2, vierde lid, of 7, eerste lid.

Artikel 2b

1. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld ten aanzien van in het internationaal handelsverkeer omtrent goederen te bezigen verklaringen, of kan bij algemene maatregel van bestuur aan Onze daarbij aangewezen Ministers de bevoegdheid worden toegekend te dien aanzien regelen te stellen een en ander onverminderd het in artikel 2 bepaalde. Bij of krachtens zodanige maatregel kan het orgaan worden aangewezen, dat met het verstrekken van dergelijke verklaringen is belast. Bij zodanige aanwijzing kan van het aangewezen orgaan de medewerking worden gevorderd.

2. Indien een in artikel 2, eerste lid, bedoeld belang of internationale afspraak zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld met betrekking tot het doen van kennisgevingen in verband met het doen uitgaan van de goederen, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid.

3. Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2c

1. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een invoer- of uitvoerbesluit of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2b wordt Ons gedaan door Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.

2. Een invoer- of uitvoerbesluit, zomede een besluit tot wijziging of intrekking daarvan, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

3. Met betrekking tot een op grond van het belang van de internationale rechtsorde op zichzelf, dan wel op grond van een daarop betrekking hebbende internationale afspraak, anders dan ter voldoening aan een verplichting die voortvloeit uit een verdrag of uit een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vastgesteld invoer- of uitvoerbesluit, waarin regelen worden gesteld ten aanzien van daarbij aangewezen landen, zomede met betrekking tot een besluit tot intrekking of wijziging daarvan, is het bepaalde in het vierde en vijfde lid van toepassing.

4. Met betrekking tot een invoer- of uitvoerbesluit als bedoeld in het derde lid kan, binnen ťťn maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het betrokken besluit wordt geplaatst, door of namens ťťn der Kamers der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van ťťn dier Kamers de wens te kennen worden gegeven, dat het betrokken besluit bij de wet zal worden bekrachtigd. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, wordt zo spoedig mogelijk een desbetreffend voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

5. Indien een overeenkomstig het vierde lid ingediend wetsontwerp door ťťn der beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt het desbetreffende besluit onverwijld ingetrokken.

6. Een invoer- of uitvoerbesluit vervalt, behoudens eerdere intrekking, drie jaren na het in werking treden, tenzij bij nadere wet anders wordt bepaald.

Artikel 3

Onze Minister van Economische Zaken kan in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat regelen stellen ten aanzien van de overdracht van programmatuur en technologie door middel van elektronische media, faxapparaten of telefoon naar een bestemming buiten de Europese Gemeenschappen. De artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, onder a en d, 2a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2b, 4, eerste en tweede lid, 5, 9, eerste lid, 10, 10a, en 12b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1. Bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit kunnen ter verzekering van een goede toepassing van hetgeen op grond van artikel 2 of 2a bij of krachtens dat besluit wordt bepaald regelen worden gesteld:

a. met betrekking tot het bij of in verband met de invoer of uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, doen van aangifte of van andere kennisgevingen;

b. met betrekking tot het bij of in verband met de invoer of uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, verstrekken van gegevens en overleggen van bewijsstukken;

c. met het oog op het in verband met de invoer of uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, nemen van monsters en onderzoeken van die goederen;

d. met het oog op het in verband met de invoer of uitvoer van goederen, dan wel gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, op die goederen uit te oefenen toezicht;

e. met betrekking tot het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aantekening houden van de invoer of uitvoer van goederen of gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid, alsmede van de vervaardiging, de be- of verwerking, het bewaren dan wel het aan derden afleveren van ingevoerde of uitgevoerde goederen, en het bewaren van de desbetreffende aantekeningen en bescheiden.

2. Bij of krachtens een dergelijk besluit kan voorts worden bepaald, dat ter zake van het aanvragen en ter zake van het verkrijgen van een vergunning, een restitutie, een bijdrage of een ontheffing bij dat besluit vastgestelde bedragen moeten worden betaald, en kunnen regelen worden gesteld betreffende het tijdstip en de wijze van betaling.

3. Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

1. De vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.

2. Deze voorschriften kunnen inhouden al hetgeen is vereist ter voldoening aan een internationale afspraak als in artikel 2, eerste lid, bedoeld.

3. De voorschriften, verbonden aan op invoer van goederen betrekking hebbende vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen, kunnen de verplichting inhouden:

a. die goederen te leveren aan bij die voorschriften aangewezen afnemers of aan afnemers, behorende tot een daarbij aangewezen groep;

b. die goederen of de daaruit of met behulp daarvan verkregen goederen, indien die voorschriften tot uitvoer daarvan verplichten, niet uit te voeren naar in die voorschriften aangewezen landen.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen, verleend ter zake van gedragingen als bedoeld in artikel 2a, eerste of derde lid.

Artikel 5a

Indien bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit, dan wel bij een regeling op grond van artikel 2, vierde lid, of artikel 7, eerste lid, restituties of bijdragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, worden vastgesteld, worden bij of krachtens dat besluit, onderscheidenlijk bij die regeling, tevens regelen gesteld met betrekking tot:

a. de gevallen waarin aanspraak kan worden gemaakt op een restitutie of bijdrage, de grondslagen waarnaar de berekening van de uit te keren bedragen plaatsvindt en de tarieven van de restituties of bijdragen;

b. de aanspraak op en de voldoening van de toegekende bedragen.

 

Artikel 5b [Vervallen per 01-06-1996]

Artikel 6

De verlening van een restitutie of bijdrage geschiedt schriftelijk.

Artikel 7

1. Onze Minister van Economische Zaken in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, kan, wanneer hij overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een invoer- of uitvoerbesluit te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist, bij ministeriŽle regeling overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen en in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen.

2. De artikelen 2, tweede en derde lid, 2a, eerste tot en met derde lid, 4, eerste en tweede lid, 5, 5a en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

Een regeling op grond van artikel 7, eerste lid, blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht, totdat een krachtens artikel 2, eerste lid, getroffen maatregel, welke hetzelfde onderwerp betreft, in werking treedt doch uiterlijk tot tien maanden na het in werking treden van de regeling.

Artikel 9

1. Onze betrokken Minister kan een vergunning, een restitutie, een bijdrage of een ontheffing intrekken, indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

2. Een bijdrage of een restitutie welke is verleend in het kader van de uitvoering van een regeling, vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, kan eveneens worden ingetrokken indien ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie of bijdrage.

Artikel 10

1. Onze betrokken Minister kan de vergunningen en ontheffingen, behorende tot een door hem aangewezen groep, gezamenlijk intrekken, indien een gewichtige reden dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.

2. De bekendmaking van een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 10a

Indien ter uitvoering van regelen, die mede op grond van artikel 2, derde lid, onder d, zijn gesteld, Onze bij die regelen aangewezen Minister nadere regelen stelt, zijn ten aanzien van rechten en aanspraken te verlenen krachtens die regelen, de artikelen 4, eerste en tweede lid, 5, 6, 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

1. Onze betrokken Minister kan bevoegdheden, welke hem ingevolge het bij of krachtens een invoer- of uitvoerbesluit, een algemene maatregel van bestuur als in artikel 2b bedoeld of een krachtens artikel 2, vierde lid, 2b, derde lid, 4, derde lid, of 7 vastgestelde ministeriŽle regeling bepaalde, dan wel ingevolge artikel 9 toekomen, delegeren aan het bestuur van een bedrijfslichaam of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie. De vorige volzin geldt niet, voor zover de toepasselijkheid daarvan bij het invoer- of uitvoerbesluit, bij de betrokken maatregel, onderscheidenlijk bij de krachtens artikel 2, vierde lid, 2b, derde lid, 4, derde lid, of 7 vastgestelde ministeriŽle regeling, is uitgesloten. Onze Minister van Economische Zaken kan aan een delegatie op grond van de eerste volzin beperkingen verbinden.

2. Besluiten van algemene strekking, vastgesteld met gebruikmaking van een gedelegeerde bevoegdheid, behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Minister. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

3. Besluiten zonder algemene gelding, tot het nemen waarvan de bevoegdheid is gedelegeerd, kunnen worden genomen ten aanzien van een ieder.

4. De bekendmaking van een krachtens het eerste lid vastgesteld besluit of van een besluit tot wijziging of intrekking daarvan, geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

5. De besturen van de in het eerste lid bedoelde lichamen stellen jaarlijks een begroting en een jaarrekening op met betrekking tot de werkzaamheden voortvloeiend uit de gedelegeerde bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid. De begroting en de jaarrekening behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Minister. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere voorschriften worden gesteld.

Artikel 12 [Vervallen per 01-06-1996]

Artikel 12a [Vervallen per 01-01-1992]

Artikel 12b

1. Indien dit ingevolge een besluit, vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, wordt vereist om te kunnen beoordelen of ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen maatregelen moeten worden getroffen, kan Onze Minister van Economische Zaken bij door hem aangewezen ondernemers onderzoekingen doen verrichten.

2. Deze onderzoekingen kunnen uitsluitend worden gericht op het verzamelen van die gegevens, welker verkrijging naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken noodzakelijk is om te voldoen aan hetgeen wordt vereist ingevolge een besluit als in het eerste lid bedoeld.

3. Voor het verrichten van onderzoekingen als in het eerste lid bedoeld geeft Onze Minister van Economische Zaken voor ieder afzonderlijk geval schriftelijk opdracht. In zodanige opdracht worden de daarmede belaste ambtenaren en de te verkrijgen gegevens vermeld.

4. Ten aanzien van de ambtenaren, bedoeld in het derde lid, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Zo nodig oefenen zij de in artikel 5:17 van die wet bedoelde bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.

5. Onze Minister van Economische Zaken oefent de hem in dit artikel toegekende bevoegdheden niet uit dan in overeenstemming met Onze Ministers, wie het mede aangaat.

Artikel 13

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de beschikking van Onze Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid, of de beschikking, genomen krachtens artikel 2a, zesde lid, voor zover de in dat lid bedoelde regelen de bevoegdheid van Onze Minister van Economische Zaken omvatten om bij beschikking te bepalen dat de uitvoer van de in dat lid bedoelde goederen zonder vergunning verboden is, beschouwd als een beslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de procedure ter voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van een ingevolge die beschikking vereiste vergunning.

Artikel 14 [Vervallen per 14-04-1986]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 17

Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 18

Het is verboden ter zake van een aanvrage om vergunning, ontheffing, restitutie, bijdrage, een verklaring als in artikel 2b, eerste lid, bedoeld, of een recht of aanspraak als in artikel 10a bedoeld onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.

Artikel 19

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken en Onze Ministers wie het mede aangaat tezamen aangewezen ambtenaren.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 19a [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19b [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19c [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19d [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19e [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19f [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 19g [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 21 [Vervallen per 01-06-1988]

Artikel 22 [Vervallen per 01-06-1988]

Artikel 23 [Vervallen per 01-06-1988]

Artikel 24 [Vervallen per 01-06-1988]

Artikel 25

Deze wet kan worden aangehaald als: In- en uitvoerwet.

Artikel 26

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle MinisteriŽle Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1962

 

JULIANA

 

De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous

De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen

De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. Luns

De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman

De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus

De Minister van FinanciŽn,
J. Zijlstra

De Minister van Defensie,
S.H. Visser

 

Uitgegeven de negende augustus 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x