Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

INVOERINGSWET  FINANCIňLE-VERHOUDINGSWET  (IFvw)

Tekst zoals deze geldt op 19 januari 2011

Vervallen m.i.v. 23 februari 2011

 

 

 

 
WET van 21 oktober 1996, houdende regels inzake de invoering van de FinanciŽle-verhoudingswet (Invoeringswet  FinanciŽle-verhoudingswet)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen inzake de invoering van de FinanciŽle-verhoudingswet en in verband daarmee enige wetten te wijzigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepaling

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder ęOnze MinistersĽ verstaan: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van FinanciŽn.

Hoofdstuk 2. Overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling

Artikel 2

1. De algemene uitkering over de jaren 1997 tot en met 2000, zoals deze voor een gemeente wordt vastgesteld overeenkomstig de FinanciŽle-verhoudingswet, wordt vermeerderd of verminderd met een bedrag overeenkomstig de tabel die als bijlage 1 bij deze wet is gevoegd. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten goede aan het gemeentefonds.

2. Indien een gemeente die is vermeld in bijlage 1 is opgeheven, vindt de vermeerdering of de vermindering plaats ten aanzien van de algemene uitkering van de in artikel 44, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling bedoelde gemeente waar alle rechten en verplichtingen naar overgaan.

3. Onze Ministers passen bijlage 1 aan, zodra de gegevens over 1997 bekend zijn met betrekking tot de gecorrigeerde totalen, bedoeld in de maatstaf, vermeld in bijlage 2, onder nummer 1. De aanpassing betreft uitsluitend wijzigingen die direct voortvloeien uit deze gegevens over de gecorrigeerde totalen.

Hoofdstuk 3. Overige overgangsmaatregelen

Artikel 3

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het doorlopen en beŽindigen na de inwerkingtreding van deze wet van verplichtingen op grond van de FinanciŽle-Verhoudingswet 1984.

Artikel 4

Hoofdstuk 1 en de paragrafen 2.1, 2.7, 3.3 en 3.15 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984 berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 3.

Artikel 5

1. Dit artikel is van toepassing op de verfijningsuitkeringen, bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 2.7.3 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984.

2. Het bij de berekening van het bedrag van een verfijningsuitkering te hanteren bedrag per eenheid bedraagt ťťn euro per eenheid.

3. Het bedrag van een verfijningsuitkering is gelijk aan nul voor de gemeenten waarop de verfijningsuitkering niet van toepassing is.

4. Het bedrag van een verfijningsuitkering strekt niet tot uitbetaling aan een gemeente.

5. Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag voor een uitkeringsjaar, wordt naast de verdeelmaatstaven die zijn bepaald in hoofdstuk 4 van deze wet of op grond van artikel 8 van de FinanciŽle-verhoudingswet, het bedrag van een verfijningsuitkering voor het uitkeringsjaar als verdeelmaatstaf gehanteerd.

Artikel 6

1. Dit artikel is van toepassing op de verfijningsuitkeringen, bedoeld in de artikelen 2.7.1, 2.7.4, 3.3.1 en 3.15.1 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984.

2. Een gemeente heeft over een uitkeringsjaar recht op een bedrag uit het gemeentefonds ter grootte van het bedrag van de verfijningsuitkering voor die gemeente.

3. Voor zover voor de berekening van een verfijningsuitkering een bedrag per eenheid moet worden vastgesteld, wordt dit bedrag vastgesteld door Onze Ministers.

4. De verplichtingen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde bedragen worden opgenomen in de vermelding, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de FinanciŽle-verhoudingswet. Bij de bepaling van het recht, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van die wet, worden deze verplichtingen in mindering gebracht.

Artikel 7

Een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 38 van de FinanciŽle-Verhoudingswet 1984 berust na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 13 van de FinanciŽle-verhoudingswet.

Artikel 8

1. Een beschikking waarbij een aanvullende uitkering is verleend als bedoeld in artikel 12, zesde lid, van de FinanciŽle-Verhoudingswet 1984, blijft van kracht.

2. Een aanvullende uitkering als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de FinanciŽle-verhoudingswet beschouwd als een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 12 van die wet.

3. Een verzoek van een gemeenteraad als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de FinanciŽle-Verhoudingswet 1984, voor de uitkeringsjaren na de inwerkingtreding van deze wet, wordt beschouwd als een aanvraag als bedoeld in artikel 12 van de FinanciŽle-verhoudingswet.

Artikel 9

1. De vaststelling van een uitkering uit het Gemeentefonds over de uitkeringsjaren voor de inwerkingtreding van deze wet en de rechtsgedingen die daarop betrekking hebben, geschieden volgens de bij of krachtens de FinanciŽle-Verhoudingswet 1984 gestelde regels.

2. Indien de over de uitkeringsjaren vůůr de inwerkingtreding van deze wet verrichte betalingen aan een gemeente hoger of lager zijn dan de voor die uitkeringsjaren vastgestelde uitkeringen wordt het verschil teruggevorderd of uitbetaald. Het verschil komt ten goede aan of ten laste van het gemeentefonds.

Artikel 10

1. Bij de vaststelling van de algemene uitkeringen uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 1997 wordt op deze uitkeringen een bedrag van f 35 miljoen in mindering gebracht.

2. De verdeling over de gemeenten van het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald. De verdeling wordt gebaseerd op de overdracht of de toekomstige overdracht op grond van artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs, van bij een school behorende sportterreinen.

Hoofdstuk 4. De bepaling voor de eerste maal van de verdeelmaatstaven en de vaststelling over 1997 van de bedragen per eenheid

Paragraaf 4.1 Algemeen

Artikel 11

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek;

b. rastervierkanten: vierkanten van 500 bij 500 meter, zoals deze worden gebruikt in het geografisch basisregister van het CBS;

c. de uitkeringsfactor: het quotiŽnt van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases.

Artikel 12

Dit hoofdstuk bevat de bepaling en de vaststelling, bedoeld in artikel 24 van de FinanciŽle-verhoudingswet.

Paragraaf 4.2 Algemene bepalingen in verband met de verdeelmaatstaven

Artikel 13

1. Bij de verdeling van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn omschreven in bijlage 2 bij deze wet.

2. Bij de vaststelling van de algemene uitkering aan een gemeente stellen Onze Ministers zo nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor de gemeente vast. Voor zover in bijlage 2 bij een verdeelmaatstaf een bron is vermeld, kunnen Onze Ministers het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan of de vermelde instantie.

3. De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een gemeente geschiedt naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar waarover het aantal wordt vastgesteld, tenzij in bijlage 2 een peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval geschiedt de vaststelling naar de toestand op deze datum.

4. Indien op grond van het derde lid een peildatum moet worden gehanteerd die ligt vůůr de datum van instelling van de gemeente of vůůr de datum waarop de grenzen van de gemeente zijn gewijzigd, stellen Onze Ministers het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op de peildatum zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan.

Artikel 14

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent:

a. de toepassing van de in bijlage 2 en in paragraaf 4.3 gehanteerde begrippen;

b. de wijze van telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf per gemeente.

Paragraaf 4.3 Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven

Artikel 15

Bij de bepaling van het gecorrigeerde totaal, bedoeld in de maatstaf die in bijlage 2, onder nummer 1, is vermeld, worden de waarden die op grond van artikel 41 van de Wet waardering onroerende zaken geacht worden de waarden per 1 januari 1995 te zijn en waarvan de peildatum ligt op 1 januari 1992 of op 1 januari 1993, vermenigvuldigd met respectievelijk 1,16 en 1,1.

Artikel 16

De maatstaf vermeld in bijlage 2, onder nummer 8, vervalt met ingang van het uitkeringsjaar 1999.

Artikel 17

1. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern wordt toegedeeld aan die kern zelf en aan de kernen in de lokale omgeving van die kern. De aan een kern toegedeelde inwoners worden aangeduid als potentiŽle lokale klanten van de kern.

2. Een woonkern bestaat uit de verzameling rastervierkanten die 25 of meer adressen omvatten en een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied binnen een gemeente vormen.

3. De woonkernen in de lokale omgeving van een kern zijn de kernen die liggen binnen een afstand van 20 kilometer tot de kern.

4. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern bestaat uit het aantal inwoners van de kern, vermeerderd met een aandeel van de in de gemeente waarbinnen de kern is gelegen, niet in enige kern wonende inwoners. Het aandeel is gelijk aan het aandeel van de inwoners van de kern in het totaal aantal in een kern binnen de gemeente wonende inwoners.

5. De toedeling aan de woonkernen geschiedt evenredig aan het gecorrigeerde aantal inwoners van die kernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die kernen. Daarbij wordt de afstand van de kern tot zichzelf op 1 kilometer vastgesteld.

Artikel 18

1. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern wordt toegedeeld aan die kern zelf en aan de kernen in de regionale omgeving van die kern. De aan een kern toegedeelde inwoners worden aangeduid als potentiŽle regionale klanten van de kern.

2. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. de woonkernen in de regionale omgeving van een kern, de kernen zijn die liggen binnen een afstand van 60 kilometer tot de kern;

b. de toedeling aan de woonkernen evenredig geschiedt aan het kwadraat van het gecorrigeerde aantal inwoners van die kernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die kernen.

 

Artikel 19

1. Onze Ministers dragen zorg voor een kaart, waarop de ligging in de gemeenten is bepaald van:

a. de in bijlage 3 aangeduide historische kernen;

b. de in artikel 21 bedoelde bewoonde oorden en historische aantallen woningen in die oorden.

 

2. Onze Ministers leggen de kaart ter inzage.

Artikel 20

De lengte van de historische waterwegen in of rondom een historische kern wordt bepaald door het aantal meters historische waterweg in de kern te vermenigvuldigen met twee, dit produkt te vermeerderen met het aantal meters historische waterweg rondom de kern en deze som te verminderen met 1000. Een negatief aantal wordt op nul vastgesteld.

Artikel 21

1. Bewoonde oorden zijn die oorden, welke in de in 1930 gehouden volkstelling zijn geregistreerd als een bewoond oord met 500 of meer woningen.

2. Het historisch aantal woningen in een bewoond oord is het aantal woningen dat het oord omvatte overeenkomstig de gegevens van de in het eerste lid bedoelde volkstelling.

Artikel 22

1. Onze Ministers stellen de omvang van een historische kern of van de lengte van de waterwegen in of rondom een historische kern over het uitkeringsjaar 1997 vast overeenkomstig de waarden zoals die bij de inwerkingtreding van deze wet golden op grond van paragraaf 2.6 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984.

2. Onze Ministers wijzigen de vaststelling van de omvang van een historische kern of van de lengte van de waterwegen in of rondom een historische kern slechts indien zij dit wenselijk achten in verband met een aanmerkelijk verschil tussen de vastgestelde en de werkelijke waarden.

3. Op de voorbereiding van een wijziging als bedoeld in het tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 23

1. De omgevingsadressendichtheid van een adres is het aantal adressen in de omgeving van het adres, gedeeld door het oppervlak in vierkante kilometers van de omgeving.

2. De omgeving van een adres wordt gevormd door het rastervierkant, waarin het adres is gelegen en de twaalf meest nabij gelegen rastervierkanten.

Artikel 24

De gecorrigeerde daling van de algemene uitkering van de gemeente waarvan de grenzen zijn gewijzigd wordt slechts bepaald indien artikel 2.7.1, 2.7.3 of 2.7.4 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984 niet op de gemeente van toepassing is.

Paragraaf 4.4 De bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar 1997

Artikel 25

1. De bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar 1997, die behoren bij de verdeelmaatstaven, bedoeld in artikel 5 en in dit hoofdstuk, zijn vermeld in bijlage 4 bij deze wet.

2. Onze Ministers kunnen bijlage 4 aanpassen in verband met wijzigingen ten aanzien van het fonds over de jaren 1996 en 1997, die door middel van wijzigingen in de bedragen per eenheid over de gemeenten verdeeld behoren te worden.

Hoofdstuk 5. Wijzigingen in enkele wetten

Artikel 26

[Wijzigt de Gemeentewet.]

Artikel 27

[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]

Artikel 28

[Wijzigt de Wet Bodembescherming.]

Artikel 29

[Wijzigt de Wet herverdeling wegenbeheer.]

Artikel 30

De FinanciŽle-Verhoudingswet 1984 wordt ingetrokken.

Artikel 31

[Wijzigt de Wet van 15 december 1993, houdende wijziging van het stelsel van stichtingsnormen en opheffingsnormen in de Wet op het basisonderwijs en van het huisvestingsstelsel in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1993, 716).]

Artikel 32

[Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid.]

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 33

Voor de plaatsing in het Staatsblad brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen uit de FinanciŽle-verhoudingswet met de nieuwe nummering van die wet in overeenstemming.

Artikel 34

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 35

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet FinanciŽle-verhoudingswet.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 21 oktober 1996

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A.G.M. van de Vondervoort

De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal

De Staatssecretaris van FinanciŽn,
W.A.F.G. Vermeend

De Minister van FinanciŽn,
G. Zalm

 

Uitgegeven de vijfde december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

[Voor de bijlagen raadpleeg Stb. 1996, 577, red.]

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x