Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

INVOERINGSWET  WETBOEK  VAN  STRAFRECHT  (ISr)

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 15 april 1886, houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 maart 1881 (Staatsblad n. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek

 

     WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
     Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 475 van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Staatsblad n. 35) vastgestelde "Wetboek van Strafrecht" het in werking treden van dat Wetboek bij de wet moet worden geregeld, terwijl het tevens noodzakelijk is zoowel om bepalingen vast te stellen omtrent den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, als om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

I. Algemeene bepalingen

Artikel 1

De wetten van 10 Juni 1840 (Staatsblad n. 20-26) zijn ingetrokken.

Artikel 2

Het bij de wet van 3 Maart 1881 (Staatsblad n. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht treedt in werking op den 1sten September 1886.

II. Bepalingen, houdende afschaffing, handhaving of wijziging van wetten die thans inwerking zijn

Artikel 3

Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn afgeschaft:

a. het Fransche Wetboek van Strafrecht (Code Pnal), voor zoover het thans nog hier te lande van kracht is;

b. het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 Januari 1814 (Staatsblad n. 17), omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken, voor zooverre dit besluit nog niet is afgeschaft;

c. de wetten van:

6. October 1791, concernant les biens et usages ruraux et la police rurale;

28. September 1816 (Staatsblad n. 51), "tot vaststelling van straffen voor hen, die vreemde Mogendheden beleedigen";

12. December 1817 (Staatsblad n. 33), "houdende straffen tegen degenen, die, niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstigen";

20. November 1818 (Staatsblad n. 39), "houdende strafbepalingen om den slavenhandel te beteugelen";

23. December 1824 (Staatsblad n. 75), "houdende daarstelling van nadere maatregelen tot wering en uitroeijing van den slavenhandel";

16. Mei 1829 (Staatsblad n. 34), "houdende aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Strafrecht";

19. Mei 1829 (Staatsblad n. 35), "strekkende om de vermenging van vergiftige of andere schadelijke zelfstandigheden in eet- en drinkwaren te beteugelen";

1. Juni 1830 (Staatsblad n. 15), "tot beteugeling van hoon en laster en andere vergrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust";

24. April 1836 (Staatsblad n. 13), "betrekkelijk de misdaden van valsche munt en muntschennis";

10. Mei 1837 (Staatsblad n. 21), "houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk";

3. Mei 1851 (Staatsblad n. 44), "regelende de verjaring der straffen, uitgesproken wegens de misdrijven, vermeld in de wetten van 16 Mei 1829 (Staatsblad n. 34) en 1 Juni 1830 ( Staatsblad n. 15)";

28. Juni 1851 (Staatsblad n. 68), "tot invoering van het stelsel van eenzame opsluiting ten aanzien van enkele op te leggen straffen";

3. Maart 1852 (Staatsblad n. 20), "regelende de gevolgen van door den militairen strafregter uitgesproken veroordeelingen bij later gepleegde misdaad of wanbedrijf";

29. Juni 1854 (Staatsblad n. 102), "houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld";

3. Juni 1859 (Staatsblad n. 44), "houdende wijziging en aanvulling der wet van 12 December 1817 (Staatsblad n. 33), met opzigt tot het koopen, in pand of bewaring nemen, of ontvangen van militaire kleedingstukken enz.";

25. December 1860 (Staatsblad n. 102), "houdende aanvulling van art. 10 der wet van 29 Juni 1854 (Staatsblad n. 102), omtrent strafbare poging tot misdaad";

22. April 1864 (Staatsblad n. 29), "houdende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten in strafzaken";

17. September 1870 (Staatsblad n. 162), "tot afschaffing der doodstraf". De artt. 2 en 7 dezer wet blijven van kracht;

24. Juli 1871 (Staatsblad n. 84), tot wijziging van art. 7 der wet van 29 Juni 1854 (Staatsblad n. 102), "houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld";

12. April 1872 (Staatsblad n. 23), "houdende bedreiging van straf tegen de vernieling en de onbruikbaarmaking van schepen en andere vaartuigen door andere dan de in artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen";

12. April 1872 (Staatsblad n. 24), "tot vervanging van de artt. 414, 415 en 416 van het Wetboek van Strafrecht door andere bepalingen";

31. December 1875 (Staatsblad n. 255), "tot toepasselijkverklaring van art. 55 van het Wetboek van Strafrecht, voor zooveel de aansprakelijkheid voor de gerechtskosten betreft op hen, die wegens ne en dezelfde overtreding veroordeeld worden";

d. de strafbepalingen alsmede alle bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, welke in andere dan de onder a, b en c genoemde wetten voorkomen, voor zoover die wetten vr 1 Maart 1886 zijn in werking getreden en de bedoelde bepalingen niet in deze wet worden gehandhaafd. Disciplinaire voorschriften worden niet als bepalingen beschouwd, onder letter d bedoeld.

Artikel 4

Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn mede afgeschaft:

1. het avis du Conseil d'Etat van 28 October/20 November 1806 sur la comptence en matire de dlits commis bord des vaisseaux neutres dans les ports et rades de France;

2. de wet van 29 Juni 1854 (Staatsblad n. 103), houdende "uitbreiding van de regtsmagt der kantonregters in strafzaken".

Artikel 5

De bepalingen krachtens welke de Regeering vreemdelingen, wegens bedelarij of landlooperij veroordeeld, over de grenzen doet leiden, blijven van kracht.

Artikel 6

[1.] Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in verdragen met buitenlandsche Mogendheden.

[2.] Feiten, bij deze verdragen strafbaar gesteld, worden, voor zoover deze strafbaarstelling niet geschiedt door toepasselijkverklaring van het nationale recht, beschouwd als overtredingen.

Artikel 7 [Vervallen per 01-10-1962]

Artikel 8

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1923]

Artikel 10

De volgende strafbepalingen en bepalingen omtrent onderwerpen in de eerste acht Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld blijven, behoudens de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x