Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

KADERWET  DIERVOEDERS

Tekst zoals deze geldt op 12 juli 2012

Vervallen m.i.v. 1 januari 2013

(Zie Wet dieren)

 

 

 

 
WET van 22 oktober 2003, houdende bepalingen aangaande onder meer de bereiding en het in het verkeer brengen van diervoeders (Kaderwet diervoeders)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de gezondheid van mens en dier alsmede het milieu en met het oog op de afzet en de eerlijkheid in de handel regelen te stellen aangaande diervoeders, toevoegingsmiddelen en de voor diervoeders te gebruiken grondstoffen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

1. In deze wet en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

b. diervoeders: producten van plantaardige of dierlijke oorsprong in natuurlijke staat, vers of verduurzaamd, afgeleide producten van de industriële verwerking van deze producten, alsmede organische of anorganische stoffen, al dan niet gemengd, met of zonder toevoegingsmiddelen en bestemd voor dierlijke voeding langs orale weg;

c. voedermiddelen: diervoeders die bestemd zijn om te worden gebruikt voor vervoedering, hetzij als zodanig, hetzij na be- of verwerking, voor de bereiding van mengvoeders voor dieren of als dragers in voormengsels;

d. mengvoeders: mengsels van voedermiddelen;

e. toevoegingsmiddelen: stoffen of preparaten die in diervoeding worden gebruikt:

1°. teneinde:

– de eigenschappen van diervoeders of van de dierlijke producten gunstig te beïnvloeden;

– te voldoen aan de voedingsbehoeften van dieren, of de dierlijke productie te verbeteren, met name door in te werken op de maag- en darmflora of op de verteerbaarheid van de diervoeders;

– aan de voeding elementen toe te voegen die het makkelijker maken om bijzondere voedingsdoelen te bereiken of tegemoet te komen aan specifieke tijdelijke behoeften inzake voeding bij dieren, of

– door dierlijke uitwerpselen veroorzaakte hinder te voorkomen of te beperken, of de leefomgeving van de dieren te verbeteren, en

2°. niet zijnde:

– diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;

– een technisch hulpmiddel dat als stof in de verwerking van voedermiddelen of van diervoeders wordt gebruikt om tijdens de behandeling of verwerking aan een bepaalde technologische doelstelling te beantwoorden en die kan leiden tot de onbedoelde maar technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van deze stof of derivaten ervan in het eindproduct op de voorwaarde dat deze residuen geen gevaar voor de gezondheid opleveren en geen technologische effecten op het eindproduct hebben, en

– stoffen die van nature aanwezig zijn in voedermiddelen in hun normale samenstelling en die overeenstemmen met een op grond van artikel 5 toegelaten stof, voorzover het geen producten betreft die speciaal verrijkt zijn met stoffen die met toevoegingsmiddelen overeenstemmen;

f. voormengsels: mengsels van toevoegingsmiddelen onderling of mengsels van een of meer toevoegingsmiddelen met stoffen die dragers vormen, die bestemd zijn voor de bereiding van diervoeders;

g. vervangende voederproteïnen: voor vervoedering bestemde producten die – als zodanig of verwerkt in diervoeders – volgens bepaalde technische procédés worden vervaardigd met het oog op hun directe of indirecte eiwitvoorziening;

h. dieren: dieren behorend tot de soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoederd en gehouden of gegeten, dan wel waarvan producten worden geconsumeerd of een andere bestemming hebben, alsmede in de vrije natuur levende dieren voorzover hun voeding uit diervoeders bestaat;

i. huisdieren: dieren behorend tot de soorten die in de regel door de mens worden gehouden en gevoederd, maar waarvan de producten niet worden geconsumeerd;

j. bijzonder voedingsdoel: eigenschap van een mengvoeder om te kunnen voldoen aan een specifieke voedingsbehoefte van een dier waarvan het spijsverterings- of het absorptiemechanisme dan wel het metabolisme dreigt te worden verstoord, of tijdelijk of onherstelbaar is verstoord;

k. diervoeders met een bijzonder voedingsdoel: mengvoeders ten aanzien waarvan op enigerlei wijze wordt vermeld dat zij over een bijzonder voedingsdoel beschikken, en die zich gegeven hun bijzondere samenstelling of het bij de bereiding toegepaste bijzondere procédé duidelijk onderscheiden van:

1°. andere diervoeders;

2°. gemedicineerde voeders als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet;

l. communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ter zake van diervoeders en daaraan verbonden onderwerpen;

m. ongewenste stoffen: stoffen en producten, met uitzondering van ziekteverwekkers, die in of op een diervoeder, een toevoegingsmiddel of een voormengsel aanwezig zijn en die een potentieel gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, of die de productie ongunstig kunnen beïnvloeden.

2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder in het verkeer brengen begrepen het in het bezit hebben van een voor diervoeding bestemd product met het oog op de verkoop, met inbegrip van het aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht aan derden, alsmede de verkoop en de andere vormen van overdracht zelf.

3. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voorzover daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de artikelen van deze wet waarop de communautaire maatregel betrekking heeft. Een communautaire maatregel of wijziging daarvan treedt voor de toepassing van deze wet in werking met ingang van de dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze Minister hiervoor een ander tijdstip heeft vastgesteld.

 

Hoofdstuk II. Hoedanigheid diervoeders

 

Artikel 2

1.Het is verboden diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels te bereiden, te be- of verwerken, te verpakken, te etiketteren, voorhanden of in voorraad te hebben, te vervoeren of in het verkeer te brengen:

a. die niet gezond, zuiver, deugdelijk of van de gebruikelijke handelskwaliteit zijn;

b. die bij een correct gebruik een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier, of voor het milieu, of de dierlijke productie ongunstig beïnvloeden, of

c. op een wijze die misleidend kan zijn.

2.Diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels zijn in elk geval niet gezond, zuiver, deugdelijk of van gebruikelijke handelskwaliteit indien:

a. zij niet voldoen aan het bij of krachtens deze wet of bij een communautaire maatregel bepaalde in het belang van

1°. de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu;

2°. de afzet of de eerlijkheid in de handel, voorzover hetgeen bij of krachtens wet is bepaald voortvloeit uit een communautaire maatregel of enig andere internationale verplichting.

b. het gehalte aan ongewenste stoffen of producten een door Onze Minister vastgesteld gehalte overschrijdt.

3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder be- of verwerking tevens menging met andere diervoeders, toevoegingsmiddelen of voormengsels begrepen.

4.Onze Minister kan dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaren op de door hem aangewezen producten die zijn bedoeld voor of worden gebruikt in de diervoeding en waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, een door hem vastgesteld gehalte overschrijdt.

 

Artikel 3

Het is verboden de door Onze Minister aangewezen voedermiddelen te vervoederen, in mengvoeders te be- of verwerken of als diervoeder in het verkeer te brengen.

 

Artikel 4

1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van diervoeders regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de bereiding, de be- of verwerking, het verpakken, het bewaren, het vervoeren, het vervoederen en het in het verkeer brengen;

b. de hoedanigheid;

c. de verpakking;

d. de aanduidingen op of bij verpakkingen dan wel op de een zending of partij begeleidende documenten.

2.Diervoeders met een bijzonder voedingsdoel zijn door hun aard of samenstelling geschikt voor het bijzonder voedingsdoel waarvoor zij bestemd zijn.

3.Het is verboden diervoeders met andere dan bij communautaire maatregel aangewezen bijzondere voedingsdoelen voorhanden of in voorraad te hebben of in het verkeer te brengen.

 

Hoofdstuk III. Toevoegingsmiddelen en voederproteïnen

 

Artikel 5

1.Het is verboden:

a. een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten, voorhanden of in voorraad te hebben, in het verkeer te brengen, te vervoeren of in voormengsels of diervoeders te verwerken;

b. voormengsels of diervoeders met een niet ingevolge een communautaire maatregel toegelaten toevoegingsmiddel of vervangend voederproteïne voorhanden of in voorraad te hebben, in het verkeer te brengen, te vervoeren of te vervoederen.

2.Het verbod van het eerste lid geldt niet met betrekking tot toevoegingsmiddelen en vervangende voederproteïnen, voormengsels en diervoeders die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen, mits is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regelen.

 

Artikel 6

1.Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld omtrent het indienen van een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van een toelating als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en de wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald welke gegevens en bescheiden worden overgelegd, alsmede dat monsters ter beschikking worden gesteld.

2.Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gegevens achterwege kan blijven.

3.Een aanvraag kan slechts worden gedaan door een binnen de Europese Gemeenschappen permanent gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die er verantwoordelijk voor is dat het middel in het verkeer wordt gebracht.

4.Wijzigingen in de aan de aanvraag ten grondslag

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x