Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

MEDIAWET

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2008

Vervallen m.i.v. 1 januari 2009

(Zie Mediawet 2008)

 

 

 

 
WET van 21 april 1987, houdende regels betreffende de verzorging van radio- en televisieprogramma's, de omroepbijdrage en de steunverlening aan persorganen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Omroepwet, de Wet op de omroepbijdragen en de Wet Voorziening Perswezen 1951 te vervangen door een wet, die regels geeft over de omroepbijdragen, de verzorging van radio- en televisieprogramma's, de uitzending daarvan door middel van omroepzenders en draadomroepinrichtingen en de steunmaatregelen ten behoeve van persorganen, opdat de verscheidenheid in radio, televisie en pers gewaarborgd wordt en de samenhang in regelgeving ten aanzien van deze media tot uitdrukking wordt gebracht;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. media: alle gedrukte en elektronische vormen van massacommunicatie;

c. omroep: een elektronische mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van programma's;

d. televisie-omroep: een elektronische mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van televisieprogramma's;

e. radio-omroep: een elektronische mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's;

f. programma: een elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud, dat bedoeld is te worden uitgezonden en bestemd is voor ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan, met uitzondering van datadiensten, diensten die uitsluitend op individueel verzoek beschikbaar zijn, en andere interactieve diensten;

g. programma-onderdeel: een duidelijk afgebakend en als zodanig herkenbaar onderdeel van een programma;

h. televisieprogramma: een programma met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud;

i. teletekstprogramma: een televisieprogramma dat uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden die door de kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt uitgezonden op dezelfde frequentieruimte die, onderscheidenlijk op hetzelfde kanaal dat, tevens wordt gebruikt voor het uitzenden van een ander televisieprogramma of een toetsbeeld;

j. radioprogramma: een programma met geluidsinhoud;

k. programma voor algemene omroep: een programma dat bestemd is voor ontvangst door het algemene publiek;

l. programma voor bijzondere omroep: een programma dat gecodeerd wordt uitgezonden en bestemd is voor ontvangst door een deel van het algemene publiek, bestaande uit diegenen die met de omroepinstelling die het programma verzorgt, een tot het ontvangst van het programma strekkende overeenkomst hebben gesloten;

m. verzorgen van een programma: een omroepdienst, bestaande uit het voorbereiden, samenstellen en uitvoeren van een programma;

n. uitzenden van een programma: een omroepdienst, bestaande uit het al dan niet gecodeerd verspreiden van een programma naar het algemene publiek of een deel daarvan door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk;

o. omroepzender: een radiozendapparaat als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ii, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt of mede gebruikt voor het uitzenden van programma's;

p. aanbieder van een omroepzender: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die uitzendcapaciteit door middel van een omroepzender ter beschikking stelt;

q. omroepnetwerk: elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van de Telecommunicatiewet, dat wordt gebruikt om, hoofdzakelijk met gebruik van kabels, programma's te verspreiden;

r. aanbieder van een omroepnetwerk: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die uitzendcapaciteit door middel van een omroepnetwerk ter beschikking stelt;

s. binnenlandse omroep: publieke omroep en commerciële omroep;

t. publieke omroep: omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep;

u. landelijke omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene publiek in het gehele land;

v. regionale omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene publiek in een provincie;

w. lokale omroep: publieke omroep, bestemd voor het algemene publiek in een gemeente;

x. commerciële omroep: omroep door commerciële omroepinstellingen;

y. Programmastichting: de Nederlandse Programma Stichting, genoemd in artikel 15;

z. Stichting: de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16;

aa. raad van bestuur: de raad van bestuur van de Stichting;

bb. raad van toezicht: de raad van toezicht van de Stichting;

cc. college van omroepen: het college van omroepen van de Stichting;

dd. commerciële omroepinstelling: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een programma verzorgt, met uitzondering van de instellingen die zendtijd hebben verkregen, de Wereldomroep en overheidsinstellingen, en die voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt;

ee. Wereldomroep: de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, genoemd in artikel 76;

ff. Bedrijf: de naamloze vennootschap Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V., genoemd in artikel 83;

gg. toetsbeeld: een stilstaand beeld dat dient om de ontvangst van televisieprogramma's te testen en dat wordt uitgezonden gedurende de tijd dat geen televisieprogramma wordt uitgezonden;

hh. zendtijd: de tijd gedurende welke een instelling met toepassing van de artikelen 39 tot en met 39i of met toepassing van artikel 42 in de gelegenheid wordt gesteld programma's voor landelijke, regionale of lokale omroep uit te doen zenden door middel van een omroepzender;

ii. kanaal: als eenheid aanwezige transmissieruimte op een omroepnetwerk;

jj. reclame-uiting: reclameboodschap, telewinkelboodschap of andere uiting die onmiskenbaar ten gevolge heeft dat het publiek wordt bewogen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig wordt gestemd ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling zodat de verkoop van producten of de afname van diensten wordt bevorderd;

kk. reclameboodschap: boodschap, niet zijnde een telewinkelboodschap, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen;

ll. sponsoren van een programma-onderdeel: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een overheidsbedrijf of particuliere onderneming die zich gewoonlijk niet bezighoudt met omroepactiviteiten of met de vervaardiging van audiovisuele producties, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van een programma-onderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te maken;

mm. sponsor: het overheidsbedrijf dat, of de particuliere onderneming die een programma-onderdeel sponsort;

nn. sponsorbijdrage: de door een sponsor verstrekte bijdrage;

oo. faciliteiten: het geheel van personele en materiële middelen ten behoeve van de realisering van programma's;

pp. evenement: een tevoren georganiseerde publieke gebeurtenis op het terrein van sport en cultuur;

qq. sportwedstrijd: een wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd, georganiseerd door of onder auspiciën van de door het NOC*NSF erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare internationale, al dan niet overkoepelende sportorganisaties, dan wel een andere wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd van een sport die door het NOC*NSF als sport is aangemerkt;

rr. politieke partij: een politieke partij als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet subsidiëring politieke partijen;

ss. uitgever van een persorgaan: een rechtspersoon die een persorgaan uitgeeft;

tt. dagbladmarkt: de door het Stimuleringsfonds voor de pers vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste zes keer per week verschijnen;

uu. nieuwsbladmarkt: de door het Stimuleringsfonds voor de pers vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste één keer en maximaal vijf keer per week verschijnen;

vv. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

ww. Europese richtlijn: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lid-staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298);

xx. telewinkelboodschap: boodschap in een televisieprogramma die bestaat uit een rechtstreekse aanbieding aan het publiek met het oog op de levering tegen betaling van producten of diensten;

yy. een open net: een televisieprogrammanet, waarop televisieprogramma's voor algemene omroep worden uitgezonden, met een bereik van ten minste 75% van alle huishoudens in Nederland, waarvoor geen andere kosten verschuldigd zijn dan:

– het tarief dat een aanbieder van een omroepnetwerk aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in rekening brengt voor de ontvangst van een door de aanbieder met inachtneming van artikel 82i vast te stellen aantal programma's; of

– de kosten van aankoop of gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma's mogelijk maken;

zz. netredactie: de netredactie van een televisie- of radioprogrammanet, bedoeld in artikel 40d.

 

Artikel 2 [Vervallen per 15-12-1998]

Artikel 3

Onder reclame-uiting als bedoeld in artikel 1, onderdeel jj, wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan, of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig, levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor zover deze niet betrekking hebben op het kopen van een bepaald produkt of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, die in de handel verkrijgbaar is.

Artikel 4

1. Onder de bevoegdheid van Nederland vallen omroepinstellingen die een televisieprogramma verzorgen en krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder die Nederlandse bevoegdheid vallen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een omroepinstelling die een radioprogramma verzorgt met dien verstande dat in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland valt een omroepinstelling die een radioprogramma verzorgt dat in Nederland door middel van een omroepzender, satellieten daaronder niet begrepen, wordt uitgezonden.

Artikel 5 [Vervallen per 15-12-1998]

Artikel 6 [Vervallen per 22-11-1995]

Artikel 7 [Vervallen per 22-11-1995]

Artikel 8 [Vervallen per 22-11-1995]

Hoofdstuk II. Het Commissariaat voor de Media

Artikel 9

Er is een Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Hilversum.

Artikel 10

1. Het Commissariaat voor de Media bestaat uit een voorzitter en twee of vier andere leden. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen.

2. Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.

3. Met het lidmaatschap van het Commissariaat zijn onverenigbaar:

a. een betrekking in dienst bij een ministerie, of bij een instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat onder de verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is;

b. een lidmaatschap van een der Kamers van de Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

c. een bestuurslidmaatschap bij – of een betrekking in dienst van – een instelling die in aanmerking komt voor zendtijd voor binnenlandse omroep, een commerciële omroepinstelling, het Bedrijf dan wel een uitgever van een persorgaan.

4. Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het Commissariaat wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden van een betrekking die, of een lidmaatschap dat met het lidmaatschap van het Commissariaat onverenigbaar is.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de leden van het Commissariaat en van zijn personeel.

Artikel 11

1. Het Commissariaat voor de Media neemt besluiten bij meerderheid van stemmen. Van besluiten wordt zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling gedaan aan Onze Minister.

2. Het Commissariaat kan slechts met instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen tot het uitvoeren van delen van zijn taak.

3. Het Commissariaat stelt regels ten aanzien van zijn besluitvorming en werkwijze. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 12

1. De kosten van het Commissariaat voor de Media worden door Onze Minister vergoed. Het Commissariaat stelt voor 1 november een begroting vast voor het volgende kalenderjaar. De begroting behoeft de instemming van Onze Minister.

2. Het Commissariaat brengt jaarlijks aan Onze Minister voor 1 september een financieel verslag uit over de eigen organisatie en over het beheer, bedoeld in artikel 170c, vierde lid. Dit verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister.

3. Het Commissariaat stelt de in het tweede lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

4. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 13

1. Besluiten van het Commissariaat voor de Media kunnen gedurende zes weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister, dan wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2. Schorsing van besluiten van het Commissariaat kan slechts plaatsvinden gedurende vier weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister.

3. Een koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 13a

1. Het Commissariaat voor de Media verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2. Indien naar het oordeel van Onze Minister het Commissariaat zijn taken niet of niet naar behoren uitvoert, kan Onze Minister, na overleg met het Commissariaat, de noodzakelijke voorzieningen treffen.

3. Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Artikel 13b

1. Het Commissariaat voor de Media stelt jaarlijks voor 1 juni een verslag op van zijn werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der Staten-Generaal.

2. Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het Commissariaat.

Hoofdstuk III. De publieke omroep

Titel 1. De taak van de publieke omroep

Artikel 13c

1. De publieke omroep heeft tot taak:

a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van een pluriform en kwalitatief hoogstaand aanbod van programma's voor algemene omroep op het gebied van informatie, cultuur, educatie en verstrooiing en deze in ieder geval door middel van omroepzenders te verspreiden naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma's zijn bestemd en voor de ontvangst waarvan geen andere kosten verschuldigd zijn dan de kosten van aankoop of gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken;

b. het verrichten van alle activiteiten met betrekking tot programmaverzorging en uitzending die daartoe nodig zijn;

c. het verzorgen en uitzenden van programma's, bestemd voor landen en gebieden buiten Nederland en voor Nederlanders die buiten de landsgrenzen verblijven.

2. De programma's van de publieke omroep geven op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving en van de onder de bevolking levende interesses en inzichten op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied, en:

a. zijn toegankelijk voor de gehele bevolking in het verzorgingsgebied waarvoor de programma's zijn bestemd;

b. dragen bij aan de ontwikkeling en verspreiding van de pluriformiteit en culturele diversiteit in Nederland;

c. zijn onafhankelijk van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden; en

d. zijn gericht op zowel een breed en algemeen publiek als op bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling.

3. De publieke omroep kan mede invulling geven aan zijn taak, bedoeld in het eerste lid, door tevens te voorzien in andere dan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde wijzen van aanbod en verspreiding van programmamateriaal.

Titel 2. Omroepinstellingen

Afdeling 1. Omroepverenigingen

Artikel 14

1. Een omroepvereniging is een vereniging die voldoet aan de volgende eisen:

a. de vereniging heeft volledige rechtsbevoegdheid;

b. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans hoofdzakelijk ten doel, ter uitvoering van de taak van de publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, op landelijk niveau een programma voor algemene omroep te verzorgen en alle activiteiten met betrekking tot programmaverzorging en uitzending te verrichten die daartoe nodig zijn;

c. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten ten doel in haar programma een bepaalde, in de statuten aangeduide, maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in haar programma te richten op de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften.

2. Voor de toepassing van deze wet worden onder leden van een omroepvereniging verstaan die leden die tenminste zestien jaren oud zijn, in Nederland woonplaats hebben, en hun contributie, die is vastgesteld met inachtneming van artikel 64, hebben voldaan.

Afdeling 2. De Nederlandse Programma Stichting

Artikel 15

1. De Nederlandse Programma Stichting verzorgt een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma’s van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

2. Het bestuur van de Programmastichting bestaat uit een voorzitter en zes andere leden.

3. Onze Minister benoemt de voorzitter en de andere leden van het bestuur. Voor benoeming komen in aanmerking personen die deskundig zijn op het gebied van het programma dat de Programmastichting verzorgt.

4. De leden van het bestuur worden telkens voor een termijn van vier jaren benoemd. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.

5. Naast ontslag op eigen verzoek van een bestuurder is ontslag alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid.

Artikel 15a

1. De Programmastichting heeft een programmaraad, die het bestuur adviseert over het programma dat de Programmastichting verzorgt.

2. De programmaraad bestaat uit een voorzitter en negentien andere leden.

3. Onze Minister benoemt de voorzitter van de programmaraad. De andere leden van de programmaraad worden benoemd door maatschappelijke en culturele organisaties die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen.

4. De leden van de programmaraad worden telkens voor een termijn van vijf jaren benoemd. De leden die in de loop van de vijfjarige termijn zijn benoemd, treden tegelijk met de andere leden af. De leden zijn terstond herbenoembaar.

5. De programmaraad regelt zijn werkzaamheden. Deze regels behoeven de instemming van het bestuur van de Programmastichting.

Artikel 15b

1. Wijzigingen in de statuten van de Programmastichting behoeven de instemming van Onze Minister.

2. Het bestuur van de Programmastichting kan niet besluiten tot ontbinding van de Programmastichting.

Afdeling 3. De Nederlandse Omroep Stichting

§ 1. Taken

Artikel 16

1. De Nederlandse Omroep Stichting is het samenwerkings- en coördinatieorgaan van de landelijke omroep.

2. Naast andere taken die de Stichting heeft op grond van deze wet, is zij belast met:

a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie binnen de landelijke omroep met het oog op de uitvoering van de publieke omroeptaak, bedoeld in artikel 13c;

b. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

c. het verzorgen van een programma;

d. het iedere zes maanden maken van verslagen, waarin de uitgezonden programma-onderdelen van de Stichting, de Programmastichting en de omroepverenigingen zowel per afzonderlijke omroepinstelling, per televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, als voor de genoemde omroepinstellingen gezamenlijk worden opgesomd en ingedeeld overeenkomstig de omschrijvingen, bedoeld in de artikelen 40, tweede en vierde lid, 50, eerste tot en met derde lid, 51, eerste lid, 51b, tweede en derde lid, 51d, tweede lid, 54, eerste tot en met vierde lid, en 54a, eerste en derde lid.

e. de vertegenwoordiging, na overleg met Onze Minister, van de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen en de Wereldomroep als geheel, in internationale organisaties op het gebied van radio- en televisieprogramma’s en het uitzenden daarvan, alsmede de medewerking aan de oprichting van zodanige organisaties;

f. het, na toestemming van Onze Minister, meewerken aan een Europees televisieprogramma, dat mede op het Nederlandse publiek is gericht, in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen;

g. het ter beschikking stellen van programma’s aan het buitenland;

h. het behartigen van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

i. het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

j. het opstellen van een begroting als bedoeld in artikel 99;

k. het in samenwerking met de Wereldomroep binnen de grenzen van de de begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, mede in naam van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen;

l. het in samenwerking met de Wereldomroep vaststellen van normen voor de honorering van losse medewerkers, mede in naam van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen;

m. de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, waaronder het bevorderen van een doelmatige inzet van de door Onze Minister beschikbaar gestelde bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid;

n. het inrichten, instandhouden, beheren en het regelen van het gebruik van organen, diensten en hulpmiddelen, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de onder a tot en met m genoemde taken, voor zover dit niet behoort tot de in artikel 83 bedoelde taak van het Bedrijf.

3. De verslagen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden gezonden aan het Commissariaat voor de Media.

4. De Stichting is bevoegd om binnen het kader van haar taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel h, in naam van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, overeenkomsten met derden aan te gaan.

5. In het kader van haar taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel h, draagt de Stichting zorg voor de totstandkoming van een gedragscode ter bevordering van goed bestuur en integriteit ten behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. Een gedragscode als bedoeld in de eerste volzin heeft in elk geval betrekking op:

a. aanbevelingen terzake van bestuurlijke organisatie, waaronder beloningen en toezicht;

b. gedragsregels terzake van integer handelen;

c. gedragsregels terzake van publieke en transparante verantwoording en verslaglegging;

d. procedures voor de behandeling van meldingen en vermoedens over mogelijke misstanden; en

e. toezicht en naleving van de gedragscodes.

Artikel 17

De Stichting verzorgt het teletekstprogramma voor landelijke omroep.

§ 2. De organisatie

Artikel 18

De Stichting heeft drie organen: een raad van toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.

Artikel 18a

1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en zes andere leden.

2. De voorzitter en de andere leden worden benoemd bij koninklijk besluit.

Ten aanzien van één van de andere leden kunnen de ondernemingsraden van de Stichting, de Programmastichting en de omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen gezamenlijk personen voor benoeming aanbevelen.

3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van 5 jaar. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.

4. Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met:

a. het lidmaatschap van het college van omroepen;

b. het lidmaatschap van de raad van bestuur;

c. het lidmaatschap van een netredactie;

d. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een instelling die zendtijd heeft verkregen;

e. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële omroepinstelling;

f. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;

g. het werkzaam zijn bij een ministerie of bij een instelling, een dienst of een bedrijf, ressorterende onder de verantwoordelijkheid van een minister;

h. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

5. De raad van toezicht kan leden van het Commissariaat voor de Media uitnodigen vergaderingen van de raad van toezicht bij te wonen.

Artikel 18b

1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken in de Stichting.

De raad van toezicht staat de raad van bestuur met advies terzijde. Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke omroep.

2. De raad van toezicht is voorts belast met:

a. het vaststellen van de jaarrekening;

b. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van de raad van bestuur.

3. De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht:

a. het vaststellen van het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste en derde lid;

b. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 30b, zevende lid;

c. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 99;

d. het vaststellen van het jaarverslag, bedoeld in artikel 23a;

e. investeringen die een in de statuten vastgesteld bedrag te boven gaan;

f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de Stichting met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de Stichting of voor andere instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

g. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers;

h. ingrijpende wijziging in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.

4. De raad van bestuur en de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep verstrekken aan de raad van toezicht desgevraagd en tijdig alle voor de uitvoering van diens taak benodigde inlichtingen.

Artikel 18c

1. Het college van omroepen bestaat uit een voorzitter en een aantal andere leden.

2. Het college van omroepen heeft tot taak de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over het programmabeleid van de landelijke publieke omroep.

3. Het college van omroepen is als volgt samengesteld:

a. omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die een erkenning hebben verkregen, alsmede de Programmastichting benoemen elk één lid;

b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, benoemen gezamenlijk één lid;

c. de programmadirecteur van de Stichting, genoemd in artikel 19a, vierde lid, is lid met raadgevende stem.

4. De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen kunnen elk één waarnemer in het college van omroepen aanwijzen.

5. Het lidmaatschap van het college van omroepen is onverenigbaar met:

a. het lidmaatschap van de raad van bestuur; en

b. het lidmaatschap van een netredactie.

6. Het college van omroepen wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

7. Het college van omroepen regelt zijn eigen werkwijze.

8. Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de programmadirecteur van de Stichting, genoemd in artikel 19a, vierde lid.

Artikel 19

1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. De voorzitter en de andere leden zijn in dienst van de Stichting.

2. De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht. Beslissingen van de raad van toezicht tot benoeming behoeven de instemming van Onze Minister.

3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

4. De raad van toezicht stelt de arbeidsvoorwaarden van de leden van de raad van bestuur vast.

5. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is onverenigbaar met:

a. het lidmaatschap van een orgaan van, en een dienstbetrekking bij, een instelling die zendtijd heeft verkregen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame;

b. het lidmaatschap van een netredactie.

6. De raad van bestuur regelt zijn eigen werkwijze.

7. Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

Artikel 19a

1. Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de Stichting, waaronder de verzorging van haar programma;

b. het sluiten van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 30b, zevende lid;

c. het vaststellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste lid;

d. het vaststellen van het tussentijds concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, derde lid;

e. het vaststellen van de netprofielen van de landelijke televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanetten, inhoudende de programmatische uitgangspunten van een herkenbare programmering op de onderscheiden televisie- en radioprogrammanetten als bedoeld in artikel 40, tweede en vierde lid, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en radioprogrammanetten;

f. het vaststellen van een reglement voor de coördinatie van de programma-onderdelen voor televisie, onderscheidenlijk voor radio, op en tussen de verschillende programmanetten;

g. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

h. het vaststellen van nadere regelingen ter uitvoering van de wettelijke taken van de Stichting, met uitzondering van de taken, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdelen c en f.

2. De raad van bestuur vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte. De statuten van de Stichting kunnen de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, bedoeld in de vorige volzin, bovendien toekennen aan een of meer leden van de raad van bestuur of aan anderen.

3. De raad van bestuur is voorts belast met alles wat niet uitdrukkelijk tot de taak of bevoegdheid van de raad van toezicht behoort.

4. Ten behoeve van de verzorging van het programma van de Stichting benoemt de raad van bestuur een programmadirecteur. De programmadirecteur is in dienst van de Stichting. De functie van programmadirecteur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht en van de raad van bestuur.

Artikel 19b

1. De raad van bestuur gaat geen overeenkomsten als bedoeld in artikel 16, vierde lid, aan en neemt de besluiten, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen b tot en met e, niet dan nadat het college van omroepen in de gelegenheid is gesteld daarover binnen een daartoe door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn zijn zienswijze te geven.

2. Het uitblijven van een zienswijze na het verstrijken van de termijn staat aan het aangaan van de desbetreffende overeenkomst of het nemen van het desbetreffende besluit door de raad van bestuur niet in de weg.

3. Indien uit de zienswijze van het college van omroepen blijkt dat hij niet instemt met (belangrijke onderdelen van) een voorgenomen overeenkomst of een voorgenomen besluit en de raad van bestuur zijn voornemen ongewijzigd wenst te handhaven, legt de raad van bestuur de voorgenomen overeenkomst dan wel het door de raad van bestuur vastgestelde besluit tezamen met de zienswijze van het college van omroepen ter instemming voor aan de raad van toezicht.

Artikel 20

Het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, bevat in ieder geval:

a. een regeling inzake de voorbereiding van de zendtijdindeling door de raad van bestuur;

b. een nadere regeling inzake de coördinatie van programma-onderdelen op en tussen de verschillende programmanetten, gericht op een evenwichtig programma-aanbod voor publieksgroepen van verschillende omvang en samenstelling, gespreid over de verschillende programmanetten, rekening houdend met de netprofielen van de onderscheiden programmanetten;

c. een regeling die beoogt tegen te gaan dat op hetzelfde tijdstip op verschillende programmanetten gelijksoortige programma-onderdelen worden uitgezonden;

d. een regeling die beoogt te bevorderen dat op hetzelfde tijdstip op verschillende programmanetten nieuwe programma-onderdelen beginnen;

e. een regeling inzake het verwijzen naar programma-onderdelen op andere programmanetten;

f. een nadere regeling inzake de uitoefening van de bevoegdheid van de raad van bestuur om in het kader van de coördinatie, bedoeld in onderdeel b, de beoogde uitzenddag of het beoogde uitzendtijdstip van een programma-onderdeel te wijzigen of een programmaonderdeel niet op te nemen in het uitzendschema;

g. de vaststelling van het in artikel 40d, eerste lid, onderdeel b, bedoelde deel van de zendtijd tussen 16.00 uur en 24.00 uur;

h. een nadere regeling inzake de wijze waarop het totstandkomen van afspraken als bedoeld in artikel 40, zesde lid, wordt bevorderd.

§ 3. Overige bepalingen

Artikel 21

1. Onverminderd artikel 48, zijn de volgende besluiten van de raad van bestuur bindend voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor zover deze besluiten hen aangaan:

a. de besluiten omtrent het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

b. de besluiten omtrent de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

c. de besluiten omtrent vaststelling van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f;

d. de besluiten omtrent de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

e. de besluiten omtrent vaststelling van een nadere regeling als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel h;

f. de besluiten omtrent de toepassing van artikel 22;

g. de besluiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 40, vijfde en zevende lid, 50, negende lid, 51, tweede lid, 54, zevende lid, en 54a, vierde lid, voor zover niet reeds vallend onder de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.

2. De raad van bestuur ziet erop toe dat de besluiten, bedoeld in het eerste lid, worden nageleefd.

Artikel 22

De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting zijn bevoegd inlichtingen te verlangen van instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 23

1. De Stichting verstrekt Onze Minister alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Stichting.

2. Onze Minister kan inzage verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden van de Stichting, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 23a

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 mei een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar. In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Stichting, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

2. De raad van bestuur zendt het verslag aan Onze Minister en stelt het algemeen verkrijgbaar.

Artikel 24

1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting behoeven de instemming van Onze Minister.

2. De raad van bestuur kan niet besluiten tot ontbinding van de Stichting.

Afdeling 4. Educatieve omroepinstellingen

Artikel 25

1. Een educatieve omroepinstelling is een instelling die voldoet aan de volgende eisen:

a. zij is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

b. zij stelt zich uitsluitend ten doel het verzorgen van een breed en samenhangend educatief programma op het gebied van onderwijs, scholing en vorming;

c. zij heeft blijkens de statuten een bestuur, dat zodanig is samengesteld dat deskundigen uit de kring van representatieve landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en vorming daarin zitting hebben; en

d. zij in de statuten een regeling heeft opgenomen die voorziet in de instelling van een programmaraad die het programmabeleid bepaalt. De programmaraad heeft een zodanige samenstelling dat deze voorziet in representatieve vertegenwoordiging van maatschappelijke en levensbeschouwelijk organisaties op het terrein van onderwijs, scholing en vorming.

2. De statuten alsmede wijzigingen daarvan behoeven de instemming van Onze Minister.

Afdeling 5. De Stichting Etherreclame

Artikel 26

1. De Stichting Etherreclame verzorgt een programma voor algemene omroep dat bestaat uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.

2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.

3. De leden van het bestuur worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de Stichting. Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.

4. Onze Minister kan twee waarnemers aanwijzen. Deze waarnemers hebben in het bestuur een raadgevende stem.

Artikel 27

1. Het bestuur van de Stichting Etherreclame stelt de tarieven vast voor het door haar in haar programma opnemen van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.

2. Een besluit tot vaststelling van de tarieven wordt terstond aan Onze Minister medegedeeld.

3. Binnen één maand na ontvangst van het besluit kan Onze Minister het besluit geheel of ten dele vernietigen. Bij dit besluit kan Onze Minister zelf de tarieven vaststellen, dan wel bepalen dat het bestuur van de Stichting Etherreclame opnieuw ter zake een besluit neemt met inachtneming van het besluit van Onze Minister.

4. Ter zake van het nieuwe besluit van het bestuur van de Stichting Etherreclame zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

De inkomsten die de Stichting Etherreclame verwerft stelt zij, na aftrek van haar door Onze Minister goedgekeurde uitgaven, ter beschikking van Onze Minister. De afgedragen inkomsten dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:

a. de vergoedingen aan instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen;

b. de Wereldomroep;

c. het Europees programma, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel f;

d. de uitkering uit de inkomsten van de Stichting Etherreclame ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers als bedoeld in artikel 128;

e. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering ten aanzien van radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag;

f. het Commissariaat voor de Media;

g. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie;

h. uitkeringen door Onze Minister aan het fonds, bedoeld in artikel 170;

i. vergoedingen aan het Bedrijf ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 83;

j. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van een omroeparchief;

k. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek;

l. een door Onze Minister aan te wijzen overlegorgaan van lokale omroepinstellingen en bijdragen aan regionale en lokale omroep ten behoeve van minderhedenprogrammering;

m. een landelijk orgaan dat informatie verstrekt en anderszins ondersteuning biedt aan de programmaraden, bedoeld in artikel 82k, eerste lid.

Artikel 28a

1. De Stichting Etherreclame doet jaarlijks voor 1 augustus aan Onze Minister een opgave toekomen van de inkomsten die zij naar verwachting in het volgende kalenderjaar zal verwerven. Zij doet bovendien jaarlijks voor 1 september aan Onze Minister een opgave toekomen van de inkomsten die zij naar verwachting in het lopende kalenderjaar zal verwerven.

2. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat voor de Media, de Stichting en de Wereldomroep.

Artikel 29

1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting Etherreclame behoeven de instemming van Onze Minister.

2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame kan niet besluiten tot ontbinding van de stichting.

Afdeling 6. Lokale en regionale omroepinstellingen

Artikel 30

Een lokale, onderscheidenlijk regionale omroepinstelling, is een instelling die voldoet aan de volgende eisen:

a. zij is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

b. zij stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans hoofdzakelijk ten doel, ter uitvoering van de taak van de publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, op lokaal, onderscheidenlijk regionaal niveau een programma voor algemene omroep te verzorgen en alle activiteiten met betrekking tot programmaverzorging en uitzending te verrichten die daartoe nodig zijn. Het programma is in zodanige mate gericht op de bevrediging van de in de gemeente of provincie, of een deel van de provincie waarop de omroepinstelling zich richt, levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften, dat de instelling geacht kan worden van algemeen nut te zijn; en.

c. zij heeft op grond van de statuten een orgaan dat het programmabeleid bepaalt. Dit orgaan heeft een zodanige samenstelling dat het representatief is voor de belangrijkste in de gemeente of provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. De leden van dit orgaan worden op voordracht van de omroep benoemd door het College van Burgemeester en Wethouders, respectievelijk Gedeputeerde Staten.

Titel 3. De landelijke omroep

§ 1. Concessieverlening voor landelijke omroep

Artikel 30a

1. Ten behoeve van de verwezenlijking van de in artikel 13c, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede en derde lid, bedoelde taak van de publieke omroep op landelijk niveau wordt aan de Stichting een concessie voor landelijke omroep verleend.

2. De concessie wordt op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit telkens verleend voor een periode van 10 jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

3. Indien de Stichting zijn uit de wet voortvloeiende taak ernstig verwaarloost, kunnen, gehoord de Stichting, bij algemene maatregel van bestuur voorzieningen worden getroffen.

Artikel 30b

1. Ten behoeve van de concessieverlening doet de Stichting een concessiebeleidsplan voor de landelijke omroep toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister.

2. In het concessiebeleidsplan is in elk geval opgenomen:

a. de wijze waarop met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet gedurende de concessieperiode door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk en individueel invulling wordt gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die betrekking hebben op het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke omroep;

b. een overzicht van de daartoe naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en

c. de wijze van samenwerking met de Wereldomroep.

3. Gedurende de concessieperiode doet de Stichting voor het verstrijken van een periode van vijf jaren een tussentijds concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaren toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het tussentijds concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister.

4. Het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden door de raad van bestuur opgesteld na overleg met de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en voorzover het de samenwerking met de Wereldomroep betreft, de Wereldomroep.

5. Over het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tijdstip waarop het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan moeten worden ingediend.

7. Mede op basis van het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden de doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep vastgelegd in een prestatieovereenkomst tussen Onze Minister en de Stichting. De duur van de prestatieovereenkomst is gelijk aan de periode waarvoor de erkenningen en voorlopige erkenningen, bedoeld in de artikelen 31 en 37, zijn verleend.

8. De prestatieovereenkomst regelt voorts de maatregelen bij niet naleving van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en bevat een procedure die voorziet in tussentijdse wijziging indien veranderde inzichten of omstandigheden dat gewenst maken.

9. De in het zevende lid bedoelde prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van programma's of programmaonderdelen.

Artikel 30c

1. Gedurende de concessieperiode draagt de Stichting zorg voor een regelmatige beoordeling van de wijze waarop door de Stichting en de overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep uitvoering wordt gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep. Een beoordeling als bedoeld in de vorige volzin vindt in elk geval plaats telkens voor afloop van een periode van vijf jaar.

2. Ter uitvoering van het eerste lid stelt de Stichting telkens een commissie in, die bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen. Bij de samenstelling van de commissie draagt de Stichting er zorg voor dat deze zoveel mogelijk representatief is voor het kijk- en luisterpubliek.

3. De leden van de commissie worden op voordracht van de raad van bestuur en gehoord Onze Minister benoemd door de raad van toezicht. Een commissie wordt ingesteld en de leden worden benoemd voor de duur van de werkzaamheden van de commissie.

4. Een commissie als bedoeld in het tweede lid heeft tot taak de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep te beoordelen. Daartoe rapporteert de commissie in elk geval over:

a. de wijze waarop de Stichting en de overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk via het programma-aanbod invulling hebben gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep;

b. de wijze waarop de afzonderlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van de taakopdracht van de landelijke omroep;

c. de mate waarin met het programma-aanbod is voldaan aan de interesses en inzichten van het algemene publiek, alsmede van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen;

d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling of die door Onze Minister zijn aangegeven.

5. De commissie kan aanbevelingen doen voor de volgende periode van vijf jaar omtrent de taakopdracht en doelstellingen van de landelijke omroep en de wijze waarop daaraan uitvoering kan worden gegeven.

6. De commissie brengt van zijn werkzaamheden en bevindingen voor 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de periode waarvoor de concessie, bedoeld in artikel 30a en de erkenningen, bedoeld in artikel 31, zijn verleend eindigt, een rapport uit en zendt dit aan de raad van toezicht.

7. De raad van toezicht maakt het rapport openbaar.

§ 2. Erkenning van omroepinstellingen voor programmaverzorging voor landelijke omroep

Artikel 31

1. Voor programmaverzorging voor landelijke omroep kan Onze Minister omroepverenigingen en één educatieve omroepinstelling erkennen.

2. Erkenningen worden eenmaal in de vijf jaren verleend voor een, voor alle erkende omroepinstellingen tegelijk aanvangende periode van vijf jaren, met dien verstande dat het tijdstip waarop de erkenningen in werking treden samenvalt met het tijdstip waarop de concessie, bedoeld in artikel 30a, in werking treedt, dan wel met het tijdstip waarop de vijfjaarlijkse perioden, bedoeld in artikel 30b, derde lid, aanvangen.

3. Een omroepvereniging komt slechts in aanmerking voor een erkenning, indien:

a. de omroepvereniging in het jaar voorafgaande aan de periode van erkenning, zendtijd als omroepvereniging heeft gehad; en

b. door het Commissariaat voor de Media is vastgesteld dat de omroepvereniging ten minste 150 000 leden heeft.

4. Een erkenning geeft aan de erkende omroepinstelling gedurende de periode waarvoor erkenning is verleend recht op zendtijd en een financiële bijdrage voor de verzorging van het programma.

5. Een erkende omroepinstelling is verplicht gedurende de periode waarvoor erkenning is verleend een televisie- en een radioprogramma voor landelijke omroep te verzorgen.

Artikel 32

1. Een erkenning wordt op aanvraag verleend en heeft betrekking op de verzorging van zowel televisie- als radioprogramma's. De aanvraag wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media, die deze voorzien van zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister zendt.

2. Een aanvraag voor een erkenning gaat vergezeld van een beleidsplan. Een aanvraag van een omroepvereniging bevat tevens een opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.

3. Het beleidsplan, bedoeld in het tweede lid, bevat in elk geval het voorgenomen programmabeleid van de omroepinstelling, met inachtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen ten aanzien van de programma's voor landelijke omroep, alsmede de voornemens en afspraken met betrekking tot de samenwerking met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de Stichting of de Programmastichting, mede in het licht van de uitvoering van de taak van de publieke omroep, bedoeld in artikel 13c, de concessie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, en de daaraan verbonden voorschriften en aanwijzingen. Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op de samenwerking met andere aanvragers, de Stichting of de Programmastichting, kan door de desbetreffende aanvragers, onderscheidenlijk door de desbetreffende aanvragers in overeenstemming met de Stichting of de Programmastichting, gezamenlijk worden ingediend.

4. De vaststelling van het aantal leden door het Commissariaat geschiedt op een door Onze Minister te bepalen peildatum.

5. Het Commissariaat kan nadere regels stellen omtrent de gegevens die door de omroepverenigingen ten behoeve van de vaststelling van het aantal leden ter beschikking worden gesteld, de wijze waarop deze gegevens ter beschikking worden gesteld, en de wijze waarop de vaststelling geschiedt.

Artikel 33

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het beleidsplan, bedoeld in artikel 32, tweede lid, het tijdstip waarop en de wijze waarop aanvragen voor een erkenning worden ingediend, de terinzagelegging van de aanvragen en de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen.

Artikel 34

Alvorens op de ingediende aanvragen voor een erkenning of voorlopige erkenning te beslissen vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur.

Artikel 34a [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 34b [Vervallen per 17-02-1999]

Artikel 35 [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 36

1. Een aanvraag voor een erkenning wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de artikelen 14, eerste lid, 25 of 31, derde lid.

2. Een aanvraag voor een erkenning kan daarnaast slechts worden afgewezen, indien:

a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens de artikelen 32, tweede tot en met vijfde lid, en 33 gesteld vereiste;

b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij zendtijd heeft gehad, niet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zal houden; of

c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:

1°. indien het een omroepvereniging betreft in het programmabeleid de identiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt;

2°. het programma voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen;

3°. de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, bestaat.

3. Een aanvraag voor een erkenning van een omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen en aansluitend voor een erkenning in aanmerking wenst te komen, kan tevens worden afgewezen, indien gedurende de periode waarvoor een voorlopig erkenning is verkregen, onvoldoende is gebleken dat het programma voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 37a, eerste lid.

Artikel 36a

1. Indien een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling die een erkenning heeft verkregen, tijdens de periode waarvoor erkenning is verleend wijzigingen wil aanbrengen in zijn beleidsplan, brengt hij de voorgenomen wijzigingen ter kennis van Onze Minister.

2. De wijzigingen kunnen worden aangebracht, indien Onze Minister niet binnen acht weken nadat hij van de voorgenomen wijzigingen in kennis is gesteld, daartegen bedenkingen heeft ingebracht.

3. Onze Minister brengt uitsluitend bedenkingen in tegen voorgenomen wijzigingen, indien hij een aanvraag voor een erkenning, vergezeld van het beleidsplan zoals het zou luiden na het aanbrengen van de voorgenomen wijzigingen, zou hebben afgewezen op een of meer van de gronden, bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c.

Artikel 36b

1. Onze Minister trekt een erkenning in, indien de omroepvereniging respectievelijk de educatieve omroepinstelling niet meer voldoet aan artikel 14, eerste lid, respectievelijk artikel 25.

2. Onze Minister kan een erkenning intrekken, indien het Commissariaat aan de omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling binnen een periode van een jaar ten minste tweemaal terzake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet een sanctie heeft opgelegd, waaronder ten minste eenmaal een sanctie als bedoeld in artikel 46, eerste lid.

3. Indien aan een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als bedoeld in artikel 103a is opgelegd, dan wel indien een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, kan de raad van bestuur Onze Minister verzoeken de erkenning in te trekken.

Artikel 36c [Vervallen per 01-09-2000]

§ 3. Voorlopige erkenning van omroepverenigingen voor programmaverzorging voor landelijke omroep

Artikel 37

1. Voor programmaverzorging voor landelijke omroep kan Onze Minister omroepverenigingen voorlopig erkennen.

2. Voorlopige erkenningen worden eenmaal in de vijf jaren verleend voor een, voor alle voorlopig erkende omroepverenigingen tegelijk aanvangende, periode van vijf jaren, samenvallend met de erkenningsperiode, bedoeld in artikel 31, tweede lid.

3. Een omroepvereniging komt slechts in aanmerking voor een voorlopige erkenning, indien:

a. de omroepvereniging geen erkenning als bedoeld in artikel 31 heeft verkregen; en

b. door het Commissariaat voor de Media is vastgesteld dat de omroepvereniging ten minste 50 000 leden heeft.

4. Artikel 31, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37a

1. Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor een voorlopige erkenning, met dien verstande dat uit het beleidsplan tevens dient te blijken dat het programma dat de omroepvereniging voornemens is te verzorgen, naar inhoud en strekking zodanig afwijkt van de door de omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen verzorgde programma's, dat het de verscheidenheid in de landelijke omroep vergroot en daarmee een vernieuwende bijdrage levert aan de verwezenlijking van de taakopdracht van de landelijke omroep.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van het beleidsplan, het tijdstip waarop en de wijze waarop aanvragen voor een voorlopige erkenning worden ingediend, de terinzagelegging van de aanvragen en de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen.

Artikel 37b

1. Een aanvraag voor een voorlopige erkenning wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 14, eerste lid, en 37, derde lid.

2. Een aanvraag voor een voorlopige erkenning kan daarnaast slechts worden afgewezen, indien:

a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens artikel 37a gesteld vereiste;

b. aannemelijk is dat de aanvrager zich niet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zal houden; of

c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende blijkt dat in het programmabeleid de identiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt, het programma voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen of de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, bestaat.

 

Artikel 37c [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 37d [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 37e [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 38

De artikelen 36a en 36b zijn van overeenkomstige toepassing op omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, met dien verstande dat bedenkingen als bedoeld in artikel 36a, derde lid, tegen voorgenomen wijzigingen in het beleidsplan van een omroepvereniging die een voorlopige erkenning heeft verkregen, uitsluitend kunnen worden ingebracht indien een aanvraag voor een voorlopige erkenning zou zijn afgewezen op een of meer van de gronden, bedoeld in artikel 37b, tweede lid, onderdelen a en c.

Titel 4. De zendtijd en de programmanetten

Afdeling 1. Landelijke Omroep

§ 1. Beschikbaarstelling en toewijzing van zendtijd

Artikel 39

1. De omroepverenigingen die een erkenning hebben verkregen, hebben jaarlijks de beschikking over de volgende hoeveelheid zendtijd:

a. omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij 300 000 of meer leden hebben: 650 uren voor televisie en 3000 uren voor radio;

b. omroepverenigingen waarvan het Commissariaat bij de erkenningverlening heeft vastgesteld dat zij ten minste 150 000, doch minder dan 300 000 leden hebben: 325 uren voor televisie en 1500 uren voor radio.

2. De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, hebben jaarlijks de beschikking over 100 uren zendtijd voor televisie en 450 uren zendtijd voor radio.

3. De educatieve omroepinstelling die een erkenning heeft verkregen, heeft jaarlijks de beschikking over 500 uren zendtijd voor televisie en 475 uren zendtijd voor radio.

4. De omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling zijn gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kan het aantal uren zendtijd voor televisie, onderscheidenlijk radio, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden herzien indien het aantal omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning hebben verkregen, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 39a

1. De Programmastichting heeft per jaar de beschikking over 650 uren zendtijd voor televisie en 3000 uren zendtijd voor radio.

2. De Programmastichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 39a1

1. De Stichting heeft per jaar de beschikking over 1.300 uren zendtijd voor televisie en 1.500 uren zendtijd voor radio.

2. De Stichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het eerste lid.

3. De Stichting heeft tevens, met uitsluiting van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen, de beschikking over zendtijd voor een teletekstprogramma voor landelijke omroep. Deze zendtijd is gelijk aan de tijd dat door middel van de desbetreffende omroepzenders het programma van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, of een toetsbeeld wordt uitgezonden.

4. In afwijking van het derde lid, is het toegestaan dat de Stichting Etherreclame, met inachtneming van artikel 39b, een deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma voor landelijke omroep gebruikt.

Artikel 39b

De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de totale gebruikte zendtijd voor landelijke omroep. Dit percentage is niet hoger dan tien en kan verschillen voor televisie en voor radio.

Artikel 39c

1. Onze Minister stelt jaarlijks vast hoeveel zendtijd voor landelijke televisie-omroep, onderscheidenlijk radio-omroep, beschikbaar is voor de instellingen die in aanmerking komen voor toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep door het Commissariaat voor de Media overeenkomstig de artikelen 39f tot en met 39h.

2. Het Commissariaat voor de Media wijst de zendtijd, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks toe.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de periode waarin en de wijze waarop aanvragen voor toewijzing van zendtijd worden ingediend, de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen, en het tijdstip waarop de toewijzing van zendtijd in werking treedt.

Artikel 39d [Vervallen per 01-02-1998]

Artikel 39e [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 39f

1. Het Commissariaat voor de Media kan eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren zendtijd voor landelijke omroep toewijzen aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, dan wel aan rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken. De zendtijd vervalt na afloop van deze periode.

2. De kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, zijn gerechtigd de verzorging van hun programma’s op te dragen aan hetzij de Stichting, hetzij een omroepvereniging die zendtijd heeft verkregen, hetzij een door hen in het leven geroepen orgaan.

Artikel 39g

1. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor landelijke omroep toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden verkiezing van de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.

2. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor landelijke omroep toe aan politieke partijen die in alle kieskringen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal deelnemen, alsmede aan politieke partijen die in Nederland aan de verkiezing van leden van het Europees Parlement deelnemen. In afwijking van artikel 39c, tweede lid, wordt deze zendtijd niet jaarlijks toegewezen, doch uitsluitend in een door het Commissariaat te bepalen periode, onmiddellijk voorafgaande aan de dag die in Nederland voor de desbetreffende verkiezing is vastgesteld.

3. Indien een politieke partij op grond van de artikelen 137c, d, e, f, of g, of artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, wijst het Commissariaat voor de Media, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen zendtijd toe gedurende een periode die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze periode is:

a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;

b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250;

c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en

d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.

4. Indien aan de lijst van een politieke partij aan de lijst waarvan op de dag waarop de veroordeling, bedoeld in het derde lid, onherroepelijk wordt, op grond van de Kieswet geen zetels zijn toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden toegewezen, gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij geen zendtijd als bedoeld in het eerste lid wordt toegewezen, in op de dag waarop de verkiezing heeft plaatsgevonden.

5. Na een veroordeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de politieke partij, zo nodig in afwijking van het derde lid, onder a, in ieder geval geen zendtijd als bedoeld in het tweede lid toegewezen binnen twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.

Artikel 39h

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President na overleg met Onze Minister, regels gesteld met betrekking tot het toewijzen van zendtijd voor landelijke omroep door het Commissariaat voor de Media ten behoeve van overheidsvoorlichting. Bij deze algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat, in afwijking van artikel 39a1, derde lid, daarvoor ook een deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma voor landelijke omroep kan worden toegewezen.

2. De zendtijd wordt toegewezen aan de ministers voor het gebruik door overheidsinstellingen of personen die daartoe door hen zijn aangewezen.

Artikel 39i

1. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doeleinden zendtijd toewijzen boven de zendtijd, bedoeld in artikel 39c, eerste lid.

2. Over de met toepassing van het eerste lid toegewezen zendtijd bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, derde lid.

§ 2. De televisie- en radioprogrammanetten

Artikel 40

1. Voor landelijke televisie-omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen, zijn gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 30a, tweede lid, drie televisieprogrammanetten beschikbaar: TV 1, 2 en 3.

2. De programmering op de onderscheiden televisieprogrammanetten omvat onderdelen van culturele, educatieve, informatieve en verstrooiende aard en bevat in elk geval programma-onderdelen die bestaan uit nieuws en actualiteiten. De programmering richt zich tevens op programma-onderdelen of bevolkings- en leeftijdsgroepen voor zover die met betrekking tot de televisieprogrammanetten zijn aangegeven bij of krachtens het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid, onderdeel a, 19a, eerste lid, onderdeel e, 30a en 30b. De programmering is voorts zodanig dat op de onderscheiden televisieprogrammanetten een herkenbare programmering wordt bereikt.

3. Voor landelijke radio-omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen, zijn gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 30a, tweede lid, vijf radioprogrammanetten beschikbaar: Radio 1, 2, 3, 4 en 5.

4. De programmering op de radioprogrammanetten omvat onderdelen van culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard en bevat in elk geval programma-onderdelen die bestaan uit nieuws en actualiteiten en een gevarieerd aanbod van muziek. De programmering richt zich op programma-onderdelen en bevolkingsen leeftijdsgroepen voor zover die met betrekking tot de radioprogrammanetten zijn aangegeven bij of krachtens het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid, onderdeel a, 19a, eerste lid, onderdeel e, 30a en 30b. De programmering is voorts zodanig dat op de onderscheiden radioprogrammanetten een herkenbare programmering wordt bereikt.

5. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat de op de televisie- en radioprogrammanetten uit te zenden programma-onderdelen passen binnen het kader dat bij of krachtens het bepaalde in de artikelen 13c, 18b, tweede lid, onderdeel a, 19a, eerste lid, onderdeel e, 30a, 30b, en dit artikel voor het desbetreffende programmanet wordt aangegeven.

6. Ten behoeve van de in het vijfde lid bedoelde taak bevordert de raad van bestuur dat voor de onderscheiden televisie- en radioprogrammanetten afspraken tussen de Stichting en de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die betrekking hebben op het programma-aanbod en het publieksbereik op de onderscheiden programmanetten, alsmede de wederzijdse inspanningen en bijdragen ten behoeve van de programmering op de programmanetten.

Artikel 40a [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 40b [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 40c [Vervallen per 01-09-2005]

Artikel 40d

1. Ten behoeve van de coördinatie op een televisieprogrammanet wordt de raad van bestuur bijgestaan door een netredactie die als volgt is samengesteld:

a. de instellingen, wier zendtijd voor televisie krachtens artikel 41b, eerste lid, onderdelen a en b, is ingedeeld op het desbetreffende programmanet benoemen elk één lid;

b. de instellingen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, de politieke partijen en de overheid, van wie een bij het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, te bepalen belangrijk deel van de zendtijd tussen 16.00 uur en 24.00 uur is ingedeeld op het desbetreffende programmanet benoemen elk één lid;

c. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, wier zendtijd is ingedeeld op het desbetreffende programmanet, benoemen gezamenlijk één lid.

2. Ten behoeve van de coördinatie op een radioprogrammanet wordt de raad van bestuur bijgestaan door een netredactie die bestaat uit een aantal leden dat gelijk is aan het aantal instellingen wier zendtijd op het desbetreffende programmanet is ingedeeld, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, de politieke partijen en de overheid. Iedere instelling benoemt één lid, met uitzondering van de instellingen, genoemd in de vorige volzin.

3. Het lidmaatschap van een netredactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur van een omroepvereniging, de educatieve omroepinstelling of de Programmastichting.

Artikel 40e [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 40f [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 40g [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 40h [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 40i [Vervallen per 01-09-2000]

§ 3. Indeling van zendtijd

Artikel 41

1. De raad van bestuur deelt jaarlijks, de zendtijd voor landelijke omroep in.

2. De raad van bestuur kan, voor zover nodig, de zendtijdindeling herzien, indien:

a. met toepassing van artikel 36b of artikel 38 een erkenning, onderscheidenlijk een voorlopige erkenning, wordt ingetrokken;

b. met toepassing van een van de artikelen 45 tot en met 47 de aan een instelling toegewezen zendtijd voor landelijke omroep wordt ingetrokken of verminderd; of

c. tussentijds door het Commissariaat voor de Media aan een instelling zendtijd voor landelijke omroep wordt toegewezen.

3. De raad van bestuur kan voorts de zendtijdindeling herzien, voor zover hij dat nodig acht:

a. in het kader van de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; of

b. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de zendtijdindeling.

Artikel 41a

1. Met inachtneming van artikel 39b wordt de zendtijd van de Stichting Etherreclame zodanig ingedeeld, dat:

a. deze zendtijd per dag op een programmanet niet meer bedraagt dan vijftien procent van de op dat programmanet gebruikte zendtijd;

b. deze zendtijd per klokuur niet meer bedraagt dan twaalf minuten;

c. op zondagen de programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame niet onmiddellijk voorafgaan aan of aansluiten op programma-onderdelen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, tenzij de voor dat programma-onderdeel verantwoordelijke instelling die zendtijd heeft verkregen, daartegen geen bedenkingen heeft ingebracht; en

d. de programmaonderdelen van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, slechts worden onderbroken door programmaonderdelen van de Stichting Etherreclame, indien:

1°. het te onderbreken programmaonderdeel langer duurt dan anderhalf uur voor televisie, onderscheidenlijk drie kwartier voor radio;

2°. het programmaonderdeel bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement;

3°. het programmaonderdeel het volledige verslag van het evenement bevat;

4°. de onderbreking geschiedt tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende zelfstandige onderdelen;

5º. de onderbreking ten minste anderhalve minuut duurt voor televisie, onderscheidenlijk één minuut voor radio;

6º. de voor het programmaonderdeel verantwoordelijke instelling die zendtijd heeft verkregen, geen bedenkingen heeft ingebracht tegen de onderbreking wegens afbreuk aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het programmaonderdeel; en

7º. de onderbreking geen afbreuk doet aan de rechten van rechthebbenden.

2. Programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, kunnen ten hoogste eenmaal per vijfenveertig minuten voor televisie, onderscheidenlijk ten hoogste eenmaal per dertig minuten voor radio, worden onderbroken door een programmaonderdeel van de Stichting Etherreclame.

3. Programmaonderdelen van godsdienstige of geestelijke aard en programmaonderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar, worden niet onderbroken door programmaonderdelen van de Stichting Etherreclame.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden omtrent de indeling van zendtijd van de Stichting Etherreclame direct voorafgaande aan of direct volgend op programma-onderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar.

5. De zendtijd voor televisie van de Stichting Etherreclame kan slechts worden ingedeeld met inachtneming van een minimum duur van anderhalve minuut per blok.

Artikel 41b

1. Met inachtneming van artikel 41a wordt de zendtijd voor landelijke televisie-omroep zodanig ingedeeld, dat:

a. de programmaonderdelen van de Programmastichting tussen 16.00 uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde televisieprogrammanet wordt uitgezonden;

b. de programmaonderdelen van een omroepvereniging die zendtijd heeft verkregen, tussen 16.00 uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde televisieprogrammanet worden uitgezonden; en

c. op ieder televisieprogrammanet in ieder geval dagelijks tussen 16.00 uur en 24.00 uur programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.

2. De raad van bestuur kan in het kader van de coördinatie op en tussen de verschillende programmanetten tot ten hoogste 325 uren per jaar per instelling afwijken van het eerste lid, onderdelen a en b.

3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het teletekstprogramma.

Artikel 41c

1. Met inachtneming van de artikelen 40, vierde lid, en 41a wordt de zendtijd voor landelijke radio-omroep zodanig ingedeeld, dat:

a. de programmaonderdelen van de omroepverenigingen welke niet de wens te kennen hebben gegeven dat hun programmaonderdelen op alle radioprogrammanetten worden uitgezonden, op ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal radioprogrammanetten worden uitgezonden;

b. op ten minste twee radioprogrammanetten 24 uur per dag programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden; en

c. op de overige radioprogrammanetten in ieder geval dagelijks tussen 07.00 uur en 24.00 uur programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald hoeveel uren zendtijd voor radio van een omroepvereniging jaarlijks ten minste op de radioprogrammanetten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zullen worden ingedeeld.

Afdeling 2. Lokale en regionale omroep

Artikel 42

1. Het Commissariaat voor de Media kan voor lokale en regionale omroep zendtijd toewijzen aan een lokale onderscheidenlijk een regionale omroepinstelling, op aanvraag van die instelling.

2. Er kan per gemeente slechts aan één lokale omroepinstelling zendtijd worden toegewezen. Indien meer dan één omroepinstelling aan de eisen voldoet die deze wet aan een lokale omroepinstelling stelt, bevordert het College van Burgemeester en Wethouders het samengaan van die instellingen. Indien het college daarin niet slaagt wijst het Commissariaat de zendtijd toe aan één van de instellingen. Het slaat daarbij acht op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn. Het Commissariaat kan daarbij tevens op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 51f, tweede lid, de dagen en uren aanwijzen waarop de programma’s van de lokale omroepinstelling en de regionale omroepinstelling worden uitgezonden op de voor de lokale omroepinstelling aangewezen omroepzender.

3. Aan een omroepinstelling wier programma bestemd is voor meer dan één gemeente of provincie, wordt alleen dan voor dat gebied zendtijd toegewezen, indien de gemeenteraden of Provinciale Staten van de desbetreffende gemeenten of provincies het in artikel 43, eerste lid, bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.

4. De zendtijd voor lokale en regionale omroep wordt telkenmale voor tenminste vijf jaar toegewezen. Het Commissariaat kan jaarlijks de totale hoeveelheid zendtijd voor lokale of regionale omroep toewijzen. Het Commissariaat kan de dagen, uren en programmanetten aanwijzen waarop de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor lokale en regionale omroep zullen worden uitgezonden.

5. De wijze waarop aanvragen tot toewijzing van zendtijd worden ingediend, de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen en de termijn waarop adviezen worden uitgebracht en waarop beslissingen inzake toewijzing of intrekking van zendtijd voor lokale en regionale omroep in werking treden, worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld.

6. Indien zendtijd is toegewezen aan een lokale of regionale omroepinstelling kan het Commissariaat zendtijd toewijzen voor lokale en regionale omroep aan een gemeente en provincie ten behoeve van overheidsvoorlichting. Deze zendtijd bedraagt ten hoogste vijf percent van de zendtijd toegewezen aan de omroepinstelling. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.

7. Indien aan een lokale of regionale omroepinstelling zendtijd is toegewezen voor een televisieprogramma, is het die instelling tevens toegestaan een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden en heeft zij tevens zendtijd voor een teletekstprogramma dat op dezelfde frequentieruimte tegelijkertijd met het televisieprogramma of met het toetsbeeld wordt uitgezonden.

8. Toewijzing van zendtijd aan een regionale instelling die binnen twee jaar in de plaats komt van een instelling die eerder zendtijd voor regionale omroep had verkregen, houdt in dat de eerstgenoemde voor de toepassing van deze wet wordt gezien als rechtsopvolger van de laatstgenoemde.

Artikel 43

1. De toewijzing van zendtijd aan lokale en regionale omroepinstellingen geschiedt eerst nadat de gemeenteraad dan wel Provinciale Staten heeft respectievelijk hebben geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen voldoet die deze wet stelt.

2. De gemeenteraad dan wel Provinciale Staten brengt respectievelijk brengen éénmaal in de vijf jaren aan het Commissariaat voor de Media advies uit over de vraag of de lokale of regionale omroepinstelling naar zijn of hun oordeel nog voldoet aan de in artikel 30 gestelde eisen. Indien binnen deze termijn ernstige twijfel bestaat of de lokale of regionale omroepinstelling nog aan de in artikel 30 gestelde eisen voldoet, kan het Commissariaat een tussentijds advies vragen.

3. Er wordt slechts zendtijd toegewezen aan regionale omroepinstellingen voor welke het provinciebestuur heeft verklaard zorg te dragen voor de bekostiging van het functioneren van die instelling.

Artikel 43a

Het is een lokale of regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is toegewezen, toegestaan programma-onderdelen te verzorgen die bestaan uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.

Artikel 43b

1. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a en 50, achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting Etherreclame is van overeenkomstige toepassing op de verzorging door lokale en regionale omroepinstellingen van programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a.

2. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, dragen er zorg voor dat zij rechtstreeks of door middel van een belangenorganisatie aangesloten zijn bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen zijn aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. Zij tonen dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.

Artikel 43c

1. De inkomsten die worden verworven door de uitzending van de in artikel 43a bedoelde programma-onderdelen worden, na aftrek van de kosten die verband houden met de verzorging van die programma-onderdelen en het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag, aangewend voor de verzorging van de overige programma-onderdelen.

2. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, voldoen jaarlijks het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat stelt dit bedrag ter beschikking van Onze Minister.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht moet worden verschaft in de financiën die op de exploitatie van de verzorging en uitzending van de programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a betrekking hebben.

4. Artikel 64, eerste lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing op lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, en hun medewerkers.

Artikel 43d [Vervallen per 01-01-1996]

Afdeling 3. Het vervallen, intrekken en herzien van zendtijd

Artikel 44

De zendtijd van een omroepvereniging en de educatieve omroepinstelling die een erkenning of een voorlopige erkenning heeft verkregen, vervalt op het tijdstip waarop de erkenning of voorlopige erkenning vervalt of wordt ingetrokken.

Artikel 45

1. Het Commissariaat voor de Media trekt de met toepassing van een van de artikelen, 39f, 39g of 42 toegewezen zendtijd in, wanneer de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld om voor toewijzing in aanmerking te komen.

2. Indien van een instelling de toegewezen zendtijd is ingetrokken op grond van het eerste lid, kan zij gedurende één jaar daarna geen aanvraag tot toewijzing van zendtijd indienen.

3. In afwijking van het eerste lid trekt het Commissariaat de zendtijd die is toegewezen aan een lokale of regionale omroepinstelling die niet meer voldoet aan een in artikel 30, onderdeel b of c, gesteld vereiste, niet in dan nadat de desbetreffende omroepinstelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop dit feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld wederom aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.

4. De aan een lokale of regionale omroepinstelling toegewezen zendtijd kan door het Commissariaat worden ingetrokken indien de lokale of regionale omroepinstelling in een periode van een jaar geen programma, dat voldoet aan de eisen van deze wet, heeft verzorgd dat gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee maanden is uitgezonden.

5. Het Commissariaat stelt de gemeente, respectievelijk de provincie in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen alvorens te beslissen over intrekking van de zendtijd.

Artikel 45a

Indien aan een politieke partij met toepassing van artikel 39g, derde lid, geen zendtijd meer wordt toegewezen, dan vervalt met ingang van de dag waarop de veroordeling, bedoeld in artikel 39g, derde lid, onherroepelijk is geworden, ook de zendtijd die reeds is toegewezen van rechtswege.

Artikel 46

1. Indien de Programmastichting, een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling die een erkenning of een voorlopige erkenning heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de aan de desbetreffende instelling ter beschikking gestelde zendtijd voor een periode van ten hoogste twaalf weken intrekken.

2. In geval van zendtijdintrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zendtijd die krachtens artikel 39, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, eerste lid, in het jaar waarin de intrekking plaatsvindt aan de desbetreffende instelling ter beschikking is gesteld, van rechtswege evenredig verminderd.

3. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, is artikel 39, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, tweede lid, niet van toepassing.

4. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid.

Artikel 46a

1. Indien een andere instelling dan bedoeld in artikel 46, eerste lid, die zendtijd heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de aan die instelling toegewezen zendtijd intrekken of verminderen.

2. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, tweede en derde lid. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is verminderd, wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 104, tweede en derde lid, evenredig verminderd.

Artikel 47

1. Indien aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep voor twee achtereenvolgende jaren een sanctie als bedoeld in artikel 103a is opgelegd, dan wel indien een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid, kan de raad van bestuur het Commissariaat voor de Media verzoeken met overeenkomstige toepassing van de artikelen 46 en 46a de aan de desbetreffende instelling toegewezen zendtijd in te trekken of te verminderen.

2. Bij een intrekking of vermindering van zendtijd voor landelijke omroep krachtens artikel 46a, alsmede bij een tussentijdse toewijzing van zendtijd op grond van een van de artikelen 39f tot en met 39h, kan het Commissariaat voor de Media, voor zover nodig, de toewijzing van zendtijd aan de andere instellingen, bedoeld in de artikelen 39f tot en met 39h, herzien.

Titel 5. Rechten en verplichtingen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen

Afdeling 1. Rechten en verplichtingen ten aanzien van de programma’s

Artikel 48

Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is verantwoordelijk voor hetgeen in haar zendtijd wordt uitgezonden.

Artikel 49

1. De omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die zendtijd hebben verkregen, gebruiken de hun krachtens artikel 39, eerste tot en met derde lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.

2. De Programmastichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a, eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.

3. De Stichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a1, eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.

4. De overige instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, gebruiken de hun met toepassing van de artikelen 39f tot en met 39i toegewezen zendtijd geheel.

Artikel 50

1. De zendtijd voor televisie van de omroepverenigingen gezamenlijk wordt gebruikt voor een volledig programma, dat ten minste omvat onderdelen van culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard.

2. Onverminderd het eerste lid, wordt jaarlijks van de zendtijd, bedoeld in het eerste lid, ten minste vijfentwintig procent gebruikt voor onderdelen van culturele aard en vijfendertig procent voor onderdelen van informatieve of educatieve aard. Een deel van de programma-onderdelen van culturele aard, dat ten minste gelijk is aan twaalf en een half procent van de gebruikte zendtijd voor televisie van de omroepverenigingen gezamenlijk, bestaat uit of heeft betrekking op kunst.

3. Indien een programma-onderdeel van informatieve, educatieve of verstrooiende aard tevens wat zijn inhoud betreft voor meer dan de helft van culturele aard is, kan dit programma-onderdeel meegeteld worden bij de berekening van het percentage programma-onderdelen van culturele aard, bedoeld in het tweede lid.

4. De educatieve omroepinstelling gebruikt haar zendtijd geheel voor een educatief programma.

5. Een kerkgenootschap gebruikt zijn zendtijd geheel voor een kerkelijk programma.

6. Een genootschap op geestelijke grondslag gebruikt zijn zendtijd geheel voor een programma op geestelijk terrein.

7. Een politieke partij gebruikt haar zendtijd geheel voor een programma op politiek terrein.

8. De Stichting Etherreclame gebruikt haar zendtijd voor een programma bestaande uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden. Voor ten hoogste een derde deel kan de zendtijd worden gebruikt voor omlijsting van de reclameboodschappen en telewinkelboodschappen. Telewinkelboodschappen die in het programma van de Stichting Etherreclame worden opgenomen duren elk ten hoogste één minuut. Een blok als bedoeld in artikel 41a, vijfde lid, bestaat voor ten hoogste tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen. Het programma van de Stichting Etherreclame is als zodanig herkenbaar en door optische of akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de programma-onderdelen van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen. In het programma van de Stichting Etherreclame wordt geen gebruik gemaakt van subliminale technieken.

9. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd op de televisieprogrammanetten voldoet aan het eerste en tweede lid.

Artikel 51

1. Op elk televisieprogrammanet wordt ten hoogste vijfentwintig procent van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep besteed aan programma-onderdelen van verstrooiende aard.

2. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd op de televisieprogrammanetten voldoet aan het eerste lid.

Artikel 51a [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 51b

1. De Programmastichting gebruikt haar zendtijd geheel voor een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma’s van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in het programma van de Programmastichting worden opgenomen. Bij deze algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald welke percentages van het programma van de Programmastichting ten minste dienen te bestaan uit de onderscheidene programma-onderdelen, bedoeld in de vorige zin.

3. Naast de programma-onderdelen, bedoeld in het tweede lid, bevat het programma van de Programmastichting ten minste veertig procent onderdelen van culturele aard, waarvan een deel dat ten minste gelijk is aan twintig procent van de gebruikte zendtijd van de Programmastichting, bestaat uit of betrekking heeft op kunst.

Artikel 51c

De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste en tweede lid, en 51b, tweede en derde lid, gelden met betrekking tot televisie zowel voor de gehele zendtijd die is gebruikt, als afzonderlijk voor de zendtijd die is gebruikt tussen 16.00 uur en 24.00 uur.

Artikel 51d

1. De Stichting gebruikt haar zendtijd, bedoeld in artikel 39a1, eerste en tweede lid, geheel voor een programma dat bestaat uit onderdelen die zich bij uitstek voor een gezamenlijke verzorging lenen. Hiertoe behoren die programma-onderdelen die een hoge frequentie en vaste regelmaat van uitzending vereisen, een algemeen dienstverlenend karakter dragen, of met een doelmatiger inzet van omroepmiddelen beter gezamenlijk tot stand kunnen worden gebracht.

2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in ieder geval in het programma van de Stichting worden opgenomen.

Artikel 51e

Een regionale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een programma dat:

a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de provincie waarvoor het programma bestemd is; en

b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage bestaat uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.

Artikel 51f

1. Een lokale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een programma dat:

a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is; en

b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage bestaat uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.

2. Het is een lokale omroepinstelling toegestaan met de regionale omroepinstelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is, een overeenkomst te sluiten met het oog op de samenwerking bij de verzorging van haar radioprogramma, onderscheidenlijk televisieprogramma. Daarbij kan worden overeengekomen dat de regionale omroepinstelling programma-onderdelen produceert ten behoeve van de lokale omroepinstelling. Tevens kan worden overeengekomen dat de lokale omroepinstelling programma-onderdelen produceert ten behoeve van de regionale omroepinstelling.

3. Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid wordt overgelegd aan het Commissariaat voor de Media.

4. In afwijking van het eerste lid is het een lokale omroepinstelling die een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid heeft gesloten en deze aan het Commissariaat heeft overgelegd, toegestaan haar zendtijd te gebruiken voor een radioprogramma, onderscheidenlijk televisieprogramma, dat:

a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is, of op de provincie waarbinnen die gemeente gelegen is, met dien verstande dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gedeelte daarvan in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma bestemd is; en

b. voor ten minste het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit onderdelen die door haarzelf of door de regionale omroepinstelling waarmee zij de overeenkomst heeft gesloten, dan wel uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen beiden, zijn geproduceerd, met dien verstande dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gedeelte daarvan door de lokale omroepinstelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.

Artikel 52

1. De programma’s van instellingen die zendtijd hebben verkregen bevatten geen reclameboodschappen en telewinkelboodschappen tenzij zulks bij deze wet uitdrukkelijk wordt toegestaan.

2. De programma’s als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het is toegestaan dat programma’s reclame-uitingen bevatten.

3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid. Hij kan deze bevoegdheid delegeren aan het Commissariaat voor de Media.

4. Behoudens toestemming van het Commissariaat bevatten programma’s van instellingen die zendtijd hebben verkregen geen oproepen in het kader van ledenwerving, verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten.

Artikel 52a

1. Programma-onderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen worden niet gesponsord.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. programma-onderdelen van culturele aard;

b. programma-onderdelen, bestaande uit het verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden;

c. programma-onderdelen bestaande uit het verslag of de weergave van evenementen ten behoeve van ideële doeleinden.

3. Programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid worden niet gesponsord indien:

a. deze geheel of gedeeltelijk bestaan uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie; of

b. in het bijzonder zijn bestemd voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar.

Artikel 52b

1. In afwijking van de eerste volzin van artikel 52, tweede lid, worden aan het begin of aan het einde van een gesponsord programma-onderdeel van een instelling die zendtijd heeft verkregen, ter informatie van het publiek alle sponsors vermeld.

2. Met betrekking tot een gesponsord programma-onderdeel voor televisie duurt de vermelding van de sponsors in totaal ten hoogste vijf seconden. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk. Voor zover de vermelding niet plaatsvindt op de aan- of aftitelrol, bestaat zij uitsluitend uit stilstaande beelden. De vermelding is niet beeldvullend en is voorts zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.

3. In een gesponsord programma-onderdeel worden geen produkten of diensten van een sponsor getoond of vermeld, indien deze een sponsorbijdrage in geld heeft verstrekt.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een programma-onderdeel waarvoor een overheidsinstelling of een andere instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van dat programma-onderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te maken.

Artikel 52c

Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, zijn de artikelen 52a en 52b slechts van toepassing, voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programma-onderdeel door de instelling die zendtijd heeft verkregen.

Artikel 52d

1. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft verkregen bevat geen programma-onderdelen die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar ernstige schade zouden kunnen toebrengen.

2. Het televisieprogramma van een instelling die zendtijd heeft verkregen mag slechts programma-onderdelen bevatten die schade kunnen toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar, indien die instelling is aangesloten bij een door Onze Minister erkende organisatie als bedoeld in artikel 53, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de regels en het toezicht daarop van die erkende organisatie met betrekking tot het uitzenden van de hiervoor bedoelde programma-onderdelen. De instelling die zendtijd heeft verkregen en die is aangesloten toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de erkende organisatie.

Artikel 53

1. Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in regelingen omtrent classificatie en het uitzenden van programma-onderdelen als bedoeld in artikel 52d, tweede lid, en het toezicht daarop. De regelingen hebben in ieder geval betrekking op:

a. criteria voor de classificatie van programma-onderdelen, waaronder in ieder geval de mate waarin:

1°. angst wordt opgewekt;

2°. brutaliserend geweld wordt vertoond of gerechtvaardigd;

3°. het gebruik van drugs aantrekkelijk wordt voorgesteld of vergoelijkt;

4°. sprake is van pornografie;

5°. op andere gronden volgens algemeen geldende opvattingen producten niet geschikt zijn voor vertoning aan bepaalde categorieën personen jonger dan zestien jaar;

b. de uitzendtijdstippen van de hiervoor bedoelde programma-onderdelen;

c. de wijze waarop de uitzending van deze programma-onderdelen wordt voorafgegaan door of is voorzien van symbolen of waarschuwingen.

2. Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden. Van een beschikking tot erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3. Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking indien:

a. onafhankelijk toezicht door de organisatie op de naleving van de regelingen, bedoeld in het eerste lid, is gewaarborgd;

b. voorzien is in voldoende betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder in ieder geval vertegenwoordigers uit de consumentensfeer, instellingen die zendtijd hebben verkregen, deskundigen op het gebied van de audiovisuele media en producenten van audiovisuele media;

c. de financiële positie van de organisatie een adequate uitvoering van de werkzaamheden waarborgt.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de eisen bedoeld in het derde lid en kunnen andere eisen ten aanzien van de erkenning worden gesteld.

5. Onze Minister trekt een erkenning in indien de organisatie niet meer voldoet aan de bij of krachtens het eerste of derde lid gestelde eisen. Onze Minister kan voorts een erkenning intrekken indien de organisatie niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften of de in het vierde lid bedoelde nadere en andere eisen. Van een beschikking tot intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen het eerste tot en met vierde lid en artikel 52d, tweede lid, buiten werking worden gesteld en kunnen regels worden gesteld omtrent het uitzenden van programma-onderdelen als bedoeld in artikel 52d, tweede lid, voor zover dat noodzakelijk is voor een juiste en tijdige uitvoering van artikel 22 van de Europese richtlijn.

7. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het zesde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

8. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.

Artikel 53a

Een instelling die zendtijd heeft verkregen neemt in haar programma geen films op buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.

Artikel 54

1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig procent besteed aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste vijfentwintig procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste zeventieneneenhalf procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt programma-onderdelen die niet zijn geproduceerd door:

a. een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;

b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde gevallen programma-onderdelen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;

b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;

c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.

8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 54a

1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het derde lid.

Afdeling 2. Overige rechten en verplichtingen

Artikel 55

1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen zijn met al hun activiteiten, behoudens het bepaalde in de artikelen 26, 43a, 52 en 52b, niet dienstbaar aan het maken van winst door derden. Desgevraagd tonen zij dit ten genoegen van het Commissariaat voor de Media aan.

2. Indien een instelling voornemens is een overeenkomst te sluiten met een werknemer, een bestuurslid van de instelling of een van hun huisgenoten, dan wel met een rechtspersoon waarin een of meer van de genoemde personen alleen of tezamen een financieel belang hebben van tenminste tien percent of ten aanzien waarvan zij tantième- of winstrechten hebben, terwijl die overeenkomst geen betrekking heeft op de relatie die de instelling met de betrokkene heeft als werknemer of bestuurslid, meldt de instelling dit schriftelijk bij het Commissariaat voor de Media onder overlegging van het ontwerp van de overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.

3. Het bepaalde in de voorgaande leden heeft ten aanzien van de educatieve omroepinstelling, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen uitsluitend betrekking op hun werkzaamheden die strekken tot de verzorging van hun radio- en televisieprogramma's.

Artikel 55a

1. Onverminderd artikel 48 is het aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep uitsluitend toegestaan overeenkomsten te sluiten met omroepinstellingen, dan wel met rechtspersonen of vennootschappen waarmee bedoelde instellingen in een groep zijn verbonden, indien die instelling het voornemen hiertoe schriftelijk heeft gemeld bij de raad van bestuur, onder overlegging van het ontwerp van de overeenkomst, en de raad van bestuur binnen twee maanden niet heeft medegedeeld dat de desbetreffende overeenkomst in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke omroep. Een dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten die worden gesloten met instellingen die zendtijd hebben verkregen voor binnenlandse omroep.

3. Het eerste lid heeft ten aanzien van de educatieve omroepinstelling, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen uitsluitend betrekking op overeenkomsten die betrekking hebben op hun werkzaamheden die strekken tot de verzorging van hun radio- en televisieprogramma's.

Artikel 55b

1. Het is aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep uitsluitend toegestaan activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, te verrichten, indien die instelling het voornemen daartoe schriftelijk heeft gemeld bij de raad van bestuur, en de raad van bestuur niet binnen twee maanden heeft meegedeeld dat het verrichten van de desbetreffende activiteiten in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke omroep.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid.

3. Dit artikel is niet van toepassing op overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

Artikel 56

1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen draagt er zorg voor dat noch de leden van het bestuur, noch haar werknemers, behoudens met toestemming van het bestuur, en andere personen of rechtspersonen waarmee de instelling een overeenkomst heeft gesloten met het oog op de verzorging van haar programma voor zichzelf, voor andere personen of voor rechtspersonen een op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden, dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling.

2. De in het eerste lid bedoelde toestemming geeft de instelling slechts indien de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bieden of bevorderen van mogelijkheden tot het maken van winst door derden of het dienstbaar maken van het radio- of televisieprogramma aan reclamedoeleinden.

3. Voor personen die werken in dienst van een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten met een instelling die zendtijd heeft verkregen, wordt die persoon of rechtspersoon ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.

Artikel 56a

1. Onverminderd artikel 52a, eerste en derde lid, mogen instellingen die zendtijd hebben verkregen, sponsorbijdragen uitsluitend rechtstreeks van de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedingen of aanvaarden.

2. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, doen binnen één week na de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, doch in ieder geval vóór de beoogde datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, een afschrift hiervan toekomen aan de raad van bestuur.

3. Indien de raad van bestuur een dergelijke overeenkomst in strijd acht met het gemeenschappelijk belang van de landelijke omroep, en de raad van bestuur dit binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de overeenkomst, doch in ieder geval vóór de beoogde datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, schriftelijk heeft medegedeeld aan de instelling die de overeenkomst heeft overgelegd, neemt deze instelling het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, niet in haar programma op, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.

4. Indien de overeenkomst wordt gewijzigd, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

5. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, bedingen of aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen:

a. die zich voornamelijk bezighouden met de produktie of verkoop van sigaretten of andere tabaksprodukten, of

b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.

6. Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is aangekocht en ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing, voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programma-onderdeel door de instelling die zendtijd heeft verkregen.

Artikel 57

1. Alle activiteiten en werkzaamheden van een instelling die zendtijd heeft verkregen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 13c, eerste lid, worden aangemerkt als nevenactiviteiten, met uitzondering van de verenigingsactiviteiten van een omroepvereniging.

2. Met het verrichten van een nevenactiviteit wordt gelijkgesteld het hebben van een direct of indirect belang in een rechtspersoon die een dergelijke activiteit verricht.

Artikel 57a

1. Het is instellingen die zendtijd hebben verkregen, uitsluitend toegestaan nevenactiviteiten te verrichten, indien:

a. het verrichten van de nevenactiviteit geen nadelige invloed heeft of kan hebben op de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 13c, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde lid;

b. de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de taak, bedoeld in artikel 13c, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde lid; en

c. het verrichten van de nevenactiviteit niet leidt of kan leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van andere aanbieders van dezelfde of vergelijkbare goederen of diensten.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het verrichten van nevenactiviteiten als bedoeld in het eerste lid nadere eisen worden gesteld.

Artikel 57b [Vervallen per 01-02-1998]

Artikel 57c

1. Alle inkomsten van een instelling die zendtijd heeft verkregen, waaronder de inkomsten uit nevenactiviteiten en vermogen, worden, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, aangewend voor de verzorging van het programma waarvoor zij zendtijd heeft verkregen.

2. In afwijking van het eerste lid, kunnen inkomsten uit programmabladen van omroepverenigingen tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag worden besteed aan verenigingsactiviteiten.

Artikel 57d

De artikelen 57, 57a en 57c zijn niet van toepassing op overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

Artikel 58

1. De instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen stellen de gegevens van de door haar uit te zenden programma’s voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van uit te zenden programma’s in de programmabladen, ter beschikking van de Stichting.

2. Zij gedogen dat de Stichting de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ter verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt van de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen alsmede van anderen die daartoe een overeenkomst met de Stichting hebben gesloten.

Artikel 59

Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van omroepverenigingen, de Stichting of enige andere instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van die programma’s anders dan met toepassing van artikel 58 of met toestemming van de desbetreffende instelling die zendtijd heeft verkregen, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.

Artikel 60 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 61 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 61a

De Stichting Etherreclame draagt er zorg voor dat zij aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De Stichting Etherreclame toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.

Artikel 62 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 63

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen hun programma aan het Bedrijf ter uitzending aanbieden.

Artikel 64

1. Omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep:

a. heffen een contributie van hun leden met een minimumbedrag van € 4,54 per jaar,

b. verstrekken hun leden geen op geld waardeerbare voordelen zonder toestemming van het Commissariaat voor de Media,

c. tonen ten genoegen van het Commissariaat aan dat hun leden op een democratisch aanvaardbare wijze invloed op hun beleid kunnen uitoefenen en

d. brengen, in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de samenstelling van programma's, een programmastatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van de ontwikkeling van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden bijgesteld.

3. In de contributie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de verstrekking van een programmablad niet begrepen.

4. Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing op de Programmastichting, de Stichting en de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen.

Artikel 64a [Vervallen per 21-07-2004]

Artikel 64b

1. Onverminderd artikel 64, aanhef en onderdeel d, brengen instellingen die zendtijd hebben verkregen, een programmastatuut tot stand waarin ten minste waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van hun werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de sponsors.

2. Dit artikel geldt niet voor overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

Artikel 64c

1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, brengen jaarlijks schriftelijk verslag uit aan het Commissariaat voor de Media omtrent de inkomsten uit sponsorbijdragen, de gesponsorde programma-onderdelen en de hoedanigheid van de sponsors, gespecificeerd per programma-onderdeel.

2. Het Commissariaat voor de Media kan nadere regels stellen omtrent de inrichting van het verslag, de termijn waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht, en de periode waarop het verslag betrekking heeft.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bijdragen van overheidsinstellingen en andere instellingen dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll.

Titel 6. Uitzending door middel van omroepnetwerken

Artikel 65 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 66

1. Het Commissariaat voor de Media kan aan een instelling die voor toewijzing van zendtijd voor lokale omroep in aanmerking komt, op verzoek van die instelling, in plaats van het toewijzen van zendtijd toestemming verlenen een programma voor lokale omroep, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51f, te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.

2. Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van zendtijd voor lokale omroep is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst waarop het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder van het omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt bereikt over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, kan het Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.

Artikel 67

1. Het Commissariaat voor de Media kan aan een instelling die voor toewijzing van zendtijd voor regionale omroep in aanmerking komt, op verzoek van die instelling, in plaats van het toewijzen van zendtijd toestemming verlenen een programma voor regionale omroep, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51e, te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van de omroepnetwerken in de desbetreffende provincie.

2. Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van zendtijd voor regionale omroep is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst waarop het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder van het omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt bereikt over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, kan het Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de dagen en uren waarop een programma als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgezonden. Deze regels hebben uitsluitend betrekking op televisieprogramma's.

Artikel 68

1. Het Commissariaat voor de Media kan aan een lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, op verzoek van die instelling, toestemming verlenen naast het programma, bedoeld in artikel 51f, een ander programma te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.

2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden verleend, indien:

a. het programma wordt uitgezonden op een ander kanaal dan het kanaal waarop het programma, bedoeld in artikel 51f, wordt uitgezonden;

b. het programma wordt geproduceerd door een lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, of door een andere instelling zonder winstoogmerk;

c. het programma, naast de onderdelen, bedoeld in artikel 43a, voor ten minste vijfenzeventig procent bestaat uit onderdelen van culturele aard en voor het overige deel, doch voor ten minste tien procent, bestaat uit onderdelen van culturele aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de desbetreffende gemeente; en

d. de aanvraag vergezeld gaat van een advies van de Raad voor cultuur, waaruit blijkt dat het programma naar het oordeel van de Raad voor cultuur van bijzonder belang is voor de verscheidenheid van het aanbod van kwalitatief hoogstaande programma-onderdelen van culturele aard in Nederland.

3. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor de duur van vijf jaar. De toestemming vervalt, indien de lokale omroepinstelling niet meer over zendtijd beschikt.

Artikel 69 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 70 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 70a [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 71 [Vervallen per 24-04-1996]

HOOFDSTUK IV. DE COMMERCIËLE OMROEP

§ 1. Toestemmingen voor commerciële omroep

Artikel 71a

1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, is het een commerciële omroepinstelling slechts toegestaan een door haar verzorgd programma uit te zenden of te doen uitzenden, indien zij daarvoor toestemming van het Commissariaat voor de Media heeft verkregen. De toestemming is voor ieder programma afzonderlijk vereist. In de toestemming wordt aangegeven of zij betrekking heeft op een programma voor algemene omroep dan wel op een programma voor bijzondere omroep.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aanvragen tot het verlenen van toestemming worden ingediend en de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen.

3. Indien toestemming is verleend voor het uitzenden of doen uitzenden van een televisieprogramma, is het de commerciële omroepinstelling tevens toegestaan:

a. een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden;

b. een teletekstprogramma uit te zenden of te doen uitzenden, indien dat op dezelfde frequentieruimte of hetzelfde kanaal tegelijkertijd met het in de aanhef bedoelde televisieprogramma of met het toetsbeeld wordt uitgezonden.

4. De toestemming wordt verleend voor de duur van vijf jaren.

5. De toestemming is niet overdraagbaar.

Artikel 71b

De toestemming kan uitsluitend worden geweigerd, indien:

a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of

b. redelijkerwijs te verwachten is dat de commerciële omroepinstelling de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet in acht zal nemen.

Artikel 71c

1. Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in, indien:

a. de commerciële omroepinstelling het Commissariaat daarom verzoekt; of

b. de commerciële omroepinstelling in gebreke blijft met de betaling van hetgeen krachtens artikel 71u verschuldigd is.

2. Het Commissariaat kan de toestemming intrekken, indien:

a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens onjuist blijken te zijn; of

b. de commerciële omroepinstelling overigens niet voldoet aan de verplichtingen gesteld bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 71d [Vervallen per 13-06-2007]

§ 2. Rechten en verplichtingen ten aanzien van de programma's van commerciële omroepinstellingen

Artikel 71e

1. Iedere commerciële omroepinstelling bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is daarvoor verantwoordelijk.

2. De artikelen 52d en 53 zijn van overeenkomstige toepassing op een commerciële omroepinstelling en op het door haar verzorgde programma.

Artikel 71f

1. Reclameboodschappen of telewinkelboodschappen die zijn opgenomen in het programma van een commerciële omroepinstelling zijn als zodanig herkenbaar en door optische of akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen. Er wordt geen gebruik gemaakt van subliminale technieken.

2. De blokken van telewinkelboodschappen, bedoeld in artikel 71g, zesde lid, zijn gedurende de gehele uitzending daarvan door optische middelen als zodanig herkenbaar en door optische en akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen.

Artikel 71g

1. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste vijftien procent van de totale duur per dag uit reclameboodschappen.

2. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit telewinkelboodschappen.

3. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit een combinatie van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.

4. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twaalf minuten per uur uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen.

5. Reclameboodschappen in televisieprogramma's, of telewinkelboodschappen worden uitsluitend uitgezonden in blokken die, met inbegrip van de eventuele omlijsting, ten minste anderhalve minuut duren.

6. In het programma van een commerciële omroepinstelling zijn ten hoogste acht blokken van telewinkelboodschappen per dag opgenomen, die per blok zonder onderbreking ten minste vijftien minuten duren en waarvan de totale duur ten hoogste drie uur per dag is. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op deze blokken van telewinkelboodschappen.

Artikel 71h

1. Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien de onderbreking geen afbreuk doet aan de integriteit, het karakter en de samenhang van het desbetreffende programmaonderdeel of aan de rechten van rechthebbenden.

2. Programmaonderdelen, bestaande uit de weergave van godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomsten, worden niet onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen.

3. De volgende programmaonderdelen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien zij ten minste dertig minuten duren:

a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws of commentaar op het nieuws;

b. programmaonderdelen van godsdienstige of geestelijke aard, niet zijnde programmaonderdelen als bedoeld in het tweede lid;

c. programmaonderdelen die bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar; en

d. niet-gedramatiseerde documentaires.

4. Films worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien zij ten minste vijfenveertig minuten duren.

5. Onverminderd het vierde lid, worden films ten hoogste eenmaal per volledig tijdvak van vijfenveertig minuten onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen. Indien een film ten minste twintig minuten langer duurt dan twee of meer volledige tijdvakken van vijfenveertig minuten, kan hij nog eenmaal worden onderbroken.

Artikel 71i

1. Bij opeenvolgende onderbrekingen door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen in één programmaonderdeel voor televisie worden tussenpozen van ten minste twintig minuten in acht genomen.

2. In afwijking van het eerste lid, worden programmaonderdelen voor televisie die bestaan uit het verslag van een evenement uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.

Artikel 71j

1. In afwijking van artikel 71g, eerste, vierde en vijfde lid, is het een commerciële omroepinstelling toegestaan een televisieprogramma te verzorgen dat uitsluitend bestaat uit ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen.

2. In een programma als bedoeld in het eerste lid mogen andere reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.

3. In afwijking van artikel 71g, tweede tot en met zesde lid, is het een commerciële omroepinstelling toegestaan een programma te verzorgen dat uitsluitend bestaat uit telewinkelboodschappen.

4. In een programma als bedoeld in het derde lid mogen reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.

Artikel 71k

1. De programmaonderdelen van een commerciële omroepinstelling worden uitsluitend gesponsord, indien die instelling een programmastatuut tot stand heeft gebracht waarin ten minste waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van haar werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de sponsors.

2. Aan het begin of aan het einde van een gesponsord programmaonderdeel worden, ter informatie van het publiek, alle sponsors vermeld. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk en is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.

3. In een gesponsord programmaonderdeel mogen producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, indien het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen of anderszins wordt aangespoord tot het kopen of huren van die producten of tot het afnemen van die diensten.

4. Commerciële omroepinstellingen bedingen of aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen:

a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten, of

b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.

5. Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen die toestemming hebben verkregen, bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie, worden niet gesponsord.

6. Indien een gesponsord programmaonderdeel uit het buitenland is aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programmaonderdeel door de commerciële omroepinstelling.

7. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een programmaonderdeel waarvoor een overheidsinstelling of een andere instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van dat programmaonderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programmaonderdeel te bevorderen of mogelijk te maken.

Artikel 71l

1. Aan het begin of aan het einde van een programmaonderdeel van een commerciële omroepinstelling bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programmaonderdeel te worden uitgezonden, mogen de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben verstrekt aan de totstandkoming van het evenement, worden vermeld of getoond. De vermelding of vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen;

a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten; of

b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.

Artikel 71m

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 71j, 71k, tweede en derde lid, en 71l, eerste lid, worden in de programma's van commerciële omroepinstellingen geen namen, (beeld)merken, producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen.

2. Het vermelden of tonen van een naam, (beeld)merk, product, dienst of activiteit van een persoon, bedrijf of instelling in een programma wordt geacht te geschieden met het oogmerk, bedoeld in het eerste lid, indien zulks tegen betaling geschiedt.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het eerste lid.

4. Dit artikel is niet van toepassing op reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.

Artikel 71n

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt;

b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en

e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

5. Dit artikel is niet van toepassing op:

a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;

b. televisieprogramma's als bedoeld in artikel 71j;

c. televisieprogramma's die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.

6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 71o

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages lager vaststellen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor bijzondere omroep.

Artikel 71p

Een commerciële omroepinstelling neemt in haar programma geen films op buiten de met de rechthebbenden op de film overeengekomen periodes.

Artikel 71q

De artikelen 71g, 71h, tweede tot en met vijfde lid, 71i, 71j, 71l en 71n tot en met 71p zijn niet van toepassing op een televisieprogramma dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden, en dat:

a. voorzover het de beeldinhoud betreft, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden; of

b. hoofdzakelijk bestaat uit informatie met betrekking tot de door middel van een omroepzender of omroepnetwerk aangeboden programma's en diensten.

§ 3. Overige rechten en verplichtingen van commerciële omroepinstellingen

Artikel 71r

Een commerciële omroepinstelling die programmaonderdelen bestaande uit reclameboodschappen verzorgt, draagt er zorg voor dat zij aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De commerciële omroepinstelling toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.

Artikel 71s

Een commerciële omroepinstelling brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de samenstelling van programma's, een programmastatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.

Artikel 71t

Het is een commerciële omroepinstelling niet toegestaan een programmaonderdeel als bedoeld in artikel 51d, tweede lid, voor zover het betreft een onderdeel van een televisieprogramma waarvan de verspreiding in Nederland slechts mogelijk is na verwerving van de daarop betrekking hebbende rechten, uit te zenden of te doen uitzenden, indien:

a. de commerciële omroepinstelling niet tijdig aan de Stichting heeft medegedeeld dat zij de rechten, bedoeld in de aanhef, wenst te verwerven met uitsluiting van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; en

b. de Stichting binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in onderdeel a, aan de commerciële omroepinstelling te kennen heeft gegeven dat zij of een andere instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, het desbetreffende programmaonderdeel in haar programma wenst op te nemen.

Artikel 71u

1. Een commerciële omroepinstelling is aan het Commissariaat voor de Media jaarlijks een bedrag verschuldigd ter vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het toezicht.

2. De hoogte van de verschuldigde bedragen wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister, die hierbij een onderscheid maakt tussen radio- en televisieprogramma's en voorts in ieder geval rekening houdt met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma kan ontvangen.

3. Een commerciële omroepinstelling voldoet jaarlijks het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag aan het Commissariaat. Het Commissariaat stelt dit bedrag ter beschikking van Onze Minister.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de betaling van voorschotten op hetgeen een commerciële omroepinstelling ingevolge deze wet aan het Commissariaat verschuldigd zal zijn.

Artikel 71v

Een commerciële omroepinstelling doet jaarlijks aan het Commissariaat voor de Media een opgave toekomen van het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma op een door het Commissariaat te bepalen peildatum kan ontvangen.

Artikel 71w

Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van een commerciële omroepinstelling, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van die programma's anders dan met toestemming van de desbetreffende commerciële omroepinstelling, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.

Artikel 71x

1. Indien een omroepvereniging die een erkenning, onderscheidenlijk een voorlopige erkenning, heeft verkregen, voornemens is na afloop van de periode waarvoor erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als commerciële omroepinstelling een programma te verzorgen, dan wel een belang te verwerven in een commerciële omroepinstelling, meldt zij dit aan het Commissariaat voor de Media.

2. Na de melding is het die omroepvereniging in het laatste jaar van de periode waarvoor de erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend toegestaan die activiteiten te verrichten die noodzakelijk zijn om ervoor zorg te dragen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft, na afloop van de periode waarvoor de erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als commerciële omroepinstelling een programma kan verzorgen. Indien zij daardoor niet meer voldoet aan een of meer van de eisen genoemd in artikel 14, eerste lid, wordt zij voor de toepassing van de wet toch aangemerkt als een omroepvereniging.

Hoofdstuk IVA. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving

Artikel 72

1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst opgesteld van evenementen die, indien zij als een onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden op een open net. Daarbij kan worden bepaald welke van die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in artikel 3 bis van de Europese richtlijn.

2. Een evenement kan op de in het eerste lid bedoelde lijst worden geplaatst indien in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende voorwaarden:

a. het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse samenleving;

b. het evenement is van bijzondere culturele betekenis;

c. het evenement werd in het verleden ook reeds op een open net uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid;

d. het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan het nationale team deelneemt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Hiertoe behoren in ieder geval regels die bepalen of de op de lijst genoemde evenementen, indien zij als onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden op een open net door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.

Artikel 73

1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een commerciële omroepinstelling oefent verworven uitzendrechten die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 72, eerste lid, uit overeenkomstig de krachtens artikel 72 gestelde regels.

2. Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een commerciële omroepinstelling oefent na 30 juli 1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels, die door andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 3 bis, eerste lid, van de Europese richtlijn zijn gesteld.

Hoofdstuk V. De Wereldomroep

Artikel 73a [Vervallen per 15-12-1998]

Artikel 74 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 75 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 75a [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 75b [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 76

1. De Stichting Radio Nederland Wereldomroep heeft onder meer tot taak:

a. de uitvoering van de in artikel 13c, eerste lid, onderdeel c, bedoelde taak van de publieke omroep; en

b. het vastleggen of doen vastleggen van programma-onderdelen op beeld- en geluidsdragers en het ter beschikking stellen daarvan ten behoeve van omroepinstellingen buiten Nederland ter opneming in hun eigen programma's.

2. Het verzorgen van televisieprogramma’s door de Wereldomroep geschiedt in samenwerking met de Stichting. Ten behoeve van de verzorging van radioprogramma's door de Wereldomroep vindt samenwerking plaats met de Stichting.

3. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 52 tot en met 53a, 56a, eerste, vijfde en zesde lid, 64, eerste lid, aanhef en onderdeel d, 64b, eerste lid, en 64c is van overeenkomstige toepassing op de Wereldomroep en de door haar verzorgde programma's.

4. Ten minste vijftig procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Ten minste tien procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Artikel 54, tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en derde tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 76a

1. In de programma’s van de Wereldomroep mogen programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame worden opgenomen die bestaan uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.

2. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a en 50, achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting Etherreclame, is van overeenkomstige toepassing op het opnemen van programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in de programma’s van de Wereldomroep.

Artikel 77

1. Wijzigingen in de statuten van de Wereldomroep behoeven de instemming van Onze Minister.

2. Het bestuur van de Wereldomroep kan niet besluiten tot ontbinding van de Wereldomroep.

Artikel 78

De leden van het bestuur van de Wereldomroep worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.

Artikel 79

Het bestuur van de Wereldomroep is voor zijn beleid verantwoording schuldig aan Onze Minister. Het bestuur maakt jaarlijks een verslag van de werkzaamheden van de Wereldomroep openbaar.

Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 81

1. Er is een programmaraad die het bestuur van de Wereldomroep van advies dient over de inhoud van de programma's.

2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de programmaraad. De leden worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.

3. Het huishoudelijk reglement van de programmaraad behoeft de instemming van het bestuur van de Wereldomroep.

Artikel 82

1. De Stichting en de Wereldomroep roepen een commissie van overleg in het leven ter behartiging van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn.

2. De commissie pleegt onder meer overleg over:

a. het wederzijds tegen betaling van vergoeding ter beschikking stellen van daarvoor in aanmerking komende omroepfaciliteiten, organen, diensten, alsmede van het hierbij werkzame personeel, en hulpmiddelen;

b. buitenlandse aangelegenheden, die voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep als geheel van belang zijn; en

c. de wijze waarop de Stichting en de Wereldomroep samenwerken met het oog op de uitvoering van hun taken, alsmede het opstellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, de tussentijdse concessiebeleidsplannen, bedoeld in artikel 30b, derde lid, de begroting, bedoeld in artikel 98b, en de begrotingen, bedoeld in de artikelen 99 en 108.

Hoofdstuk VI. Het uitzenden van programma’s

§ 1. Het gebruik van omroepzenders

Artikel 82a

1. Het is de aanbieder van een omroepzender toegestaan:

a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen;

b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden verzorgd, indien deze een instelling is die zendtijd heeft verkregen, of krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming heeft verkregen een programma uit te zenden of te doen uitzenden;

c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad;

d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel van de omroepzender aangeboden programma’s en diensten uit te zenden.

2. Het uitzenden van een programma door middel van een omroepzender wordt steeds als een oorspronkelijke uitzending aangemerkt.

Artikel 82b [Vervallen per 15-12-1998]

Artikel 82c

1. Het Commissariaat voor de Media kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen door middel van een omroepzender een programma voor een bijzonder doel uit te zenden dat een beperkt bereik heeft of van beperkte duur is.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen bijzonder doel, beperkt bereik en beperkte duur, bedoeld in het eerste lid, nader omschreven worden.

3. Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.

§ 2. Het gebruik van frequentieruimte

Artikel 82d [Vervallen per 15-12-1998]

Artikel 82e

1. Onze Minister, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, wijst de frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het uitzenden van een radioprogramma dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke gevallen een radioprogramma aan deze eis voldoet.

2. Onze Minister wijst, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, andere frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt voor het uitzenden van bij die aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma’s die, gelet op hun aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudigingsgewijs hoge kosten meebrengen.

3. Indien aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het uitzenden van radioprogramma’s daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 82f

1. Voor de uitzending van radioprogramma’s van eenzelfde instelling wordt niet meer frequentieruimte gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een aantal met elkaar verbonden instellingen voor de toepassing van het eerste lid als één instelling wordt aangemerkt.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid, indien dat wenselijk is vanuit een oogpunt van doelmatig gebruik van frequentieruimte. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën frequentieruimte, bestaande uit FM-frequenties en samenstellen van FM-frequenties.

Artikel 82g

De artikelen 82e en 82f zijn niet van toepassing op:

a. de frequentieruimte die wordt gebruikt voor de uitzending van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen, of van de programma’s van de Wereldomroep;

b. frequentieruimte die wordt gebruikt ten behoeve van uitzending door middel van een satelliet.

§ 3. Het gebruik van omroepnetwerken

Artikel 82h

Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan:

a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen;

b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden verzorgd, indien deze krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming heeft verkregen een programma uit te zenden of te doen uitzenden;

c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad;

d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel van het omroepnetwerk aangeboden programma’s en diensten uit te zenden.

Artikel 82i

1. De aanbieder van een omroepnetwerk zendt onverkort, ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk ten minste vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en ten minste vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit, waaronder in ieder geval:

a. de televisie- en radioprogramma's waarvoor zendtijd is verkregen voor landelijke omroep en die worden uitgezonden op de televisie- en radioprogrammanetten, bedoeld in artikel 40, eerste en derde lid;

b. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51e, waarvoor zendtijd is verkregen voor regionale omroep dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, bestemd voor de provincie of deel van de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt;

c. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51f, waarvoor zendtijd is verkregen voor lokale omroep, dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in artikel 66, eerste lid, bestemd voor de gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt;

d. twee televisieprogramma's en twee radioprogramma's van de Nederlandstalige landelijke Belgische omroepdienst.

2. Voor zover een instelling die zendtijd heeft verkregen voor lokale omroep andere programma's voor algemene omroep dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, verzorgt, die gericht zijn op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden, zendt de aanbieder van een omroepnetwerk deze onverkort, ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending uit naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk, met dien verstande dat deze verplichting geldt voor uitzendingen op ten hoogste twee kanalen voor televisie en vijf kanalen voor radio. Op de volgens de vorige volzin doorgegeven programma's is artikel 51f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.

3. Indien op eenzelfde kanaal van een omroepnetwerk niet gelijktijdig verschillende programma's voor algemene omroep worden uitgezonden, worden deze programma's voor de toepassing van het eerste lid als één programma aangemerkt.

4. Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan naar een aangeslotene op het omroepnetwerk, op diens verzoek, minder dan vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en minder dan vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit te zenden, mits ten minste de programma's genoemd in het eerste lid, onder a tot en met d, worden uitgezonden, en mits aan de desbetreffende aangeslotene een tarief in rekening wordt gebracht dat evenredig lager is dan het tarief dat in rekening wordt gebracht voor de ontvangst van het met inachtneming van het eerste lid uitgezonden aantal programma's. Het derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.

5. Het Commissariaat voor de Media kan een aanbieder van een omroepnetwerk desgevraagd geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de kosten voor het onverkort nakomen van deze verplichtingen niet opwegen tegen het belang dat de aangeslotenen op het omroepnetwerk verzekerd zijn van de ontvangst van de programma's, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 82j [Vervallen per 01-02-2007]

Artikel 82k

1. In gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is, stelt de gemeenteraad een programmaraad in die de aanbieder van het omroepnetwerk adviseert welke vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep hij krachtens artikel 82i, eerste lid, ten minste uitzendt naar alle aangeslotenen op het netwerk.

2. De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad voorts een advies vragen over de overige programma's voor algemene omroep die hij uitzendt naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk.

3. De programmaraad maakt in zijn advies een duidelijk onderscheid tussen advisering als bedoeld in het eerste lid en advisering als bedoeld in het tweede lid.

4. Onverminderd artikel 82i, gaat de programmaraad in zijn advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket programma's voor algemene omroep, rekening houdend met de in de gemeente levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften.

5. De aanbieder van een omroepnetwerk volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 82l

1. De leden van een programmaraad als bedoeld in artikel 82k, eerste lid, worden benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwezig is. In gemeenten waar reeds een programmaraad functioneert, vindt de benoeming plaats na overleg met deze programmaraad.

2. Indien een aantal omroepnetwerken gekoppeld is en daardoor feitelijk als één omroepnetwerk functioneert, wordt met betrekking tot die gekoppelde omroepnetwerken één programmaraad ingesteld door de onderscheidene gemeenteraden gezamenlijk. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

3. Voor benoeming tot lid van een programmaraad komen in aanmerking personen die:

a. woonachtig zijn in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en

b. die aangesloten zijn op het omroepnetwerk in dat gebied, dan wel deel uitmaken van een huishouden dat daarop is aangesloten.

4. Met het lidmaatschap van een programmaraad zijn onverenigbaar:

a. een lidmaatschap van een gemeenteraad in een gemeente die behoort tot het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft,

b. een lidmaatschap van een College van Burgemeester en Wethouders in een gemeente als bedoeld in onderdeel a,

c. een binding met de aanbieder van het omroepnetwerk dat aanwezig is in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en

d. een lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking, al dan niet tegen betaling, bij een instelling van de publieke omroep dan wel een commerciële omroepinstelling.

5. Een vacature van de programmaraad wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden vervuld.

6. De leden van een programmaraad worden benoemd voor een periode van vier jaar met de mogelijkheid van een eenmalige herbenoeming voor dezelfde periode.

Artikel 82m

1. De programmaraad is representatief voor de belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen en beschikt als geheel over voldoende kennis van de informatiebehoeften van bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling binnen het kijk- en luisterpubliek.

2. De gemeenteraad bepaalt de omvang van een programmaraad, met dien verstande dat een programmaraad bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste vijftien leden. Artikel 82l, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 82n

1. Een programmaraad beschikt over een reglement waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over:

a. de wijze waarop de instelling, de taak en de samenstelling van de programmaraad kenbaar wordt gemaakt aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en

b. de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het advies van de programmaraad.

2. Het reglement van een programmaraad voorziet in een transparante adviesprocedure.

Artikel 82o

De artikelen 82k tot en met 82n zijn niet van toepassing op de aanbieder van een omroepnetwerk waaraan het Commissariaat voor de Media ontheffing heeft verleend op grond van artikel 82i, vijfde lid.

Hoofdstuk VII. Het Bedrijf

Artikel 83

Het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. maakt de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, gereed voor uitzending en doet deze programma's uitzenden.

Artikel 84

1. Het is het Bedrijf, na toestemming door Onze Minister, toegestaan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 83, geheel of ten dele te doen geschieden door een andere rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon:

a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der lidstaten van de Europese Unie;

b. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste eenenvijftig procent wordt verschaft door het Bedrijf; en

c. een rechtspersoon is waarin het Bedrijf de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te ontslaan.

2. Onze Minister kan aan het verlenen van toestemming voorschriften verbinden.

3. In geval van toepassing van het eerste lid, blijft het Bedrijf jegens Onze Minister verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is jegens het Bedrijf verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op het Bedrijf rustende verplichtingen. Het Bedrijf geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, daartoe de nodige instructies, die deze gehouden is op te volgen.

4. In geval van toepassing van het eerste lid, geldt het bij of krachtens de artikelen 88 tot en met 95 en artikel 173 bepaalde met betrekking tot het Bedrijf mede ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 85 [Vervallen per 01-05-1999]

Artikel 86 [Vervallen per 01-05-1999]

Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1992]

Artikel 88

1. Het Bedrijf draagt er zorg voor dat de programma's die worden aangeboden door instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.

2. Indien zich een onverwachte gebeurtenis van nationaal of groot maatschappelijk belang of een onverwachte internationale gebeurtenis van bijzondere aard voordoet, stelt het Bedrijf op verzoek van de Stichting de faciliteiten ter beschikking die nodig zijn om de verslaglegging van die gebeurtenis door de Stichting mogelijk te maken.

Artikel 89

1. Voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 83, stelt Onze Minister gelden ter beschikking.

2. Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

Artikel 90

Het Bedrijf brengt aan de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, geen tarieven in rekening voor de activiteiten waarvoor Onze Minister met toepassing van artikel 89 aan het Bedrijf gelden ter beschikking stelt.

Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1992]

Artikel 92

Het Bedrijf voert voor de taak, bedoeld in artikel 83, een boekhouding die inzicht geeft in de financiën die op die taak afzonderlijk betrekking hebben.

Artikel 93

De begroting en jaarrekening van het Bedrijf met betrekking tot de taak, bedoeld in artikel 83, behoeven de instemming van Onze Minister. Deze hoort daaromtrent de Stichting.

Artikel 94

Op vordering van de Staat heft de voorzieningenrechter in kort geding een beslag op bezittingen van het Bedrijf op voor zover het beslag de uitzending van programma’s in gevaar brengt en dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd is met het algemeen belang.

Artikel 95

Indien het Bedrijf in strijd handelt met artikel 83, is Onze Minister bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Artikel 96 [Vervallen per 01-05-1999]

Artikel 97 [Vervallen per 01-05-1999]

Artikel 98 [Vervallen per 01-05-1999]

Hoofdstuk VIII. Financiering

§ 1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep

Artikel 98a

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks vóór 1 augustus voor elk televisie- en radioprogrammanet een netbegroting op.

2. De netbegrotingen bevatten in ieder geval:

a. een beschrijving van de wijze waarop op het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering, rekening houdend met het netprofiel van het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en radioprogrammanetten;

b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en wier zendtijd op het net is ingedeeld met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid;

c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de programmering op het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren;

d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten.

3. De netbegrotingen hebben geen betrekking op het programma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting.

4. De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing op de netbegrotingen.

Artikel 98b

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 augustus een begroting voor het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, alsmede de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting vast.

2. De begroting, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering van de Stichting, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en radioprogrammanetten;

b. een beschrijving van de voornemens van de Stichting met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid;

c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar naar het oordeel van de raad van bestuur nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren;

d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten;

e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.

3. De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing op de begroting van de Stichting.

Artikel 98c [Vervallen per 01-09-2000]

Artikel 99

1. De Stichting doet jaarlijks voor 1 oktober een begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat voor de Media. De begroting wordt, rekening houdende met de netbegrotingen, bedoeld in artikel 98a, door de raad van bestuur vastgesteld.

2. De begroting bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die zendtijd hebben verkregen op de televisie- en radioprogrammanetten invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisieen radioprogrammanetten;

b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid;

c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zullen zijn om de voornemens van de landelijke omroep en van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren;

d. een beschrijving van de wijze waarop de raad van bestuur voornemens is het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, de gelden, bedoeld in artikel 106a, alsmede de uitkeringen, bedoeld in artikel 170c, tweede lid, te besteden;

e. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten;

f. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.

3. In de begroting worden afzonderlijk opgenomen:

a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van:

1°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen;

2°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, van de Stichting;

3°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep;

4°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen;

b. de bedragen die nodig zullen zijn voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

c. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van:

1°. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma en het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; en

2°. het uitzenden van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

d. de bedragen die nodig zullen zijn voor de versterking van de programmering;

e. de eigen inkomsten van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor zover die moeten worden aangewend voor de verzorging van het programma;

f. het aantal uren zendtijd, dat de Programmastichting en de omroepverenigingen ten minste zullen gebruiken.

4. In de begroting wordt tevens aangegeven de hoogte van de bedragen:

a. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen van informatieve, educatieve en culturele aard, waaronder programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst;

b. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen die gericht zijn op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden;

c. die de Programmastichting voornemens is te besteden aan programma-onderdelen van culturele aard en programma-onderdelen gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden;

d. de bedragen die de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijk omroep voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen als bedoel in artikel 54, tweede lid.

5. De begroting bevat tevens:

a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep in het afgelopen jaar invulling is gegeven aan de programmering;

b. een beschrijving van de mate waarin in het afgelopen jaar de in de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 30b, zevende lid, vastgelegde doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep zijn bereikt;

c. een overzicht van de feitelijke bestedingen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, ingedeeld volgens de onderverdeling die in het tweede tot en met vierde lid is opgenomen, welk overzicht in ieder geval betrekking heeft op de twee voorafgaande kalenderjaren;

d. een verslag over de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, in het afgelopen jaar.

6. Ten behoeve van het opstellen van het overzicht van de feitelijke bestedingen doet elke instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, jaarlijks voor 1 mei aan de Stichting toekomen een individuele opgave van haar feitelijke bestedingen in het voorafgaande kalenderjaar, ingedeeld volgens de onderverdeling die in het tweede tot en met vierde lid is opgenomen.

7. De begroting wordt door de raad van bestuur openbaar gemaakt.

Artikel 99a

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99.

Artikel 100

Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 99, aan Onze Minister.

Artikel 101

1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de kosten van:

a. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen tezamen;

b. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten, als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting;

c. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen;

d. de verzorging van televisieprogramma's onderscheidenlijk radioprogramma's en de activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen tezamen;

e. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, van de overige instellingen die zendtijd hebben verkregen, te zamen;

f. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma;

g. het uitzenden van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; en

h. de versterking van de programmering.

2. Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, vast op tachtig procent van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de Stichting de begroting, bedoeld in artikel 99, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld krachtens artikel 99a, aan Onze Minister heeft doen toekomen.

3. Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, bedraagt vijfentwintig procent van het totaal van de bedragen die beschikbaar zijn voor de verzorging van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. Onder versterking van de programmering wordt verstaan:

a. versterking van het onderscheidend karakter van de programmering van de publieke omroep;

b. bevordering van een herkenbare programmering op de onderscheiden televisie- en radioprogrammanetten, waaronder tevens wordt verstaan bevordering van samenwerkingsprojecten op en tussen de programmanetten;

c. bevordering van de programmering van programma-onderdelen gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden;

d. bevordering van de programmering van programma-onderdelen van culturele aard en programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst, waaronder in elk geval toneel, documentaires, film, hoorspelen, klassieke muziek en opera.

4. Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, komt geheel ten goede aan de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.

Artikel 102

Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid, ter beschikking van de raad van bestuur. De raad van bestuur verdeelt de bedragen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 103

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdeel a, genomen besluit, vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar ter beschikking worden gesteld aan de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, ten behoeve van de verzorging van hun televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, met dien verstande dat:

a.  de Programmastichting en de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel a, elk hetzelfde bedrag ontvangen;

b.  de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel b, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftig procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a; en

c. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftien procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a.

2. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdelen d en e, genomen besluit, vast welk bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, die is toegewezen en gebruikt, voor het volgende kalenderjaar ter beschikking wordt gesteld aan de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, en aan de overheid ten behoeve van overheidsvoorlichting.

3. Het bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend zijn per categorie instellingen.

Artikel 103a

De raad van bestuur kan voor een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, de voor het volgende kalenderjaar vast te stellen bedragen, bedoeld in artikel 103, eerste en tweede lid, verminderen met ten hoogste 15% van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur, dan wel indien een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid.

Artikel 103b

Voor zover er een verschil bestaat tussen het totaal van de bedragen die op basis van artikel 102 door Onze Minister ter beschikking zijn gesteld van de raad van bestuur, en het totaal van de bedragen die op basis van de artikelen 103 en 103a door de raad van bestuur ter beschikking worden gesteld aan de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, wordt dit verschil door de raad van bestuur aangewend ter versterking van de programmering. Artikel 101, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 104

1. De Programmastichting , de omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die zendtijd hebben verkregen, ontvangen van de raad van bestuur het op basis van artikel 103, eerste lid, of artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van de verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid.

2. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel b, of artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting blijft ter beschikking van de raad van bestuur.

3. De overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, ontvangen van de raad van bestuur ter vergoeding van de kosten van de verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, een bedrag dat verkregen wordt door vermenigvuldiging van het aantal toegewezen en gebruikte uren zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, met het op basis van artikel 103, tweede en derde lid, of artikel 103a berekende bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's.

4. In bijzondere gevallen kan de raad van bestuur op aanvraag van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, bepalen dat ten hoogste tien procent van het bedrag dat aan die instelling ter beschikking wordt gesteld ter vergoeding van de kosten van de verzorging van haar radioprogramma, kan worden besteed aan de kosten van de verzorging van haar televisieprogramma, of andersom.

Artikel 105

1. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel f, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het programma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het programma van de Stichting, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.

2. Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel g, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.

Artikel 106

1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, ontvangen van de raad van bestuur voorschotten volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2. Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan de raad van bestuur de verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.

Artikel 106a

1. Onze Minister kan – naast de bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid – gelden ter beschikking stellen van de raad van bestuur, welke gelden voor doeleinden die door Onze Minister bij het ter beschikking stellen zijn vastgesteld, kunnen worden aangewend ten behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep.

2. Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

Artikel 106b

Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.

§ 2. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep

Artikel 107

1. Het provinciebestuur draagt zorg voor de bekostiging van het functioneren van ten minste één regionale omroepinstelling in de provincie door vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het functioneren van de regionale omroepinstelling, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk is en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd. Deze bekostiging waarborgt in ieder geval dat per provincie het in 2004 bestaande niveau van de activiteiten met betrekking tot de verzorging van radio- en televisieprogramma’s en van de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de regionale omroepinstelling(en) ten minste gehandhaafd blijft.

2. Aan de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, worden geen voorwaarden gesteld of voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

3. Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.

§ 3. De Wereldomroep

Artikel 108

1. De Wereldomroep doet jaarlijks voor 1 oktober een begroting toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat voor de Media.

2. De begroting bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de wijze waarop door de Wereldomroep uitvoering wordt gegeven aan haar taak, bedoeld in artikel 76;

b. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zullen zijn om de voornemens van de Wereldomroep te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren;

c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten;

d. een beschrijving van de wijze van samenwerking met de Stichting.

3. In de begroting worden afzonderlijk opgenomen:

a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep;

b. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van:

1°. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's; en

2°. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep;

c. de eigen inkomsten van de Wereldomroep, voor zover die moeten worden aangewend voor de verzorging van de programma's.

4. In de begroting wordt tevens een overzicht gegeven van de feitelijke bestedingen van de Wereldomroep. Het overzicht heeft in ieder geval betrekking op de twee voorafgaande kalenderjaren.

5. In de begroting wordt tevens aangegeven het aantal uren dat de Wereldomroep voornemens is te besteden aan programma-onderdelen die zijn geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, dan wel voor programma-onderdelen die reeds als programma-onderdelen van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, zijn uitgezonden.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting.

Artikel 108a

Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 108, aan Onze Minister.

Artikel 108b

1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de kosten van:

a. de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep;

b. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's; en

c. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep.

2. Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, vast op tachtig procent van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de Wereldomroep de begroting, bedoeld in artikel 108, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld krachtens artikel 108, zesde lid, aan Onze Minister heeft doen toekomen.

Artikel 108c

Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 108b, eerste lid, ter beschikking van het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat besteedt deze bedragen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 108d

1. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van de verzorging van haar programma's.

2. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel b, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's.

3. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel c, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van haar programma's.

Artikel 108e

1. De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media voorschotten volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2. Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan het Commissariaat de verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.

§ 4. De rekening en verantwoording

Artikel 109

1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep – met uitzondering van de overheid – en de Wereldomroep leggen financiële rekening en verantwoording af aan het Commissariaat voor de Media ten behoeve van de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven. Zij doen daartoe jaarlijks voor 1 mei hun jaarrekening toekomen aan het Commissariaat. Het boekjaar is gelijk aan een kalenderjaar.

2. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep – met uitzondering van de overheid – doen jaarlijks voor 1 mei een afschrift van hun jaarrekening over het voorafgaande boekjaar toekomen aan de raad van bestuur. De raad van bestuur zendt voor 1 juni zijn opmerkingen met betrekking tot de jaarrekeningen aan het Commissariaat.

3. Titel 9 van het Tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de instellingen, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

4. De jaarrekening bevat tevens de gegevens, bedoeld in artikel 99, zesde lid.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting van de jaarrekening.

6. Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 12, tweede lid, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 109a

1. Indien het bedrag dat aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, ter beschikking is gesteld voor de verzorging van haar televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, de blijkens de jaarrekening daarvoor gemaakte kosten te boven gaat, wordt het resterende deel door die instelling gereserveerd ter besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter beschikking was gesteld, onverminderd artikel 104, vierde lid. De raad van bestuur kan voor deze reserveringen een maximum per categorie instellingen vaststellen. Indien het deel van het ter beschikking gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken, groter is dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil door de instelling terugbetaald aan de raad van bestuur.

2. Indien het bedrag dat krachtens artikel 108d, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, aan de Wereldomroep ter beschikking is gesteld, de blijkens de jaarrekening gemaakte kosten te boven gaat, wordt het resterende deel door de Wereldomroep gereserveerd ter besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter beschikking was gesteld. Het Commissariaat voor de Media kan voor deze reserveringen een maximum vaststellen. Indien het deel van het ter beschikking gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken, groter is dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil door de instelling terugbetaald aan het Commissariaat.

3. Voor zover ter beschikking gestelde bedragen zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven:

a. betaalt de instelling op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan de raad van bestuur, tenzij het de Stichting of de Wereldomroep betreft;

b. betaalt de Stichting of de Wereldomroep op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan het Commissariaat;

c. betaalt, indien het gelden als bedoeld in artikel 101, eerste lid, onderdeel h, en derde en vierde lid, artikel 106a, of artikel 170c, tweede lid, betreft die aan de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen beschikbaar zijn gesteld en onverminderd de onderdelen a en b, de instelling op eerste vordering van de raad van bestuur deze bedragen terug aan de raad van bestuur;

d. betaalt, indien de in onderdeel c bedoelde gelden met instemming van de raad van bestuur zijn gebruikt, de raad van bestuur op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan het Commissariaat.

4. Indien de toewijzing van zendtijd aan een instelling wordt beëindigd, betaalt zij de reserveringen, bedoeld in het eerste lid, en de ter beschikking gestelde bedragen, voor zover deze niet zijn gebruikt overeenkomstig artikel 104, op eerste vordering aan de raad van bestuur terug.

Artikel 109b

1. Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan de raad van bestuur. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door de raad van bestuur vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter versterking van de programmering en de coördinatie; artikel 101, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor regionale omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het Commissariaat vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 28, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28, onderdeel d.

Artikel 109c

1. Indien een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, haar jaarrekening niet tijdig aan het Commissariaat voor de Media doet toekomen, vermindert de raad van bestuur op eerste verzoek van het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting, bedoeld in artikel 106, eerste lid, met twintig procent. Indien een instelling ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in gebreke blijft met het indienen van haar jaarrekening, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de verstrekking van de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen. De raad van bestuur voldoet terstond aan een dergelijk verzoek.

2. Indien de Wereldomroep zijn jaarrekening niet tijdig aan het Commissariaat doet toekomen, vermindert het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting, bedoeld in artikel 108e, eerste lid, met twintig procent. Indien de Wereldomroep ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in gebreke blijft met het indienen van zijn jaarrekening, kan het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen.

Artikel 109d

1. Deze paragraaf is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag slechts van toepassing, voor zover het betreft de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de omroepactiviteiten.

2. Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.

Artikel 109e [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 110

De instellingen die zendtijd hebben verkregen voorzien op onafhankelijke wijze in publieke omroep door verzorging van publieke omroepprogramma's. Daartoe hebben de instellingen die zendtijd hebben verkregen op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.

Artikel 111

1. Ter uitvoering van artikel 110 en ter bestrijding van de overige kosten genoemd in artikel 28, met uitzondering van de onder d bedoelde, wordt onder de naam rijksomroepbijdrage jaarlijks door Onze Minister een bedrag beschikbaar gesteld.

2. De in het eerste lid bedoelde rijksomroepbijdrage bestaat ten minste uit het bedrag van de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende bepalingen van deze wet aan Onze Minister afgedragen inkomsten. Onze Minister stelt het in de vorige volzin bedoelde bedrag jaarlijks bij met de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland en met de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.

3. Het op grond van het tweede lid vastgestelde bedrag van de rijksomroepbijdrage wordt verminderd met € 92,448 miljoen.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

5. Aan de beschikbaarheid van de rijksomroepbijdrage worden geen andere voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die bij of krachtens deze wet zijn of kunnen worden gesteld.

6. Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt verlaagd met het bedrag dat over het kalenderjaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikellid ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Media, beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van regionale omroep.

Artikel 111a [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 111b [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 111c [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 114 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 115 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 116 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 117 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 117a [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 118 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 119 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 120 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 121 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122a [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122b [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122c [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122d [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122e [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122f [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122g [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122h [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122i [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122j [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122k [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122l [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122m [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 122n [Vervallen per 01-01-2000]

Hoofdstuk IX. Steunmaatregelen voor persorganen

Artikel 123

1. Er is een Stimuleringsfonds voor de pers dat ten doel heeft het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Het Stimuleringsfonds heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente 's-Gravenhage.

2. Naast de taken die het Stimuleringsfonds heeft op grond van andere wettelijke bepalingen, heeft het Stimuleringsfonds tot taak:

a. het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde met betrekking tot de pers

b. het verrichten dan wel doen verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van de pers.

3. Met het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde toezicht op de naleving zijn belast de leden van het bestuur van het Stimuleringsfonds en de bij besluit van het bestuur daartoe aangewezen medewerkers van het Stimuleringsfonds.

4. Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 124

1. Het Stimuleringsfonds voor de pers heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen.

2. Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.

3. Met het lidmaatschap van het bestuur zijn onverenigbaar:

a. een betrekking in dienst bij een ministerie of bij een instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat, onder de verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is;

b. een bestuurslidmaatschap bij, of een betrekking in dienst van een persorgaan, of de uitgever van een persorgaan.

4. Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het Stimuleringsfonds wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden van een betrekking die, of van een lidmaatschap dat met het lidmaatschap van het bestuur van het Stimuleringsfonds onverenigbaar is.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de bestuursleden van het Stimuleringsfonds en van zijn personeel.

Artikel 125

1. Het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers neemt besluiten bij meerderheid van stemmen. Van een besluit tot steunverlening wordt binnen een week nadat het is genomen mededeling gedaan aan Onze Minister.

2. Het bestuur stelt regels vast over de besluitvorming en de werkwijze van het bestuur. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 126

De kosten van het Stimuleringsfonds voor de pers worden door Onze Minister vergoed. De begroting en de jaarrekening behoeven zijn instemming.

Artikel 127

1. Besluiten van het Stimuleringsfonds voor de pers kunnen gedurende zes weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister, dan wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2. Schorsing van besluiten van het Stimuleringsfonds kan slechts plaatsvinden gedurende vier weken dagen na de mededeling daarvan aan Onze Minister.

3. In afwijking van artikel 10:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan schorsing of vernietiging alleen geschieden wegens strijd met het recht.

4. Een koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.

5. Een besluit tot toekenning van financiële steunverlening treedt eerst in werking na afloop van een termijn van vier weken of zoveel eerder als Onze Minister heeft medegedeeld niet tot een voordracht voor schorsing of vernietiging over te gaan.

Artikel 128

1. Onze Minister bepaalt welk percentage van de inkomsten uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen van de Stichting Etherreclame, de lokale en regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, en de commerciële omroepinstellingen jaarlijks wordt uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers. Dit percentage is niet hoger dan vier.

2. De uitgaven van het Stimuleringsfonds worden bestreden uit de in het eerste lid bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare middelen.

3. Onze Minister kan nadere regels geven over de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde inkomsten.

Artikel 129

1. Het Stimuleringsfonds voor de pers kan binnen de door Onze Minister met toepassing van artikel 128 beschikbaar gestelde bedragen ten behoeve van persorganen aan de uitgever van een persorgaan financiële steun verlenen.

2. Financiële steun kan uitsluitend worden verleend ten behoeve van persorganen die voldoen aan de volgende eisen:

a. zij worden in Nederland uitgegeven en zijn bestemd voor het publiek in Nederland;

b. zij bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming;

c. zij worden geredigeerd door een zelfstandige redactie op basis van een statuut waarin de redactionele identiteit is neergelegd;

d. zij verschijnen regelmatig en tenminste maandelijks;

e. zij zijn voor iedereen verkrijgbaar;

f. zij worden verkrijgbaar gesteld tegen betaling;

g. zij worden niet uitgegeven door of vanwege de overheid;

h. zij worden niet uitgegeven of verspreid in samenhang met het lidmaatschap, donateurschap of deelnemerschap van een vereniging, kerkgenootschap of andere organisatie.

Artikel 130

1. Het Stimuleringsfonds voor de pers kan ten behoeve van persorganen individuele financiële steun verlenen in de vorm van krediet en kredietfaciliteiten, indien de continuïteit dan wel het starten van de exploitatie van het persorgaan in gevaar is respectievelijk niet mogelijk is en de noodzakelijke steun niet of niet afdoende op andere wijze kan worden verkregen.

2. De financiële steun wordt slechts verleend indien de verantwoordelijke uitgever een project indient dat uitzicht biedt op een rendabele exploitatie binnen een redelijke periode. De financiële steun wordt slechts verleend onder voorwaarde van uitvoering van het door het Stimuleringsfonds goedgekeurde project.

3. Financiële steun voor de start van de exploitatie van een persorgaan kan uitsluitend worden verleend aan persorganen die tenminste zes keer per week verschijnen en voor ten hoogste de helft van de begrote kosten van het in het tweede lid bedoelde project.

4. Uitsluitend ten behoeve van een éénmalige reorganisatie van een persorgaan kan de in het eerste lid bedoelde financiële steun worden verleend in de vorm van een uitkering indien het in het tweede lid bedoelde project niet op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd met behulp van kredietverlening en kredietfaciliteiten.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gevallen nadere regels worden gesteld.

Artikel 131

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het Stimuleringsfonds voor de pers in andere gevallen dan bedoeld in artikel 130, vierde lid, financiële steun aan persorganen kan verlenen in de vorm van uitkeringen. Daarbij wordt bepaald voor welke doeleinden de uitkering kan worden verleend, alsmede aan welke nadere eisen persorganen en de uitgevers van die persorganen dienen te voldoen om voor een uitkering in aanmerking te komen.

Artikel 132

1. Financiële steun wordt verleend op aanvraag. Het Stimuleringsfonds voor de pers beslist schriftelijk op de aanvraag. Aanvragen voor individuele financiële steun op grond van artikel 130 worden in volgorde van ontvangst in behandeling genomen en beslist. Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen afgewezen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de aard van de voorschriften die het Stimuleringsfonds aan een besluit tot financiële steunverlening kan verbinden. De voorschriften hebben geen betrekking op de inhoud van de persorganen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening en de wijze van behandeling van de aanvragen tot financiële steun, de hoogte en de wijze van berekening daarvan, de er aan te verbinden voorschriften, de verstrekking van voorschotten, de beëindiging en de terugvordering van de steun.

Artikel 133 [Vervallen per 01-01-1992]

Hoofdstuk X. Bestuursrechtelijke handhaving door het commissariaat voor de media

Artikel 134

1. Het Commissariaat voor de Media is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens:

a. de hoofdstukken III tot en met VI, met uitzondering van de artikelen 18 tot en met 24, 31 tot en met 38, 40 tot en met 41, 41b en 41c;

b. de artikelen 98b tot en met 99a, 103b, 106a en 107 tot en met 109e;

c. hoofdstuk XI.

2. Het Commissariaat oefent geen voorafgaand toezicht uit op de inhoud van een programma.

3. Met het toezicht op de naleving van de in het eerste lid genoemde onderdelen van deze wet zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.

4. Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

5. Het Commissariaat stelt jaarlijks voor 1 november Onze Minister in kennis van het voorgenomen handhavingsbeleid in het volgende kalenderjaar.

Artikel 134a [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 135

1. Het Commissariaat voor de Media kan de Stichting, de verzorger van een programma dat door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt uitgezonden, de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk en de Wereldomroep een bestuurlijke boete opleggen:

a. van ten hoogste € 225 000,– per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 71t, 72, 73, 82i, 82j, 82f, 82k, tweede lid, 173 en 174;

b. van ten hoogste € 135 000,– per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 39b, 41a, 43b, 43c, 48 tot en met 52d, 53, zesde lid, 53a tot en met 58, 61a tot en met 68, 71a, 71e tot en met 71s, 76, vierde lid, 82a tot en met 82e, 82h, 161, 166, 167c en 168;

c. van ten hoogste € 35 000,–, per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens enig ander bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het Commissariaat draagt de opbrengst van de bestuurlijke boeten af aan Onze Minister. De afgedragen opbrengst dient ter aanwending voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.

Artikel 136 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 137

Een boete opgelegd krachtens artikel 135 kan bij dwangbevel door het Commissariaat voor de Media worden ingevorderd. Het dwangbevel wordt op kosten van degene tot wie het gericht is bij deurwaardersexploit betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven. Binnen 30 dagen na de betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het Commissariaat. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging.

Artikel 138 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 138a [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 138b

De in artikel 134, derde lid, bedoelde toezichthouders zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 138c [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 138d

Instellingen die een programma voor binnenlandse omroep verzorgen en de Wereldomroep bewaren gedurende twee weken na de uitzending opnamen van hun uitgezonden programma's. Zij stellen deze opnamen desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat voor de Media.

Artikel 138e [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 139

Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen en de Wereldomroep dragen er zorg voor dat de leden van het Commissariaat voor de Media en de door hen daartoe aangewezen medewerkers van het Commissariaat desgevraagd inzage verkrijgen in - en kopieën kunnen maken van - de zakelijke gegevens en bescheiden van de bedrijven of ondernemingen die hebben meegewerkt aan de verzorging van hun programma-onderdelen, voor zover dat voor de vervulling van de toezichthoudende taak van het Commissariaat met betrekking tot de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 52, 52a, 52b, 55, 56 en 56a door de instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep, redelijkerwijs nodig is.

Artikel 140 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 141 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 142 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 143 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 144 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 144a [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 144b [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 144c [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 144d [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145a [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145b [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145c [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145d [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145e [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145f [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145g [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 145h [Vervallen per 01-01-2000]

Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Overgangsbepalingen

Artikel 146

Het Commissariaat voor de Media, de Stichting en het Bedrijf staan als hoofdelijke schuldenaar over en weer garant voor de nakoming van de financiële verplichtingen die voor 1 januari 1988 door de Nederlandse Omroep Stichting zijn aangegaan.

Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 148 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 149 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 150 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 151 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 152 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 153

Indien het Rijk met toepassing van de Omroepwet aan een instelling die zendtijd heeft verkregen, een bijdrage in investeringen heeft verleend, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het Commissariaat vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 28, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28, onderdeel d.

Artikel 154 [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 155 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 156 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 157 [Vervallen per 25-01-1991]

Artikel 158 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 159 [Vervallen per 01-01-1992]

Artikel 160 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 161

1. Het is de Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Bloemendaal toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Bloemendaal. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Bloemendaal.

2. Het is de Generale Synode der Gereformeerde Kerken toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Apeldoorn.

3. Met betrekking tot het in dit artikel bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld, daaronder begrepen de mogelijkheid tot intrekking van de in dit artikel gegeven toestemmingen.

Artikel 162 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 163 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 164 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 165 [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 165a [Vervallen per 31-12-2003]

§ 2. Slotbepalingen

Artikel 166

1. Het Commissariaat voor de Media kan eenmaal voor een periode van drie jaren zendtijd voor televisie toewijzen aan de Stichting ten behoeve van een programma dat bestaat uit een samenstel van ten minste zeven verschillende regionale programma-edities die tegelijkertijd op een van de televisieprogrammanetten, genoemd in artikel 40, worden uitgezonden.

2. De zendtijd, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend, indien:

a. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt zowel over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, als over de inhoud van de verschillende regionale programma-edities;

b. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inkomsten uit de reclameboodschappen en telewinkelboodschappen in en aansluitend op de verschillende regionale programma-edities; en

c. de verschillende regionale programma-edities worden geproduceerd door de regionale omroepinstellingen.

3. Voor de toepassing van deze wet wordt het programma, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een programma voor landelijke omroep, onderscheidenlijk een programma van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, met dien verstande dat op de verschillende programma-edities niet artikel 51d, maar artikel 51e van toepassing is.

Artikel 167 [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 167a [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 167b [Vervallen per 01-09-1997]

Artikel 167c

1. Het Commissariaat voor de Media kan regels stellen met betrekking tot het uitzenden van toetsbeelden.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen of op welke tijden geen toetsbeelden worden uitgezonden door middel van de omroepzenders door middel waarvan ook de programma’s van de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, worden uitgezonden.

Artikel 168

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het uitzenden van programma’s uitsluitend bestemd voor de in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.

Artikel 169

Onze Minister stelt regels ter uitvoering van de artikelen 12, 15 en 16 van de Europese richtlijn, voor zover naar het oordeel van Onze Minister een of meer van deze artikelen niet, niet voldoende, niet juist of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse Reclame Code of in een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke blijft met het toezicht daarop.

Artikel 170

1. Onze Minister richt de Stichting stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepprodukties op.

2. De stichting heeft tot taak het verstrekken van financiële bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van programmaonderdelen en programmamateriaal voor activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van bijzondere Nederlandse culturele aard, ten behoeve van omroepverenigingen, de Stichting, de Programmastichting, de educatieve omroepinstelling, dan wel kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, alsmede de Wereldomroep.

3. De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. De leden van het bestuur worden benoemd en ontslagen door Onze Minister. Twee leden worden benoemd uit de kring van de omroep en twee leden uit de kring van de film- en podiumkunsten. Van de andere leden wordt één tot voorzitter benoemd.

4. Wijzigingen in de statuten van de stichting behoeven de instemming van Onze Minister. Het bestuur van de stichting kan niet besluiten tot ontbinding van de stichting.

5. Onze Minister verstrekt jaarlijks aan de stichting uit de middelen bedoeld in artikel 28 en artikel 110 een uitkering. De hoogte van de uitkering is tenminste gelijk aan eenzestiende deel van de afgedragen inkomsten van de Stichting Etherreclame van dat jaar. De begroting en jaarrekening behoeven zijn instemming.

6. De stichting verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

7. Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de stichting.

Artikel 170a

1. De instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 28, onderdelen j en k, dienen eenmaal per vier jaren bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vier jaren in. Deze meerjarenplannen zijn afgestemd op de voor de desbetreffende periode geldende cultuurnota, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en op de voor de desbetreffende periode geldende begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, bedoeld in artikel 99.

2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen jaarlijks voor 1 juni bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.

3. Het meerjarenplan en de jaarrekening behoeven de instemming van Onze Minister. Met betrekking tot het meerjarenplan hoort Onze Minister daaromtrent de Stichting.

4. Aan het ter beschikking stellen van een vergoeding als bedoeld in artikel 28, onderdelen j en k, kunnen voorschriften worden verbonden.

5. Indien niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, of de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd, kan Onze Minister de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken, dan wel de beschikking tot het ter beschikking stellen van een vergoeding wijzigen.

Artikel 170b [Vervallen per 01-01-2000]

Artikel 170c

1. Onze Minister kan een deel van de inkomsten van de Stichting Etherreclame, bedoeld in artikel 28, en de rijksomroepbijdrage, bedoeld in artikel 111, reserveren ten behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen, en de Wereldomroep (de algemene omroepreserve).

2. Onze Minister kan uit de algemene omroepreserve uitkeringen doen aan de raad van bestuur en, ten behoeve van de Wereldomroep, aan het Commissariaat voor de Media. Het doen van uitkeringen aan de raad van bestuur geschiedt met toepassing van artikel 106a.

3. Aan het doen van uitkeringen kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het doen van uitkeringen intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

4. Het beheer van de algemene omroepreserve berust bij het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat legt over het beheer jaarlijks verantwoording af aan Onze Minister.

Artikel 171

Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van de artikelen 4, 54, 71n, 72, 73, en 76 en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 172

Besluiten van het Commissariaat voor de Media houdende nadere regels die op grond van deze wet worden vastgesteld worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 173

Bij algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond waarvan in geval van buitengewone omstandigheden zendtijd en het gebruik van studio's, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten.

Artikel 174

1. Onze Minister-President is bevoegd in de algemene noodtoestand, na overleg met Onze Minister, regels te stellen ten aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s en het toezicht daarop. In die regels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 134.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt onverwijld beëindigd zodra artikel 31, eerste lid, van de Oorlogswet voor Nederland in werking wordt gesteld.

Artikel 175

Een krachtens de artikelen 30a, vijfde lid, 39, vijfde lid, 39b, 41c, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 43c, derde lid, 52, tweede lid, 57a, tweede lid, 64, tweede lid, 71o, tweede lid, 130, vijfde lid, 131 en 132, tweede en derde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 176

Bij koninklijk besluit wordt bepaald op welk tijdstip deze wet in werking treedt, welk tijdstip voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan zijn.

Artikel 177

Deze wet kan worden aangehaald als Mediawet.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 21 april 1987

 

BEATRIX

 

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes

 

Uitgegeven de vierde juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x