Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

NOODWET  ARBEIDSVOORZIENING

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 23 april 1971, houdende regeling met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging en de overheidsdienst voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden regelen te stellen met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging en de overheidsdienst;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. het Hoofd Arbeidsvoorziening: de door Onze Minister daartoe aangewezen functionaris van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

c. werknemer:

1į. degene, die in dienst van een ander arbeid verricht;

2į. degene, die in de zelfstandige uitoefening van een beroep of bedrijf persoonlijk arbeid voor een ander verricht - tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of zich daarbij door meer dan twee personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een bij hem inwonend bloed- of aanverwant of pleegkind, laat bijstaan, of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is;

d. werkgever: de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst dan wel voor wie de onder c, onderscheidenlijk sub 1į en sub 2į, bedoelde werknemer arbeid verricht;

e. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen een werknemer en diens werkgever;

f. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven of behoort te zijn ingeschreven.

Artikel 2

1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de CoŲrdinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, ťťn of meer van de paragrafen van hoofdstuk II van deze wet in werking worden gesteld.

2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde paragrafen.

3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de paragrafen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de paragrafen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 3

1.Er is een Raad voor de Buitengewone Arbeidsvoorziening. De voorzitter, de overige leden en de secretaris worden op voordracht van Onze Minister door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

2.De Raad heeft tot taak Onze bij de uitvoering van deze wet betrokken Ministers, al dan niet uit eigen beweging, van advies te dienen omtrent algemene vraagstukken van arbeidsvoorziening, welke zich kunnen voordoen in geval van buitengewone omstandigheden.

3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de samenstelling en de werkwijze van de Raad. In de Raad hebben in ieder geval zitting een of meer leden, te benoemen op gezamenlijke aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende centrale organisaties van werkgevers, en een gelijk aantal leden, te benoemen op gezamenlijke aanbeveling van door Ons aangewezen algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. De Raad kan commissies, waarin ook personen buiten de Raad zitting kunnen hebben, instellen ter voorbereiding van door hem uit te brengen adviezen.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 5

1. Het Hoofd Arbeidsvoorziening oefent de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de door Onze Minister in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers gestelde regelen.

2. De door Onze Minister als Hoofd Arbeidsvoorziening aangewezen functionarissen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn in die hoedanigheid ondergeschikt aan Onze Minister. De de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan Onze Minister de medewerking die hij in deze verhouding behoeft. Bij regelen als bedoeld in het eerste lid en instructies als bedoeld in artikel 10:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het bepaalde bij of krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen worden afgeweken, voor zover zulks in het belang van een goede uitvoering van deze wet nodig is.

3. Regelen, gesteld krachtens het eerste lid, worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 6

Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen, die, zolang de verbinding tussen Onze Minister en enig gebied verbroken is, in dat gebied met inachtneming van de bij de maatregel gestelde regelen de bij de artikelen 7 en 10 aan Onze Minister toegekende bevoegdheden uitoefenen.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor buitengewone omstandigheden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

ß 1. Beperking van het beŽindigen van arbeidsverhoudingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

1. Onze Minister kan bepalen, dat arbeidsverhoudingen in het algemeen, dan wel dat arbeidsverhoudingen, behorende tot bij zijn beschikking aangewezen categorieŽn, of dat arbeidsverhoudingen, waarbij bij zijn beschikking aangewezen personen partij zijn, niet mogen worden beŽindigd zonder vergunning van het Hoofd Arbeidsvoorziening.

2. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde besluit van algemene strekking wordt ter openbare kennis gebracht.

Artikel 8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

Indien een arbeidsverhouding door ťťn der partijen is beŽindigd in strijd met een krachtens artikel 7, eerste lid, gesteld verbod of met een voorschrift, verbonden aan een krachtens dat lid verleende vergunning, kan de wederpartij gedurende zes maanden de nietigheid der beŽindiging inroepen.

Artikel 9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]

1. De artikelen 7 en 8 gelden niet ten aanzien van dienstbetrekkingen van personen, die overheidswerknemer zijn in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP.

2. Ten aanzien van zodanige dienstbetrekkingen kunnen regelen van overeenkomstige strekking worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur.

3. Bij een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld kunnen omtrent het vragen van voorziening tegen beschikkingen, krachtens die maatregel genomen, en de rechtsgang ter zake, regelen worden gesteld in afwijking van hoofdstuk III.

4. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Minister, tezamen met Onze Ministers, wie het mede aangaat.

ß 2. Beperking van het aangaan van arbeidsverhoudingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x