Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

ONTEIGENINGSWET  (OW)

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 28 augustus 1851, regelende de onteigening ten algemeenen nutte

 

     WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten;
     Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de onteigening ten algemeenen nutte, in overeenstemming met art. 147 der Grondwet, bij de wet te regelen;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Algemeene bepalingen

Artikel 1

1.Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van den Staat, van eene of meer provincin, van eene of meer gemeenten, en van een of meer waterschappen plaats hebben.

2.In dat publiek belang kan ook ten name van natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend.

Artikel 2

De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Artikel 3

1.Als eigenaar van een onroerende zaak, en als rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, worden zij beschouwd, die als zodanig in de basisregistratie kadaster staan vermeld.

2.Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, en niet is gedagvaard, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, pachters, onderpachters, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens artikel 60, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, schuldeisers als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd. Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden betaald.

3.Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden.

Artikel 4

1.Wanneer op een onroerende zaak, die toebehoort aan de onteigenende partij, een recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik, gebruik, bewoning of beklemming rust, kan dat recht afzonderlijk worden onteigend.

2.Overigens kan door toepassing van deze wet een zaak slechts worden bevrijd van de met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten door onteigening van die zaak.

3.Een aandeel in een zaak of een recht kan niet afzonderlijk worden onteigend.

Titel I. Over onteigening in gewone gevallen

Hoofdstuk I [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 5 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 8 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 9 [Vervallen per 01-07-2005]

Hoofdstuk II [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 11 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 12 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 13 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 14 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 15 [Vervallen per 01-07-2005]

Artikel 16 [Vervallen per 15-08-1920]

Hoofdstuk III. Van het geding tot onteigening

Artikel 17

De onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Artikel 18

1. Is hetgeen onteigend moet worden niet bij minnelijke overeenkomst verkregen, dan dagvaardt de onteigenende partij de bij koninklijk besluit aangewezen eigenaar voor de rechtbank in welker rechtsgebied de te onteigenen onroerende zaak is gelegen, teneinde de onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te horen bepalen. Betreft de onteigening een recht, dan wordt zij ingesteld tegen de bij koninklijk besluit aangewezen rechthebbende; van deze vordering wordt kennisgenomen door de rechtbank binnen welker rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen waarop het recht rust.

2. Wanneer de rechtbank op grond van het voorgaande bevoegd is van een deel van de vordering kennis te nemen, is zij bevoegd van de geheele vordering kennis te nemen.

3. Bij onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, een eeuwigdurende erfpacht of een beklemrecht rust, worden ook de erfpachter of de beklemde meier gedagvaard.

4. De dagvaarding wordt betekend aan degenen die als houder van op het te onteigenen goed rustende hypotheken in de openbare registers bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn ingeschreven en aan de in die registers ingeschreven beslagleggers op het te onteigenen goed.

5. Aan de derde belanghebbenden, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, voor zover deze aan de onteigenende partij bekend zijn of behoren te zijn, wordt de dagvaarding betekend dan wel wordt een afschrift van de dagvaarding gezonden bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd. Ten aanzien van een huurder van woonruimte, als bedoeld in artikel 233 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, kan in de aangetekende brief worden volstaan met de mededeling van de uitgebrachte dagvaarding en van het daarin vervatte aanbod, voor zover dit op hem betrekking heeft. Voorts wordt mededeling gedaan van voorzieningen die de onteigenende partij voornemens is jegens hem te treffen.

6. De betekening of de verzending van de aangetekende brief geschiedt binnen een week na het uitbrengen van de dagvaarding.

7. Betekening of toezending bij aangetekende brief vindt niet plaats aan degenen die op grond van het derde lid van dit artikel zijn gedagvaard.

8. In het exploit van betekening van de dagvaarding aan de derde belanghebbende of in de aangetekende brief wordt vermeld op welke wijze zij, desgewenst, in het geding van onteigening kunnen tussenkomen.

Artikel 19 [Vervallen per 01-02-1973]

Artikel 20

1. Wanneer de verweerder buiten het Koningrijk woont, of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den gevolmagtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het Koningrijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde, binnen het rechtsgebied van de rechtbank wonende, en door deze op verzoek en ten koste der onteigenende partij, te dien einde te benoemen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen.

2. Desniettemin is de verweerder geregtigd ten dage, in art. 23 genoemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder of door den regter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

3. Is de verweerder overleden, dan vinden de bepalingen van dit artikel overeenkomstige toepassing.

Artikel 21 [Vervallen per 15-08-1920]

Artikel 22

1. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.

2. Indien er derde belanghebbenden zijn, moet uit het in de dagvaarding te vermelden aanbod blijken, welk aandeel daarvan voor de verweerder onderscheidenlijk ieder der derde belanghebbenden, voor zover dezen aan de onteigenende partij bekend zijn of behoren te zijn, als schadeloosstelling is bestemd, op straffe van veroordeling in de kosten overeenkomstig artikel 50, tweede lid.

Artikel 23

Ten minste drie dagen vr de verschijning legt de onteigenende partij, tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:

1. een exemplaar van de Staatscourant, waarin is openbaar gemaakt Ons besluit, waarbij de te onteigenen onroerende zaken en rechten worden aangewezen;

2. en door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, afgegeven bewijs dat de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen binnen de betrokken gemeente ter inzage gelegen hebben.

Artikel 24

De rechtbank behandelt zaken aangaande onteigening ten algemenen nutte, vr elke andere.

Op de eerste roldatum, of uiterlijk twee weken daarna concluderen de verweerders voor antwoord. Indien de verweerders alsdan niet voor antwoord concluderen, worden zij geacht het aanbod te hebben verworpen. Het laatste is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van derde belanghebbenden aan wie bij dagvaarding of aangetekende brief een aanbod is gedaan.

Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.

Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt met

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x