Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

ORGANISATIEWET  KADASTER  (OWK)

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 14 februari 1994, houdende verzelfstandiging van de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers te verzelfstandigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bestuur: bestuur als bedoeld in artikel 3;

Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2;

kamer: rechtszekerheidskamer of geoinformatiekamer als bedoeld in artikel 16, tweede lid;

Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

raad van toezicht: raad van toezicht als bedoeld in artikel 3.

 

Artikel 2

1.Er is een Dienst voor het kadaster en de openbare registers. Hij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Apeldoorn.

2.De Dienst is belast met de hem bij of krachtens de Kadasterwet of andere wetten opgedragen taken.

3.De Dienst kan andere werkzaamheden verrichten dan die, voortvloeiend uit de in het tweede lid bedoelde taken, indien die werkzaamheden bijdragen aan de doelmatigheid van de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken of een betere benutting van de ten behoeve van die uitoefening bij de Dienst aanwezige bedrijfsmiddelen.

4.Het bestuur kan in het kader van internationale samenwerking of op verzoek van een of meer van Onze ministers of een ander bestuursorgaan de bij de Dienst in het kader van de uitoefening van zijn taken als bedoeld in het tweede lid aanwezige specifieke deskundigheid in beperkte mate en voor een beperkte tijdsduur ter beschikking stellen aan een internationale organisatie of instelling, een regering of instelling van een andere staat of aan een bestuursorgaan. Het bestuur kan aan die terbeschikkingstelling voorwaarden verbinden.

 

Artikel 2a

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Dienst, met uitzondering van artikel 15 van die wet.

 

Hoofdstuk 2. Het bestuur en het toezicht op het bestuur

 

§ 1. Algemeen

 

Artikel 3

De Dienst heeft een bestuur en een raad van toezicht.

 

§ 2. Het bestuur

 

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 7

Het bestuur is belast met het besturen van de Dienst.

 

Artikel 8

Het bestuur vertegenwoordigt de Dienst in en buiten rechte. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede toe aan ieder bestuurslid.

 

Artikel 9

Het bestuur stelt een bestuursreglement vast.

 

§ 3. De raad van toezicht

 

Artikel 10

1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

2. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

 

Artikel 11

1. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht.

2. Onze Minister stelt de raad van toezicht in de gelegenheid voor iedere te vervullen plaats in de raad een voordracht te doen van één persoon. Onze Minister wijkt niet af van de voordracht dan na overleg met de raad.

3. De ondernemingsraad en het bestuur kunnen aan de raad van toezicht personen voor plaatsing op de voordracht aanbevelen. De raad van toezicht deelt hun daartoe tijdig mee wanneer en ten gevolge waarvan in zijn midden een plaats moet worden vervuld.

4. De raad van toezicht geeft aan de ondernemingsraad kennis van een voorgenomen voordracht. Binnen vier weken na verzending van deze kennisgeving kan de ondernemingsraad bedenkingen uiten tegen benoeming van de voor te dragen persoon op grond van de verwachting dat die persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van lid van de raad van toezicht, of dat de raad bij benoeming van die persoon niet naar behoren zal zijn samengesteld.

5. Indien de ondernemingsraad binnen de in het vijfde lid genoemde termijn geen bedenkingen uit, draagt de raad van toezicht de betrokken persoon voor. De raad draagt een persoon, tegen de benoeming waarvan de ondernemingsraad bedenkingen heeft geuit, niet voor dan nadat hij daarover overleg heeft gevoerd met de ondernemingsraad. Bij een zodanige voordracht stelt de raad Onze Minister op de hoogte van de bedenkingen en doet hij Onze Minister verslag van het overleg met de ondernemingsraad.

6. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.

7. Zolang niet is voorzien in een

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x