Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

OVERGANGSWET  ELEKTRICITEITSPRODUCTIESECTOR

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling Overgangswet elektriciteitsproductiesector

 

 

WET van 21 december 2000, houdende regels met betrekking tot het beŽindigen van de overeenkomst van samenwerking van de elektriciteitsproductiesector en tot het aandeelhouderschap van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet (Overgangswet elektriciteitsproductiesector)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in verband met de liberalisering van de elektriciteitsproductie te voorzien in regels voor de verdeling van rechten en verplichtingen bij de beŽindiging van de overeenkomst van samenwerking van de elektriciteitsproductiesector, voor de tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten van die sector en voor de overgang van de meerderheid van de aandelen van de vennootschap die is aangewezen als netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet naar de Staat;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Paragraaf 1. Algemeen

 

Artikel 1

1.In deze wet wordt verstaan onder productiebedrijf of aangewezen vennootschap: de rechtspersoon die vergunninghouder onderscheidenlijk aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Elektriciteitswet 1989 was, of de rechtsopvolger daarvan.

2.Onder de overige in deze wet gebruikte termen wordt verstaan hetgeen daaronder verstaan wordt in de Elektriciteitswet 1998.

 

Paragraaf 2. Verdeling van rechten en verplichtingen

 

Artikel 2

1.De productiebedrijven zijn gezamenlijk aansprakelijk voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, met inachtneming van de volgende onderlinge verdeling:

a. n.v. Elektriciteits-Produktiemaatschappij Oost- en Noord-Nederland: 29,5%;

b. n.v. Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland: 28,5%;

c. n.v. Electriciteitsbedrijf Zuid-Holland: 19,5%;

d. n.v. Energieproduktiebedrijf UNA: 22,5%.

2.De kosten waarvoor de productiebedrijven gezamenlijk aansprakelijk zijn, betreffen:

a. de kosten die voortvloeien uit de exploitatie van de experimentele kolenvergassingsinstallatie Demkolec tot en met het tijdstip waarop die installatie wordt overgenomen;

b. de kosten die voortvloeien uit de aflossing van de lening die de n.v. Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland heeft verstrekt aan de aangewezen vennootschap;

c. de kosten die voortvloeien uit de overeenkomsten tot invoer van gas en elektriciteit die de aangewezen vennootschap heeft gesloten, voor zover die nog van kracht zijn;

d. de kosten die zijn verbonden aan verplichtingen die voor het tijdstip van intrekking van de Elektriciteitswet 1989 door de aangewezen vennootschap zijn aangegaan met betrekking tot de aanleg van een verbinding voor het transport van elektriciteit tussen Nederland en Noorwegen;

e. de overige kosten die voortvloeien uit de vereffening van de rechten en verplichtingen van de aangewezen vennootschap als deze wordt ontbonden.

3.Indien na de exploitatie van de installatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de aflossing van de lening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, de overdracht van de overeenkomsten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, de nakoming van de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, en de vereffening van de rechten en plichten van de aangewezen vennootschap, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, een batig saldo resulteert, zijn de productiebedrijven gerechtigd tot dat saldo met inachtneming van de in het eerste lid bepaalde verdeling.

 

Artikel 3

1.De aangewezen vennootschap heeft jegens elk van de productiebedrijven een vorderingsrecht tot betaling van hetgeen die bedrijven verschuldigd zijn, voor het deel van de totale kosten, bedoeld in artikel 2, waarvoor elk bedrijf aansprakelijk is.

2.Betaling geschiedt binnen een termijn die zodanig wordt bepaald door de aangewezen vennootschap, dat die vennootschap tijdig kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen met betrekking tot de in artikel 2, tweede lid, bedoelde productiemiddelen en overeenkomsten.

 

Artikel 4

De vorderingsrechten van de productiebedrijven uit hoofde van door hen met de aangewezen vennootschap gesloten overeenkomsten inzake de bouw van productiemiddelen vervallen.

 

Artikel 5

De productiebedrijven hebben naar rato van hun bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en c, jegens de aangewezen vennootschap recht op levering van de elektriciteit die door die installatie wordt geproduceerd, onderscheidenlijk op levering van de elektriciteit die of het gas dat ter uitvoering van die overeenkomsten aan die vennootschap wordt geleverd.

 

Paragraaf 3. Tegemoetkoming in de kosten

 

Artikel 6 [Vervallen per 19-08-2003]

 

Artikel 7

Onze Minister verstrekt jaarlijks tot 1 januari 2011 een tegemoetkoming:

a. in de kosten die voortvloeien uit overeenkomsten met betrekking tot stadsverwarming die tussen productiebedrijven en leveranciers zijn gesloten voor het tijdstip van intrekking van de Elektriciteitswet 1989, voor zover de daarbij overeengekomen projecten in uitvoering zijn genomen voor dat tijdstip, en

b. in de kosten verbonden aan het vervreemden en overdragen van de aandelen van de n.v. Demkolec of van de experimentele kolenvergassingsinstallatie Demkolec.

 

Artikel 8

1.Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels verstrekt Onze Minister de in artikel 7 bedoelde tegemoetkoming aan:

a. de rechtspersonen die de kosten, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, dragen, waarbij elke rechtspersoon ieder jaar dat bedrag ontvangt dat overeenkomt met zijn kosten voor dat jaar, welke kosten berekend worden met behulp van de methode van het brandstofprijsrisico die rekening houdt met de warmteproductie per project;

b. de rechtspersonen die de kosten, bedoeld in artikel 7, onderdeel b, dragen.

2.Onze Minister verstrekt de tegemoetkoming niet aan de rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan nadat hij heeft ingestemd met de aan hem verstrekte opgave van de kosten, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, die in dat jaar voor hun rekening zijn, waarbij de desbetreffende rechtspersoon tevens aangeeft hoe groot de totale hoeveelheid door hem geproduceerde warmte in TJ is.

3.Onze Minister verstrekt de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x