Nadere regelgeving:
-
Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen
-
Penitentiaire maatregel
-
Regeling arbeidsloon gedetineerden
- Regeling
melding ongeoorloofde afwezigheid
-
Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden
-
Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen
-
Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting
WET van 18 juni 1998 tot vaststelling van
een Penitentiaire beginselenwet en daarmee verband houdende intrekking
van de Beginselenwet gevangeniswezen met uitzondering van de artikelen 2
tot en met 5 en wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het
Wetboek van Strafvordering alsmede enige andere wetten (Penitentiaire
beginselenwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
penitentiaire regelgeving te herzien, in het bijzonder aangaande het
differentiatie- en selectiestelsel, en in verband daarmee de
Beginselenwet gevangeniswezen te vervangen door de Penitentiaire
beginselenwet alsmede enige bepalingen van het Wetboek van Strafrecht,
het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. inrichting: een penitentiaire inrichting als bedoeld in
artikel 3, eerste lid;
c. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in
artikel 8, tweede lid;
d. directeur: de persoon, bedoeld in artikel 3, derde lid,
alsmede diens vervanger of vervangers, bedoeld in artikel 3, vierde
lid;
e. gedetineerde: een persoon ten aanzien van wie de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel in een inrichting plaatsvindt;
f. ambtenaar of medewerker: een persoon die een taak uitoefent in
het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
g. selectiefunctionaris: een persoon belast met de plaatsing en
overplaatsing van gedetineerden als bedoeld in artikel 15, derde
lid;
h. reclasseringswerker: een reclasseringswerker als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;
i. rechtsbijstandverlener: de advocaat of de medewerker van de
voorziening, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de
rechtsbijstand, voorzover belast met de verlening van rechtsbijstand
anders dan rechtshulp;
j. Raad: de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming;
k. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel
7, eerste lid;
l. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 62,
eerste lid;
m. beroepscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 69,
tweede lid;
n. verblijfsruimte: de aan een gedetineerde door de directeur
ingevolge artikel 16, tweede lid, toegewezen ruimte;
o. penitentiair programma: een programma als bedoeld in artikel
4;
p. huisregels: regels als bedoeld in artikel 5, eerste lid;
q. regime: het samenstel van de verzorging en activiteiten,
bedoeld in hoofdstuk VIII, en de regels die gelden voor
gedetineerden in een inrichting of afdeling;
r. activiteiten: activiteiten als bedoeld in hoofdstuk VIII;
s. vrijheidsstraf: gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis,
militaire detentie en (vervangende) jeugddetentie;
t. vrijheidsbenemende maatregel: voorlopige hechtenis,
vreemdelingenbewaring, gijzeling, lijfsdwang, terbeschikkingstelling
met bevel tot verpleging, plaatsing in een inrichting voor
stelselmatige daders en vrijheidsbeneming die op andere dan de in
artikel 1, onder s, genoemde gronden plaatsvindt;
u. strafrestant: het gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf
dan wel van het samenstel van dergelijke straffen dat nog moet
worden ondergaan, waarbij wordt uitgegaan van de toepassing van de
voorwaardelijke invrijheidstelling volgens de daarvoor geldende
wettelijke regeling;
v. goed gedrag: een zodanige opstelling van een gedetineerde dat
hij, met name door de wijze waarop hij het recht op deelname aan de
in de inrichting beschikbare arbeid heeft aangewend of door andere,
vergelijkbare, activiteiten binnen de inrichting, heeft doen blijken
van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving;
w. elektronisch toezicht: een technische voorziening waarbij,
gebruik makend van signalen, met regelmatige tussenpozen de
aanwezigheid van een bepaalde persoon op een bepaalde tijd en plaats
gecontroleerd wordt.
Hoofdstuk II. Doelstelling, beheer en toezicht
Artikel 2
1.De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is
bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is
opgelegd in een penitentiaire inrichting dan wel door diens deelname
aan een penitentiair programma.
2.Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de
vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel
mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van
de betrokkene in de maatschappij.
3.De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende
maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de oplegging van de
straf of het nemen van de maatregel.
4.Personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging plaatsvindt van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel worden aan geen
andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de
vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de
veiligheid in de inrichting noodzakelijk zijn.
Artikel 3
1.Onze Minister wijst penitentiaire inrichtingen aan.
2.Het opperbeheer van de inrichtingen berust bij Onze Minister.
Onze Minister kan mandaat verlenen betreffende de hem bij of krachtens
deze wet toegekende bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen
verbindende voorschriften aan het hoofd van de Dienst Justitiële
Inrichtingen.
3.Het beheer van een inrichting of afdeling berust bij de
directeur, die als zodanig door Onze Minister wordt aangewezen.
4.Onze Minister wijst een of meer personen aan als plaatsvervanger
van de directeur.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld betreffende het beheer van en het regime in een
inrichting.
Artikel 4
1. Een penitentiair programma is een samenstel van activiteiten
waaraan wordt deelgenomen door personen ter verdere tenuitvoerlegging
van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis in
aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door
Onze Minister is erkend. De deelnemer aan een penitentiair programma
kan onder elektronisch toezicht worden gesteld. Bij het uitoefenen van
toezicht op de deelname aan een penitentiair programma wordt de
identiteit van de deelnemer aan het penitentiair programma vastgesteld
op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. Aan een penitentiair programma kan worden deelgenomen gedurende
ten hoogste een zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf direct
voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling, mits:
a. de gedetineerde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
vrijheidsstraf van ten minste zes maanden,
b. het strafrestant bij aanvang van de deelname aan het
penitentiair programma ten minste vier weken en ten hoogste een
jaar bedraagt, en
c. er geen andere omstandigheden zijn die zich tegen zijn
deelname verzetten.
Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet
onherroepelijk is, worden de datum van invrijheidstelling en het
strafrestant voor de toepassing van dit lid berekend op grond van de
veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld die in elk geval betreffen:
a. de inhoud van het penitentiair programma,
b. de nadere voorwaarden voor deelname aan het penitentiair
programma,
c. het toezicht, waaronder het elektronisch toezicht, tijdens
de deelname,
d. de gevolgen van verzuim van deelname aan het programma of
niet-nakoming van de daaraan verbonden voorwaarden, en
e. de rechtspositie van de deelnemers aan een penitentiair
programma.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
5. Met inachtneming van het tweede lid en de regels krachtens het
derde lid kan Onze Minister een penitentiair programma erkennen en
bepalen welke gedetineerden voor deelname hieraan in aanmerking komen.
6. Het tweede lid is niet van toepassing op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders als bedoeld in
artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 5
1.De directeur stelt, in aanvulling op de bij of krachtens deze wet
gegeven regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze
Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen,
huisregels voor de inrichting of afdeling vast.
2.De directeur kan ambtenaren en medewerkers machtigen tot de
uitoefening van hem bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden en
de naleving van zijn zorgplichten, met uitzondering van de
bevoegdheden, genoemd in het eerste en vierde lid.
3.De directeur is, voor zover zulks noodzakelijk is in het belang
van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting of een
ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, bevoegd aan de
gedetineerden bevelen te geven. De gedetineerden zijn verplicht deze
bevelen op te volgen.
4.Aan de directeur is voorbehouden de beslissing omtrent:
a. de onderbrenging van een kind in de inrichting, bedoeld in
artikel 12, tweede en vijfde lid;
b. de uitsluiting van deelname aan activiteiten en de
verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a en
b, onderscheidenlijk artikel 23, tweede lid;
c. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, op de gronden van artikel 23,
eerste lid, onder a en b, onderscheidenlijk artikel 24, derde lid,
en de toepassing van artikel 25;
d. de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in artikel
26, derde lid;
e. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 31;
f. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in
artikel 32;
g. de bevestiging door mechanische middelen en de verlenging
daarvan, bedoeld in artikel 33, eerste onderscheidenlijk derde
lid;
h. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel
51, en de toepassing van de artikelen 52, eerste en tweede lid, en
53, derde en vierde lid.
Artikel 5a
1.De directeur meldt ongeoorloofde afwezigheid en andere bijzondere
voorvallen aan Onze Minister.
2.De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle
verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen
omtrent de inhoud en de wijze van melding.
Artikel 6
De Raad behandelt beroepschriften ingevolge de hoofdstukken XII, XIII
en XV, en hoofdstuk 7 van de Penitentiaire maatregel.
Artikel 7
1.Bij elke inrichting dan wel afdeling wordt door Onze Minister een
commissie van toezicht ingesteld.
2.De commissie van toezicht heeft tot taak:
a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling;
b. kennis te nemen van door de gedetineerden naar voren
gebrachte grieven;
c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften
ingevolge het bepaalde in hoofdstuk Xl;
d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en
inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde.
3.De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met
de gedetineerden regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen
en gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als
maandcommissaris.
4.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de
benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden
van de maandcommissaris.
Hoofdstuk III. Bestemming
Artikel 8
1.Onze Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting of
afdeling ingevolge de artikelen 9 tot en met 14 en stelt regels voor
de plaatsing en overplaatsing van de gedetineerden.
2.Onze Minister kan delen van een inrichting als afdeling met een
aparte bestemming aanwijzen.
Artikel 9
1.Inrichtingen zijn te onderscheiden in huizen van bewaring,
gevangenissen en inrichtingen voor stelselmatige daders. Onze Minister
kan een inrichting aanwijzen tot zowel huis van bewaring of gevangenis
als inrichting voor stelselmatige daders. In bijzondere gevallen kan
Onze Minister een inrichting aanwijzen tot zowel huis van bewaring als
gevangenis.
2.Huizen van bewaring zijn bestemd voor de opneming van:
a. personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige
hechtenis is gegeven en die in afwachting zijn van berechting in
eerste aanleg;
b. personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige
hechtenis is gegeven en aan wie de maatregel van
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is opgelegd, maar
die niet tevens tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, dan wel
aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor
stelselmatige daders is opgelegd, voor zolang het opleggen van die
maatregel niet onherroepelijk is;
c. personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf plaatsvindt en die in afwachting zijn van plaatsing
in een gevangenis of deelname aan een penitentiair programma;
d. personen in vreemdelingenbewaring;
e. gegijzelden;
f. ter beschikking gestelden ten aanzien van wie een bevel tot
verpleging van overheidswege als bedoeld in de artikelen 37b of
38c van het Wetboek van Strafrecht is gegeven voor zolang opname
in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is;
g. personen ten aanzien van wie lijfsdwang als bedoeld in
artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering is bevolen;
h. personen aan wie de maatregel is opgelegd tot plaatsing in
een inrichting voor stelselmatige daders als bedoeld in artikel
38m van het Wetboek van Strafrecht indien opname in de voor hen
bestemde plaats niet mogelijk is;
i. alle anderen aan wie krachtens rechterlijke uitspraak of
beschikking of door het openbaar gezag rechtens hun vrijheid is
ontnomen, voor zover geen andere plaats voor hen is bestemd of
voor zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk
is.
3.Onze Minister wijst in elk arrondissement ten minste één
inrichting of afdeling aan als huis van bewaring.
Artikel 10
1.Gevangenissen zijn bestemd voor de opneming van personen die, al
dan niet onherroepelijk, tot vrijheidsstraf zijn veroordeeld. Tot
gevangenisstraf veroordeelden aan wie tevens de maatregel van
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is
opgelegd, kunnen na het einde van de vrijheidsstraf in een gevangenis
verblijven, zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk
is.
2.In bijzondere gevallen kan gijzeling als bedoeld in artikel 28
van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
alsmede lijfsdwang als bedoeld in artikel 577c van het Wetboek van
Strafvordering in een gevangenis ten uitvoer worden gelegd.
3.Gevangenissen kunnen volgens regels te stellen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden onderscheiden naar de lengte van
de straf of het strafrestant van de daarin op te nemen tot
vrijheidsstraf veroordeelden.
Artikel 10a
Inrichtingen voor stelselmatige daders zijn bestemd voor de opneming
van personen aan wie een maatregel als bedoeld in artikel 38m van het
Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
Artikel 11
1.Mannelijke en vrouwelijke gedetineerden worden gescheiden
ondergebracht.
2.Onze Minister wijst inrichtingen of afdelingen aan die
uitsluitend zijn bestemd voor de onderbrenging van vrouwelijke
gedetineerden.
3.Onze Minister kan inrichtingen of afdelingen aanwijzen waarin van
het eerste lid wordt afgeweken vanwege hun bestemming als inrichting
of afdeling voor bijzondere opvang als bedoeld in artikel 14.
4.De directeur kan gedetineerden van verschillend geslacht die in
dezelfde inrichting verblijven in de gelegenheid stellen gezamenlijk
aan activiteiten deel te nemen.
Artikel 12
1.Onze Minister wijst de inrichtingen of de afdelingen aan waarin
kinderen tot een in de aanwijzing aangegeven leeftijd kunnen worden
ondergebracht.
2.Indien een gedetineerde een kind in de inrichting of afdeling,
bedoeld in het eerste lid, wil onderbrengen teneinde het aldaar te
verzorgen en op te voeden, behoeft hij de toestemming van de
directeur. De directeur kan deze toestemming geven, voor zover dit
verblijf zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de
geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
3.De directeur kan aan de toestemming voorwaarden verbinden met het
oog op een belang als bedoeld in het tweede lid.
4.De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van
een kind in de inrichting of afdeling het advies inwinnen van de Raad
voor de Kinderbescherming.
5.De directeur kan de toestemming intrekken, indien dit
noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het tweede
lid of indien de gedetineerde een bepaalde voorwaarde niet nakomt.
Indien de directeur een nader onderzoek nodig oordeelt, kan hij de
medewerking van de Raad voor de Kinderbescherming inroepen.
6.De directeur is verplicht de toestemming in te trekken, indien de
onderbrenging van het kind in de inrichting in strijd komt met enige
op het gezag over het kind betrekking hebbende beslissing.
7.In de huisregels worden nadere regels gesteld omtrent het
verblijf van kinderen in de inrichting.
8.De kosten van de verzorging van het kind komen voor rekening van
het Rijk, voor zover de gedetineerde niet zelf in die kosten kan
voorzien.
Artikel 13
1.Inrichtingen of afdelingen daarvan zijn naar de mate van
beveiliging als volgt te onderscheiden en aan te duiden:
a. zeer beperkt beveiligd;
b. beperkt beveiligd;
c. normaal beveiligd;
d. uitgebreid beveiligd;
e. extra beveiligd.
2.Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of afdeling
de mate van beveiliging, bedoeld in het eerste lid.
3.Onze Minister bepaalt de criteria waaraan gedetineerden moeten
voldoen om voor plaatsing in een inrichting of een afdeling als
bedoeld in het eerste lid in aanmerking te komen.
Artikel 14
1.Inrichtingen of afdelingen daarvan kunnen door Onze Minister
worden bestemd voor de onderbrenging van gedetineerden die een
bijzondere opvang behoeven.
2.De bijzondere opvang, bedoeld in het eerste lid, kan verband
houden met de leeftijd, de persoonlijkheid, de lichamelijke of de
geestelijke gezondheidstoestand van de gedetineerden, alsmede met het
delict waarvoor zij zijn gedetineerd.
3.Onze Minister bepaalt de criteria waaraan gedetineerden moeten
voldoen om voor plaatsing in een inrichting of een afdeling als
bedoeld in het eerste lid in aanmerking te komen.
Hoofdstuk IV. Selectie en selectieprocedure
Paragraaf 1. Plaatsing en overplaatsing
Artikel 15
1.De personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast worden
geplaatst in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een
inrichting of afdeling overeenkomstig de bestemming daarvan ingevolge
hoofdstuk III. Van het bepaalde omtrent de bestemming kan worden
afgeweken op gronden gelegen in de persoon van de betrokkene. Indien
een persoon voor plaatsing in meer dan één inrichting of afdeling in
aanmerking komt, geschiedt deze met inachtneming van artikel 2,
tweede, derde en vierde lid.
2.Gedetineerden die hiervoor ingevolge artikel 4, vijfde lid, in
aanmerking komen, kunnen in de gelegenheid worden gesteld tot deelname
aan een penitentiair programma en daarbij voor de duur van het
programma of een gedeelte daarvan onder elektronisch toezicht worden
gesteld. Bij het niet voldoen aan de voorwaarden voor deelname,
bedoeld in artikel 4, derde lid, kan de deelname worden beëindigd.
3.Met de plaatsing en overplaatsing, bedoeld in het eerste lid, en
de beslissingen, bedoeld in het tweede lid, zijn door Onze Minister
als zodanig aangewezen selectiefunctionarissen belast. Deze zijn
bevoegd de overbrenging van personen te bevelen naar de voor hen
bestemde inrichting of afdeling dan wel ten behoeve van deelname aan
het voor hen bestemde penitentiair programma dan wel de beëindiging
hiervan. Zij kunnen de overbrenging doen geschieden door daartoe
aangewezen ambtenaren of medewerkers. Zij zijn bovendien bevoegd tot
de beslissing of ten aanzien van de individuele gedetineerde is
gebleken van goed gedrag dat aanleiding geeft tot deelname van de
gedetineerde aan een penitentiair programma, zodra aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b en c, is voldaan. De
inrichting is verplicht de betrokkene op te nemen.
4.De selectiefunctionarissen nemen bij de beslissingen, bedoeld in
het eerste en tweede lid, de aanwijzingen van het openbaar ministerie
en van de autoriteiten die de straf of maatregel hebben opgelegd in
aanmerking.
5.In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van
de geestvermogens van een gedetineerde kan de selectiefunctionaris
bepalen dat de gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis als
bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang dat
noodzakelijk is te worden verpleegd.
6.Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de procedure van
plaatsing en overplaatsing en overbrenging, bedoeld in het eerste
onderscheidenlijk het vijfde lid, en omtrent de wijze waarop het
vervoer van de gedetineerde plaatsvindt.
Artikel 15a
In afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, kan de
selectiefunctionaris bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende
maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een
periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft
vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting.
De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn
vastgesteld.
Artikel 16
1.De directeur bepaalt de wijze van onderbrenging van de
gedetineerden die overeenkomstig artikel 15 zijn geplaatst in de
inrichting of afdeling met het beheer waarvan hij is belast.
2.De directeur wijst iedere gedetineerde een verblijfsruimte toe
met inachtneming van de artikelen 20, tweede lid, 21 en 22, eerste
lid.
3.De directeur kan onderdelen van de inrichting of afdeling
aanwijzen voor de onderbrenging van gedetineerden die een bijzondere
opvang in de zin van artikel 14 behoeven.
4.De directeur bepaalt de criteria waaraan de gedetineerde moet
voldoen om voor onderbrenging als bedoeld in het derde lid in
aanmerking te komen.
5.Onze Minister stelt regels omtrent de eisen waaraan een
verblijfsruimte als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.
Paragraaf 2. Bezwaar- en verzoekschriftprocedure
Artikel 17
1.De betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed
bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing:
a. tot plaatsing of overplaatsing als bedoeld in artikel 15,
eerste lid;
b. tot beëindiging van zijn deelname aan een penitentiair
programma.
2.Op de wijze van indiening is artikel 61, tweede, vierde en vijfde
lid, van overeenkomstige toepassing.
3.De selectiefunctionaris stelt de betrokkene in de gelegenheid
schriftelijk of mondeling diens bezwaarschrift toe te lichten, tenzij
hij het aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of
kennelijk gegrond acht.
4.De selectiefunctionaris stelt de indiener van het bezwaarschrift
binnen zes weken van zijn met redenen omklede beslissing schriftelijk
en zoveel mogelijk in een voor deze begrijpelijke taal op de hoogte.
Hierbij wijst hij hem op de mogelijkheid van het instellen van beroep,
bedoeld in hoofdstuk XIII, alsmede de termijnen waarbinnen en de wijze
waarop dit gedaan moet worden.
5.Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege, indien de
betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een door
de selectiefunctionaris voorgenomen en hem betreffende beslissing als
bedoeld in het eerste lid kenbaar te maken.
Artikel 18
1.De betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een met
redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot:
a. plaatsing in dan wel overplaatsing naar een bepaalde
inrichting of afdeling;
b. deelname aan een penitentiair programma.
2.Met een verzoekschrift wordt gelijkgesteld een akkoordverklaring
van de gedetineerde met het selectieadvies van de directeur van de
inrichting.
3.De artikelen 61, tweede en vierde lid, en 17, derde en vierde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Indien het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, is
afgewezen, kan zes maanden na deze afwijzing opnieuw een dergelijk
verzoekschrift worden ingediend.
Hoofdstuk IVA. Inrichtingen voor stelselmatige daders
Artikel 18a
1.De directeur draagt zorg dat zo spoedig mogelijk en in ieder
geval binnen een maand na binnenkomst van de gedetineerde in een
inrichting voor stelselmatige daders, zo veel mogelijk in overleg met
hem, een verblijfsplan wordt vastgesteld.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de eisen waaraan een verblijfsplan ten minste moet voldoen en de
voorschriften die bij de vaststelling of een wijziging van het plan in
acht genomen moeten worden.
Artikel 18b
De directeur draagt zorg dat de tenuitvoerlegging overeenkomstig het
verblijfsplan plaatsvindt.
Artikel 18c
1.De gedetineerde heeft recht op een periodieke evaluatie door de
directeur van het verloop van de tenuitvoerlegging. Deze evaluatie
vindt ten minste eens per zes maanden plaats.
2.Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel heeft bepaald
dat het openbaar ministerie hem binnen een door hem vastgestelde
termijn bericht over de wenselijkheid of de noodzakelijkheid van de
voortzetting van de tenuitvoerlegging daarvan, vindt de eerste
evaluatie in ieder geval plaats voor het verstrijken van die termijn.
3.De directeur draagt zorg dat van iedere evaluatie een verslag
wordt gemaakt en dat dit verslag zo spoedig mogelijk met de
gedetineerde wordt besproken.
4.Indien de gedetineerde van oordeel is dat het evaluatieverslag
feitelijk onjuist of onvolledig is, heeft hij het recht op dit verslag
schriftelijk commentaar te geven. Indien het evaluatieverslag niet
overeenkomstig het commentaar wordt verbeterd of aangevuld, draagt de
directeur zorg dat het commentaar aan het verslag wordt gehecht.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de procedure die met betrekking tot de evaluatie dient te worden
gevolgd en de eisen die aan het verslag daarvan ten minste dienen te
worden gesteld.
Hoofdstuk V. Bewegingsvrijheid
Paragraaf 1. Mate van gemeenschap
Artikel 19
1.De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel in een inrichting vindt plaats in algehele dan wel beperkte
gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel regime noodzakelijk
is.
2.Onze Minister bepaalt ten aanzien van elke inrichting of afdeling
de mate van gemeenschap.
3.Onze Minister bepaalt de criteria waaraan gedetineerden moeten
voldoen om voor plaatsing in de regimes, bedoeld in het eerste lid,
alsmede voor plaatsing in een voor hen persoonlijk dan wel voor de
gemeenschappelijke onderbrenging van gedetineerden bestemde
verblijfsruimte, in aanmerking te komen.
Artikel 20
1.In een regime van algehele gemeenschap verblijven gedetineerden
tezamen in woon- en werkruimten of nemen gemeenschappelijk deel aan
activiteiten.
2.In een regime van algehele gemeenschap kunnen gedetineerden
worden verplicht zich tijdens de maaltijden, gedurende bezoektijden
voor zover zij geen bezoek ontvangen, alsmede gedurende activiteiten
waaraan zij niet deelnemen, in hun verblijfsruimte op te houden. Deze
ruimte is voor hen persoonlijk dan wel voor de gemeenschappelijke
onderbrenging van gedetineerden bestemd.
3.In een regime van algehele gemeenschap houden gedetineerden zich
gedurende de voor de nachtrust bestemde uren en op in de huisregels
bepaalde overige uren gedurende het weekeinde en de algemeen erkende
feestdagen in hun verblijfsruimte op.
Artikel 21
In een regime van beperkte gemeenschap worden gedetineerden in de
gelegenheid gesteld gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen.
Overigens houden zij zich in de voor hen persoonlijk dan wel voor de
gemeenschappelijke onderbrenging van gedetineerden bestemde
verblijfsruimte op.
Artikel 22
1.In een individueel regime worden gedetineerden in de gelegenheid
gesteld aan activiteiten deel te nemen. Overigens houden zij zich in
de voor hen persoonlijk bestemde verblijfsruimte op.
2.In een individueel regime bepaalt de directeur de mate waarin de
gedetineerde in staat wordt gesteld individueel dan wel
gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen.
Paragraaf 2. Ordemaatregelen
Artikel 23
1.De directeur kan een gedetineerde uitsluiten van deelname aan een
of meer activiteiten:
a. indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de
veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken gedetineerde
noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken
gedetineerde;
d. indien de gedetineerde hierom verzoekt en de directeur dit
verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
2.De uitsluiting ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten
hoogste twee weken. De directeur kan deze uitsluiting telkens voor ten
hoogste twee weken verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen
dat de noodzaak tot uitsluiting nog bestaat.
3.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de uitsluiting, bedoeld
in het eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een ambtenaar of
medewerker de maatregel, bedoeld in het eerste lid, voor een periode
van ten hoogste vijftien uren treffen.
Artikel 24
1.De directeur is bevoegd een gedetineerde in afzondering te
plaatsen op de gronden genoemd in artikel 23, eerste lid. De
afzondering ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a of b, duurt ten
hoogste twee weken.
2.De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of
in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering
neemt de gedetineerde niet deel aan activiteiten, voor zover de
directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in
de buitenlucht, bedoeld in artikel 49, derde lid. De directeur kan het
contact met de buitenwereld gedurende het verblijf in de
afzonderingscel beperken of uitsluiten.
3.De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, op de
grond van artikel 23, eerste lid, onder a of b, telkens voor ten
hoogste twee weken verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen
dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
4.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering op de
grond van artikel 23, eerste lid, onder a of b, geboden is, kan een
ambtenaar of medewerker een gedetineerde voor een periode van ten
hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van
deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
5.De directeur draagt zorg dat in geval van afzondering het nodige
contact tussen ambtenaren en medewerkers van de inrichting en de
gedetineerde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de
situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.
6.De directeur draagt zorg dat, ingeval de afzondering langer dan
vierentwintig uren duurt en ten uitvoer wordt gelegd in een
afzonderingscel, de commissie van toezicht en de aan de inrichting
verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis worden
gesteld.
7.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de afzonderingscel. Deze betreffen in elk geval de
rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingscel aan de
gedetineerde toekomen.
Artikel 24a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke
of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is, bepalen
dat de gedetineerde die in een afzonderingscel verblijft, dag en nacht
door middel van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 25
1.Indien de tenuitvoerlegging van de afzondering in de inrichting
of afdeling waarin zij is opgelegd op ernstige bezwaren stuit, kan zij
in een andere inrichting of afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheid sprake is, plaatst hij in overeenstemming met
de selectiefunctionaris de gedetineerde over.
3.Over de verlenging van de afzondering, waarvan de
tenuitvoerlegging plaatsvindt in een andere inrichting of afdeling,
beslist de directeur van de inrichting of afdeling waarin de
afzondering was opgelegd, in overeenstemming met de
selectiefunctionaris en gehoord de directeur van de inrichting of
afdeling waar de tenuitvoerlegging van de afzondering plaatsvindt.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van
overplaatsing en van verlenging van de afzondering ingevolge het
tweede onderscheidenlijk het derde lid.
Paragraaf 3. Verlaten van de inrichting
Artikel 26
1.Een gedetineerde kan, ingevolge het derde en het vierde lid,
worden toegestaan de inrichting te verlaten.
2.Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort
de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel niet op.
3.Onze Minister stelt nadere regels aangaande het verlaten van de
inrichting bij wijze van verlof. Deze betreffen in elk geval de
criteria waaraan een gedetineerde moet voldoen om voor het verlof in
aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening,
weigering, beperking en intrekking alsmede de duur en frequentie van
het verlof en de voorwaarden die aan het verlof kunnen worden
verbonden.
4.De directeur stelt een gedetineerde in de gelegenheid onder door
hem te stellen voorwaarden de inrichting te verlaten teneinde een
gerechtelijke procedure bij te wonen:
a. indien de gedetineerde krachtens wettelijk voorschrift
verplicht is voor een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
b. indien de gedetineerde ter zake van een misdrijf moet
terechtstaan;
c. indien de gedetineerde bij het bijwonen van de procedure een
aanmerkelijk belang heeft en tegen het verlaten van de inrichting
hiertoe geen overwegend bezwaar bestaat.
5.Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het
vierde lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen
ambtenaren of medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar de
daartoe bestemde plaats wordt overgebracht.
6.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop
het vervoer van de gedetineerde ten behoeve het bijwonen van een
gerechtelijke procedure, bedoeld in het vierde lid, plaatsvindt.
Hoofdstuk VI. Controle en geweldgebruik
Artikel 27
Het recht van de gedetineerde op onaantastbaarheid van zijn lichaam,
zijn kleding en de van zijn lichaam afgescheiden stoffen en zijn
verblijfsruimte kan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk
worden beperkt.
Artikel 28
1. De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de
inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de
identiteit van de gedetineerde vast.
2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van
bezoek de identiteit van de gedetineerde vast, tenzij een ambtenaar of
medewerker op de gedetineerde voortdurend en persoonlijk toezicht
houdt.
3. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat bij
de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam,
voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven en
het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het
omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen
waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek van
Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn
genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij
binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn
vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere
gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van
zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht. Artikel 29a, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat in
de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van
een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken
met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de
tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de
gedetineerde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het
Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.
5. De directeur is bevoegd van de gedetineerde een of meer foto’s
te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van
een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en
berechten van strafbare feiten. De gedetineerde is verplicht het
legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar
of medewerker te tonen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het
derde tot en met vijfde lid.
Artikel 29
1.De directeur is bevoegd een gedetineerde bij binnenkomst of bij
het verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van
bezoek, dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang
van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan
zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.
2.Het onderzoek aan het lichaam van de gedetineerde omvat mede het
uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de
gedetineerde. Het onderzoek aan de kleding van de gedetineerde omvat
mede het onderzoek van de voorwerpen die de gedetineerde bij zich
draagt of met zich meevoert.
3.Het onderzoek aan het lichaam van de gedetineerde wordt op een
besloten plaats en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde
geslacht als de gedetineerde verricht.
4.Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen
worden aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen
zijn, en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of
holten van het lichaam van de gedetineerde, deze voorwerpen zonder het
gebruik van hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de
directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze
voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten
behoeve van de gedetineerde op diens kosten worden bewaard, hetzij met
toestemming van de gedetineerde worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de
voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 30
1.De directeur kan, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel in
verband met de beslissing tot plaatsing of overplaatsing dan wel in
verband met de verlening van verlof, een gedetineerde verplichten
urine af te staan ten behoeve van een onderzoek van die urine op
aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen.
2.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de wijze van uitvoering
van het urineonderzoek. Deze regels betreffen in elk geval het recht
van de gedetineerde om de uitslag te vernemen en om voor eigen
rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten
plaatsvinden. Artikel 29, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 31
1.De directeur kan bepalen dat een gedetineerde in het lichaam
wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig
gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting dan wel voor de gezondheid van de gedetineerde. Het
onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of, in diens
opdracht, door een verpleegkundige.
2.Een ambtenaar of medewerker van de inrichting waar de
gedetineerde verblijft kan indien onverwijlde tenuitvoerlegging
geboden is, een beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen.
3.Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden
aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn, en
deze voorwerpen door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen
worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen.
Artikel 29, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 32
1.De directeur kan een gedetineerde verplichten te gedogen dat ten
aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht,
indien die handeling naar het oordeel van een arts volstrekt
noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of
veiligheid van de gedetineerde of van anderen. De handeling wordt
verricht door een arts of, in diens opdracht, door een
verpleegkundige.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de toepassing van het eerste lid. Deze regels betreffen in
ieder geval de melding en registratie van de geneeskundige handeling,
alsmede de taak van de verantwoordelijke arts indien de geneeskundige
handeling volstrekt noodzakelijk is ter afwending van gevaar,
voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens van de
gedetineerde. De algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 33
1.De directeur kan bepalen dat een gedetineerde tijdens de
afzondering door bevestiging van mechanische middelen aan zijn lichaam
voor een periode van ten hoogste vierentwintig uren in zijn
bewegingsvrijheid wordt beperkt, indien die beperking noodzakelijk is
ter afwending van een van de gedetineerde uitgaand ernstig gevaar voor
diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de gedetineerde. De
directeur stelt de arts of diens vervanger en de commissie van
toezicht van de bevestiging onverwijld in kennis.
2.Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in
het eerste lid, geboden is, kan een ambtenaar of medewerker hiertoe
beslissen en deze voor een periode van ten hoogste vier uren ten
uitvoer leggen. De directeur, de arts of diens vervanger en de
commissie van toezicht worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
3.De directeur kan de beslissing tot bevestiging van mechanische
middelen aan het lichaam van de gedetineerde telkens met ten hoogste
vierentwintig uren verlengen. De beslissing tot verlenging wordt
genomen na overleg met de aan de inrichting verbonden arts of diens
vervanger.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de bevestiging van
mechanische middelen aan het lichaam.
Artikel 34
1.De directeur is bevoegd de verblijfsruimte van een gedetineerde
op de aanwezigheid van voorwerpen die niet in zijn bezit mogen zijn te
onderzoeken:
a. indien dit onderzoek plaatsvindt in het kader van het
algemeen toezicht op de aanwezigheid van verboden voorwerpen in de
verblijfsruimten van gedetineerden;
b. indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
2.Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.De directeur is bevoegd de verblijfsruimte van een gedetineerde
te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen waarop vermoedelijk
celmateriaal van de gedetineerde aanwezig is en deze voorwerpen in
beslag te nemen, indien de officier van justitie hem op grond van
artikel 6, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden een
opdracht tot het in beslag nemen van deze voorwerpen heeft gegeven.
Artikel 34a
1.De directeur kan bepalen dat de gedetineerde die in een
individueel regime als bedoeld in artikel 22 of in een extra
beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder e,
is geplaatst, dag en nacht door middel van een camera wordt
geobserveerd:
a. indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving
van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. indien dit noodzakelijk is voor een ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
c. indien dit ter bescherming van de geestelijke of
lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is;
d. indien bij ontvluchting of schade aan de gezondheid van de
gedetineerde grote maatschappelijke onrust zou kunnen ontstaan of
ernstige schade zou kunnen worden toegebracht aan de betrekkingen
van Nederland met andere staten of internationale organisaties.
2.Indien cameraobservatie wordt toegepast op de grond van het
eerste lid, onder c, wordt, alvorens de directeur hiertoe beslist, het
advies ingewonnen van een gedragsdeskundige onderscheidenlijk de
inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat
geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn
beslissing in.
3.De cameraobservatie, bedoeld in het eerste lid, duurt ten hoogste
twee weken. De directeur kan de cameraobservatie telkens voor ten
hoogste twee weken verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen
dat de noodzaak daartoe nog bestaat. De beslissing tot verlenging
wordt genomen na overleg met de aan de inrichting verbonden arts of
diens vervanger, of, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c,
een gedragsdeskundige.
4.De directeur draagt zorg dat, ingeval de cameraobservatie langer
dan vierentwintig uren duurt, de commissie van toezicht en de aan de
inrichting verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in
kennis worden gesteld.
Artikel 35
1.De directeur is bevoegd jegens een gedetineerde geweld te
gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor
zover dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;
c. de voorkoming van het zich onttrekken door de gedetineerde
aan het op hem uitgeoefende toezicht;
d. de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van
Strafvordering of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de
officier van justitie of de rechter-commissaris genomen
beslissing.
2.De selectiefunctionaris of een daartoe door hem aangewezen
ambtenaar of medewerker is bevoegd jegens een gedetineerde geweld te
gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden met het oog op
een van de volgende belangen:
a. de uitvoering van een door hem genomen beslissing;
b. de voorkoming van het zich onttrekken van de gedetineerde
aan het op hem uitgeoefende toezicht.
3.Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing
vooraf. Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een
schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur
dan wel de selectiefunctionaris toekomen.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld
en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.
Hoofdstuk VII. Contact met de buitenwereld
Artikel 36
1.De gedetineerde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede tot
en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht brieven en
stukken per post te verzenden en te ontvangen. De hieraan verbonden
kosten komen, tenzij de directeur anders bepaalt, voor rekening van de
gedetineerde.
2.De directeur is bevoegd enveloppen of andere poststukken,
afkomstig van of bestemd voor gedetineerden, op de aanwezigheid van
bijgesloten voorwerpen te onderzoeken en deze hiertoe te openen.
Indien de enveloppen of andere poststukken afkomstig zijn van of
bestemd zijn voor de in artikel 37, eerste of tweede lid, genoemde
personen of instanties, geschiedt dit onderzoek in aanwezigheid van de
betrokken gedetineerde.
3.De directeur is bevoegd op de inhoud van brieven of andere
poststukken afkomstig van of bestemd voor gedetineerden toezicht uit
te oefenen. Dit toezicht kan omvatten het kopiëren van brieven of
andere poststukken. Van de wijze van uitoefenen van toezicht wordt aan
de gedetineerden tevoren mededeling gedaan.
4.De directeur kan de verzending of uitreiking van bepaalde brieven
of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
c. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
d. de bescherming van slachtoffers van of anderszins
betrokkenen bij misdrijven.
5.De directeur draagt zorg dat de niet uitgereikte brieven of
andere poststukken dan wel bijgesloten voorwerpen, hetzij worden
teruggegeven aan de gedetineerde of voor diens rekening worden
gezonden aan de verzender of een door de gedetineerde op te geven
adres, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve
van de gedetineerde worden bewaard, hetzij met toestemming van de
gedetineerde worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter
hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of opsporing van
strafbare feiten.
Artikel 37
1.Artikel 36, derde en vierde lid, is niet van toepassing op
brieven, door de gedetineerde gericht aan of afkomstig van:
a. leden van het Koninklijk Huis;
b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden
daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een
commissie uit een van beide parlementen;
c. Onze Minister;
d. justitiële autoriteiten;
e. de Nationale ombudsman;
f. de geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid;
g. de Raad, een commissie daaruit of leden daarvan;
h. de commissie van toezicht of een beklagcommissie, of leden
daarvan;
i. diens rechtsbijstandverlener;
j. diens reclasseringswerker;
k. andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen
personen of instanties.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onder d, wordt onder
justitiële autoriteiten mede begrepen: organen die krachtens een
wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag bevoegd zijn
tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht
aangevangen zaken.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van
verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde
personen en instanties.
Artikel 38
1.De gedetineerde heeft het recht gedurende ten minste één uur
per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te
ontvangen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de
toelating en weigering van bezoek. In de huisregels worden regels
gesteld omtrent het aanvragen van bezoek.
2.De directeur kan het aantal tegelijkertijd tot de gedetineerde
toe te laten personen beperken, indien dit noodzakelijk is in het
belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de
inrichting.
3.De directeur kan de toelating tot de gedetineerde van een bepaald
persoon of van bepaalde personen weigeren, indien dit noodzakelijk is
met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid. Deze
weigering geldt voor ten hoogste twaalf maanden.
4.De directeur kan bepalen dat tijdens het bezoek toezicht wordt
uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als
bedoeld in artikel 36, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het
beluisteren of opnemen van het gesprek tussen de bezoeker en de
gedetineerde. Tevoren wordt aan betrokkenen mededeling gedaan van de
aard en de reden van het toezicht.
5.Iedere bezoeker dient zich bij binnenkomst op deugdelijke wijze
te legitimeren. De directeur kan bepalen dat een bezoeker aan zijn
kleding wordt onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een
gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de
inrichting. Dit onderzoek kan ook betrekking hebben op door hem
meegebrachte voorwerpen. De directeur is bevoegd dergelijke voorwerpen
gedurende de duur van het bezoek onder zich te nemen tegen afgifte van
een bewijs van ontvangst dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand
te stellen met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare
feiten.
6.De directeur kan het bezoek binnen de daarvoor bestemde tijd
beëindigen en de bezoeker uit de inrichting doen verwijderen, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel
36, vierde lid.
7.De in artikel 37, eerste lid, onder g en h, genoemde personen en
instanties hebben te allen tijde toegang tot de gedetineerde. De
overige in dat lid genoemde personen en instanties hebben toegang tot
de gedetineerde op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen.
Tijdens dit bezoek kunnen zij zich vrijelijk met de gedetineerde
onderhouden, behoudens ingeval de directeur, na overleg met de
desbetreffende bezoeker, van mening is dat van de gedetineerde een
ernstig gevaar uitgaat voor de veiligheid van de bezoeker. In dat
geval laat de directeur voor het bezoek weten welke toezichthoudende
maatregelen genomen worden om het onderhoud zo ongestoord mogelijk te
laten verlopen. De toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe
leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de
gedetineerde en diens rechtsbijstandverlener bij derden bekend kunnen
worden.
Artikel 39
1. De gedetineerde heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede
tot en met het vierde lid te stellen beperkingen, het recht ten minste
eenmaal per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen
en met behulp van een daartoe aangewezen toestel gedurende tien
minuten een of meer telefoongesprekken te voeren met personen buiten
de inrichting. De hieraan verbonden kosten komen, tenzij de directeur
anders bepaalt, voor rekening van de gedetineerde. In verband met het
uitoefenen van toezicht als bedoeld in het tweede lid, kunnen
telefoongesprekken worden opgenomen.
2. De directeur kan bepalen dat op de door of met de gedetineerde
gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit
noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de
gedetineerde een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op
een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid. Dit toezicht kan
omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren
van een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling
gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen
van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen
telefoongesprekken.
3. De directeur kan de gelegenheid tot het voeren van een bepaald
telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken weigeren of een
telefoongesprek binnen de daarvoor bestemde tijd beëindigen, indien
dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel
36, vierde lid. De beslissing tot het weigeren van een bepaald
telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken geldt voor ten hoogste
twaalf maanden. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het
weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde
telefoongesprekken.
4. De gedetineerde wordt in staat gesteld met de in artikel 37,
eerste lid, genoemde personen en instanties telefonisch contact te
hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat. Op deze
gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan noodzakelijk is
om de identiteit van de personen of instantie met wie de gedetineerde
een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.
Artikel 40
1.De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een
gesprek tussen de gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media,
voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;
c. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan
de gedetineerde;
d. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
2.De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het
eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger
van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is
bevoegd een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen
verwijderen, indien hij de hem opgelegde voorwaarden niet nakomt.
3.De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de
media toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op
een belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 38, vierde lid,
tweede en derde volzin, en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk VIII. Verzorging, arbeid en andere activiteiten
Paragraaf 1. Verzorging
Artikel 41
1.De gedetineerde heeft het recht zijn godsdienst of
levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te
belijden en te beleven.
2.De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende
geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst
of levensovertuiging van de gedetineerden, beschikbaar is.
3.De directeur stelt de gedetineerde in de gelegenheid op in de
huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
a. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke
verzorger van de godsdienst of levensovertuiging van zijn keuze,
die aan de inrichting is verbonden;
b. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde
geestelijke verzorgers volgens artikel 38;
c. in de inrichting te houden godsdienstige of
levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen.
Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke
verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van
geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van
godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging
van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke
verzorgers bij een inrichting.
Artikel 42
1.De gedetineerde heeft recht op verzorging door een aan de
inrichting verbonden arts of diens vervanger.
2.De gedetineerde heeft recht op raadpleging, voor eigen rekening,
van een arts van zijn keuze. De directeur stelt in overleg met de
gekozen arts de plaats en het tijdstip van de raadpleging vast.
3.De directeur draagt zorg dat de aan de inrichting verbonden arts
of diens vervanger:
a. regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;
b. op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het
belang van de gezondheid van de gedetineerde noodzakelijk is;
c. de gedetineerden die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt
op hun geschiktheid voor deelname aan arbeid, sport of een andere
activiteit.
4.De directeur draagt zorg voor:
a. de verstrekking van de door de aan de inrichting verbonden
arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten;
b. de behandeling van de gedetineerde op aanwijzing van de aan
de inrichting verbonden arts of diens vervanger;
c. de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis dan
wel andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling
aldaar plaatsvindt.
5.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake
het klagen over beslissingen die ten aanzien van gedetineerden zijn
genomen door de aan de inrichting verbonden arts of diens
plaatsvervanger.
Artikel 43
1.De gedetineerde heeft recht op sociale verzorging en
hulpverlening.
2.De directeur draagt zorg dat reclasseringswerkers en daarvoor in
aanmerking komende gedragsdeskundigen de in het eerste lid omschreven
zorg en hulp in de inrichting kunnen verlenen.
3.De directeur draagt zorg voor overbrenging van de gedetineerde
naar de daartoe bestemde plaats, indien de in het eerste lid
omschreven zorg en hulp dit noodzakelijk maken en een dergelijke
overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van
de vrijheidsbeneming.
Artikel 44
1.De directeur draagt zorg dat aan de gedetineerde voeding,
noodzakelijke kleding en schoeisel worden verstrekt dan wel dat hem
voldoende geldmiddelen ter beschikking worden gesteld om hierin naar
behoren te voorzien.
2.De gedetineerde heeft recht op het dragen van eigen kleding en
schoeisel, tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de
veiligheid in de inrichting. Hij kan worden verplicht tijdens de
arbeid of sport aangepaste kleding of schoeisel te dragen. In de
huisregels kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van gebruik
en onderhoud van kleding en schoeisel.
3.De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding
zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of
levensovertuiging van de gedetineerden.
4.De directeur draagt zorg dat de gedetineerde in staat gesteld
wordt zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne naar behoren te
verzorgen.
5.In de huisregels worden regels gesteld omtrent de aankoop door
gedetineerden van andere gebruiksartikelen dan die welke door de
directeur ter beschikking worden gesteld.
Artikel 45
1.In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde
soorten voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling
daarvan verboden is, indien dit noodzakelijk is in het belang van de
handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel de
beperking van de aansprakelijkheid van de directeur voor de
voorwerpen.
2.De directeur kan een gedetineerde toestemming geven hem
toebehorende voorwerpen, waarvan het bezit niet is verboden ingevolge
het eerste lid, in zijn verblijfsruimte te plaatsen dan wel bij zich
te hebben voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.
3.De directeur kan aan de toestemming, bedoeld in het tweede lid,
voorwaarden verbinden die kunnen betreffen het gebruik van en de
aansprakelijkheid voor deze voorwerpen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld krachtens welke de
aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een
gedetineerde ingevolge het tweede lid onder zich heeft wordt beperkt
tot een bepaald bedrag.
4.De directeur is bevoegd aan de gedetineerde toebehorende
voorwerpen voor diens rekening te laten onderzoeken, teneinde vast te
stellen of de toelating of het bezit daarvan kan worden toegestaan dan
wel is verboden, ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede
lid.
5.De directeur is bevoegd voorwerpen ten aanzien waarvan geen
toestemming is verleend dan wel die zijn verboden, ingevolge het
eerste onderscheidenlijk het tweede lid, in beslag te nemen. Hij
draagt zorg dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs
van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde op diens kosten worden
bewaard, hetzij voor diens rekening worden gezonden aan de verzender
of een door de gedetineerde op te geven adres, hetzij met toestemming
van de gedetineerde worden vernietigd, hetzij aan een
opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de
voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
Artikel 46
1.Het bezit van contant geld door de gedetineerden in de inrichting
of een afdeling is verboden, tenzij in de huisregels anders is
bepaald.
2.In inrichtingen of afdelingen waar het bezit van contant geld
door de gedetineerden verboden is, heeft de gedetineerde de
beschikking over een rekening-courant bij de inrichting.
3.In de huisregels kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het
bezit van contant geld en het gebruik van de rekening-courant. Deze
regels kunnen een beperking betreffen van het bedrag waarover de
gedetineerde ten hoogste in contanten of door middel van zijn
rekeningcourant mag beschikken.
Paragraaf 2. Arbeid en andere activiteiten
Artikel 47
1.De gedetineerde heeft recht op deelname aan de in de inrichting
beschikbare arbeid.
2.De directeur draagt zorg voor de beschikbaarheid van arbeid voor
de gedetineerden, voor zover de aard van de detentie zich daar niet
tegen verzet.
3.Gedetineerden die, al dan niet onherroepelijk, tot een
vrijheidsstraf zijn veroordeeld zijn verplicht de aan hen door de
directeur opgedragen arbeid, zowel binnen als buiten de inrichting of
afdeling, te verrichten.
4.De arbeidstijd wordt in de huisregels vastgesteld binnen de
grenzen van hetgeen buiten de inrichting gebruikelijk is.
5.Onze Minister stelt regels omtrent de samenstelling en de hoogte
van het arbeidsloon. De directeur is belast met de vaststelling en
uitbetaling van het arbeidsloon.
Artikel 48
1.De gedetineerde heeft recht op het kennis nemen van het nieuws,
voor eigen rekening, en het wekelijks gebruik maken van een
bibliotheekvoorziening. De gedetineerde heeft het recht op het volgen
van onderwijs en het deelnemen aan andere educatieve activiteiten voor
zover deze zich verdragen met de aard en de duur van de detentie en de
persoon van de gedetineerde.
2.De gedetineerde heeft recht op lichamelijke oefening en het
beoefenen van sport gedurende ten minste tweemaal drie kwartier per
week, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen verzet.
3.De directeur draagt zorg dat daarvoor in aanmerking komende
functionarissen in de in het eerste lid, tweede volzin, en tweede lid
bedoelde activiteiten kunnen voorzien.
4.Onze Minister stelt regels omtrent de voorwaarden waaronder een
tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor de
gedetineerde aan het volgen van onderwijs en het deelnemen aan andere
educatieve activiteiten voor zover hierin niet in de inrichting wordt
voorzien, kunnen zijn verbonden. Deze voorwaarden kunnen betreffen de
aard, de duur en de kosten van deze activiteiten alsmede de
vooropleiding van de gedetineerde en diens vorderingen.
Artikel 49
1.De gedetineerde heeft recht op recreatie en dagelijks verblijf in
de buitenlucht, voor zover zijn gezondheid zich daar niet tegen
verzet.
2.De directeur draagt zorg dat de gedetineerde in de gelegenheid
wordt gesteld tot deelname aan recreatieve activiteiten, gedurende ten
minste zes uren per week.
3.De directeur draagt zorg dat de gedetineerde in de gelegenheid
wordt gesteld dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te
verblijven.
Hoofdstuk IX. Disciplinaire straffen
Artikel 50
1.Indien een ambtenaar of medewerker constateert dat een
gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de
orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en hij voornemens is
daarover aan de directeur schriftelijk verslag te doen, deelt hij dit
de gedetineerde mede.
2.De directeur beslist over het opleggen van een disciplinaire
straf zo spoedig mogelijk nadat hem dit verslag is gedaan.
3.Indien de directeur of zijn plaatsvervanger feiten als bedoeld in
het eerste lid constateert, blijft het eerste lid buiten toepassing.
4.Een straf kan worden opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd in een
andere inrichting of afdeling dan waarin het verslag, bedoeld in het
eerste lid, is opgemaakt.
Artikel 51
1.De directeur kan wegens het begaan van feiten als bedoeld in
artikel 50, eerste lid, de navolgende disciplinaire straffen opleggen:
a. opsluiting in een strafcel dan wel een andere
verblijfsruimte voor ten hoogste twee weken;
b. ontzegging van bezoek voor ten hoogste vier weken, indien
het feit plaatsvond in verband met bezoek van die persoon of
personen;
c. uitsluiting van deelname aan een of meer bepaalde
activiteiten voor ten hoogste twee weken;
d. weigering, intrekking of beperking van het eerstvolgende
verlof;
e. geldboete tot een bedrag van ten hoogste tweemaal het in de
inrichting of afdeling geldende weekloon.
2.De directeur bepaalt bij de oplegging van een geldboete tevens
door welke andere straf deze zal worden vervangen, ingeval de boete
niet binnen de daartoe door hem gestelde termijn is betaald.
3.De directeur kan voor feiten als bedoeld in artikel 50, eerste
lid, meer dan één straf opleggen, met dien verstande dat de in het
eerste lid onder a en c genoemde straffen slechts kunnen worden
opgelegd voor zover zij tezamen niet langer duren dan twee weken;
4.De oplegging van een straf laat onverlet de mogelijkheid voor de
directeur om terzake van de door de gedetineerde toegebrachte schade
met hem een regeling te treffen.
5.Geen straf kan worden opgelegd, indien de gedetineerde voor het
begaan van een feit als bedoeld in artikel 50, eerste lid, niet
verantwoordelijk kan worden gesteld.
6.Indien een straf is opgelegd wordt deze onverwijld ten uitvoer
gelegd. De directeur kan bepalen dat een straf niet of slechts ten
dele ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 51a
1.De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke
of lichamelijke toestand van de gedetineerde noodzakelijk is, bepalen
dat de gedetineerde die in een strafcel verblijft, dag en nacht door
middel van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een
gedragsdeskundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit
advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het
advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
Artikel 52
1.Indien de tenuitvoerlegging van de opsluiting in een strafcel in
de inrichting of afdeling waarin zij is opgelegd niet mogelijk is of
op ernstige bezwaren stuit, kan zij in een andere inrichting of
afdeling worden ondergaan.
2.Indien de directeur van oordeel is dat de in het eerste lid
bedoelde omstandigheid zich voordoet, plaatst hij in overeenstemming
met de selectiefunctionaris de gedetineerde hiertoe over.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de procedure van
overplaatsing ingevolge het tweede lid.
Artikel 53
1.Een straf kan geheel of ten dele voorwaardelijk worden opgelegd.
De proeftijd bedraagt ten hoogste drie maanden.
2.De directeur stelt in elk geval als voorwaarde dat de
gedetineerde zich onthoudt van het plegen van feiten die onverenigbaar
zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel met de
ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De directeur
kan andere voorwaarden aan het gedrag van de gedetineerde stellen. De
opgelegde voorwaarden worden vermeld in de mededeling, bedoeld in
artikel 58, eerste lid.
3.Bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan de
directeur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke straf geheel of ten
dele ten uitvoer wordt gelegd.
4.De directeur kan een onvoorwaardelijke straf geheel of ten dele
omzetten in een voorwaardelijke straf.
Artikel 54
1.Van elke strafoplegging dan wel wijziging daarvan houdt de
directeur aantekening.
2.Indien een straf ingevolge de hoofdstukken XI of XII geheel of
ten dele wordt herzien, houdt de directeur hiervan aantekening.
Artikel 55
1.De gedetineerde aan wie de disciplinaire straf van opsluiting,
bedoeld in artikel 51, eerste lid, onder a, is opgelegd is uitgesloten
van het deelnemen aan activiteiten, voor zover de directeur niet
anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht,
bedoeld in artikel 49, derde lid. De directeur kan het contact met de
buitenwereld gedurende het verblijf in de strafcel beperken of
uitsluiten.
2.De directeur draagt zorg dat, ingeval de opsluiting in een
strafcel ten uitvoer wordt gelegd en langer dan vierentwintig uren
duurt, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden
arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis worden gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de
inrichting van de strafcel. Deze betreffen in elk geval de rechten die
tijdens het verblijf in de strafcel aan de gedetineerde toekomen.
Hoofdstuk X. Informatie, hoor- en mededelingsplicht en dossier
Artikel 56
1.De directeur draagt zorg dat de gedetineerde bij binnenkomst in
de inrichting, schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal, op de hoogte wordt gesteld van zijn bij of
krachtens deze wet gestelde rechten en plichten.
2.De gedetineerde wordt hierbij in het bijzonder gewezen op diens
bevoegdheid:
a. een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen overeenkomstig
hoofdstuk IV;
b. zich te wenden tot de maandcommissaris van de commissie van
toezicht;
c. een klaag- of beroepschrift in te dienen overeenkomstig de
hoofdstukken XI, XII en XIII.
3.Een gedetineerde vreemdeling wordt bij binnenkomst in de
inrichting geïnformeerd over zijn recht de consulaire
vertegenwoordiger van zijn land van zijn detentie op de hoogte te
laten stellen.
Artikel 57
1.De directeur stelt de gedetineerde in de gelegenheid te worden
gehoord, zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, alvorens
hij beslist omtrent:
a. de weigering of intrekking van de toestemming om een kind in
de inrichting onder te brengen, bedoeld in artikel 12;
b. de uitsluiting van deelname aan activiteiten en de
verlenging daarvan, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a of
b, onderscheidenlijk tweede lid;
c. de plaatsing in afzondering en de verlenging hiervan,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, op grond van artikel 23, eerste
lid, onder a of b, onderscheidenlijk artikel 24, derde lid, en de
toepassing van artikel 25;
d. de beperking en de intrekking van verlof, bedoeld in artikel
26, derde lid;
e. het onderzoek in het lichaam, bedoeld in artikel 31;
f. het gedogen van een geneeskundige handeling, bedoeld in
artikel 32;
g. de bevestiging door mechanische middelen en de verlenging
daarvan, bedoeld in artikel 33, eerste onderscheidenlijk derde
lid;
h. de observatie door middel van een camera en de verlenging
daarvan, bedoeld in artikel 34a, eerste onderscheidenlijk derde
lid;
i. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de
artikelen 24a, eerste lid, en 51a, eerste lid;
j. de oplegging van een disciplinaire straf, bedoeld in artikel
51, en toepassing van de artikelen 52 en 53, derde lid.
2.Zo nodig geschiedt het horen van de gedetineerde met bijstand van
een tolk. Van het horen van de gedetineerde wordt aantekening
gehouden.
3.Toepassing van het eerste lid, onder b, c, d, e, f en g, kan
achterwege blijven indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de gemoedstoestand van de gedetineerde daaraan in de weg
staat.
Artikel 58
1.De directeur geeft de gedetineerde van elke beslissing als
bedoeld in artikel 57, eerste lid, onverwijld schriftelijk en zoveel
mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede,
gedagtekende en ondertekende mededeling.
2.De directeur geeft de gedetineerde op de in het eerste lid
omschreven wijze een mededeling omtrent:
a. de weigering van verzending of uitreiking van een brief of
ander poststuk dan wel van bijgesloten voorwerpen, bedoeld in
artikel 36, vierde lid;
b. de weigering van de toelating tot de gedetineerde van een
bepaald persoon of bepaalde personen, bedoeld in artikel 38, derde
lid;
c. het verbod van het voeren van een bepaald telefoongesprek of
bepaalde telefoongesprekken, bedoeld in artikel 39, derde lid;
d. de weigering van een contact met een vertegenwoordiger van
de media, bedoeld in artikel 40, eerste lid.
3.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, kan de mededeling
achterwege blijven, indien de beslissing van de directeur strekt ter
uitvoering van een beperking die aan de gedetineerde is opgelegd
ingevolge de artikelen 62, 62a en 76 van het Wetboek van
Strafvordering.
4.De gedetineerde wordt in de mededeling, bedoeld in het eerste en
tweede lid, gewezen op de mogelijkheid van het instellen van beklag,
bedoeld in hoofdstuk Xl, de wijze waarop en de termijn waarbinnen
zulks dient te geschieden, alsmede op de mogelijkheid tot het doen van
een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de
uitspraak op het klaagschrift de tenuitvoerlegging van de beslissing
geheel of gedeeltelijk te schorsen.
Artikel 59
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de aanleg van dossiers. In elk geval betreffen deze de
omschrijving van gedetineerden over wie een dossier moet worden
aangelegd, de aard van de daarin vervatte informatie, het recht op
inzage of afschrift van het dossier door de betrokken gedetineerde en de
beperkingen daarop en de termijn gedurende welke alsmede de wijze waarop
het dossier bewaard blijft.
Hoofdstuk XI. Beklag
Artikel 60
1.Een gedetineerde kan bij de beklagcommissie beklag doen over een
hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing.
2.Met een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt
gelijkgesteld een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van
een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet
binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een
redelijke termijn een beslissing is genomen.
3.De directeur draagt zorg dat een gedetineerde die beklag wenst te
doen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
Artikel 61
1.De gedetineerde doet beklag door de indiening van een
klaagschrift bij de beklagcommissie bij de inrichting waar de
beslissing waarover hij klaagt is genomen.
2.De indiening van het klaagschrift kan door tussenkomst van de
directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft geschieden.
De directeur draagt in dat geval zorg dat het klaagschrift of, indien
het klaagschrift zich in een envelop bevindt, de envelop van een
dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
3.Het klaagschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk de beslissing
waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag.
4.Indien de gedetineerde de Nederlandse taal niet voldoende
beheerst kan hij het klaagschrift in een andere taal indienen. De
voorzitter van de beklagcommissie kan bepalen dat het klaagschrift in
de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij
algemene maatregel van bestuur.
5.Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die waarop
de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij
zich wenst te beklagen ingediend. Een na afloop van deze termijn
ingediend klaagschrift is niettemin ontvankelijk, indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gedetineerde in
verzuim is geweest.
Artikel 62
1.Het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van
toezicht benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie leden, die wordt
bijgestaan door een secretaris.
2.De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de
beklagcommissie kan, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan
wel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk
gegrond acht, het klaagschrift enkelvoudig afdoen, met dien verstande
dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de
voltallige beklagcommissie toekomen.
3.De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in
het tweede lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de
voltallige beklagcommissie.
4.De behandeling van het klaagschrift vindt niet in het openbaar
plaats, behoudens ingeval de beklagcommissie van oordeel is dat de
niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder
verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
Artikel 63
1.De secretaris van de beklagcommissie zendt de directeur een
afschrift van het klaagschrift toe.
2.De directeur geeft dienaangaande zo spoedig mogelijk schriftelijk
de nodige inlichtingen aan de beklagcommissie, tenzij hij van oordeel
is dat het klaagschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk
ongegrond is of tenzij het vierde lid toepassing vindt. Hij voegt
daaraan de opmerkingen toe, waartoe het klaagschrift hem overigens
aanleiding geeft.
3.Aan de klager geeft de secretaris van de beklagcommissie
schriftelijk kennis van de inhoud van deze inlichtingen en
opmerkingen.
4.De beklagcommissie kan het klaagschrift in handen stellen van het
lid van de commissie van toezicht, bedoeld in artikel 7, derde lid,
teneinde deze in de gelegenheid te stellen terzake te bemiddelen. De
secretaris doet hiervan mededeling aan de directeur.
Artikel 64
1.De beklagcommissie stelt de klager en de directeur in de
gelegenheid omtrent het klaagschrift mondeling opmerkingen te maken,
tenzij zij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk
ongegrond of kennelijk gegrond acht.
2.De klager en de directeur kunnen de voorzitter van de
beklagcommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te
zien.
3.De beklagcommissie kan de directeur en de klager buiten elkaars
aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld
vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt
de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de
voorzitter van de beklagcommissie aan de klager onderscheidenlijk de
directeur mondeling medegedeeld.
4.De beklagcommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen
worden ingewonnen, zijn het tweede en derde lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
1.De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon, die daartoe
van de beklagcommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de
klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de
vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen
bij algemene maatregel van bestuur.
2.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst,
draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning
van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten
geschieden volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van
bestuur.
3.Tijdens de beklagprocedure staat de beklagcommissie aan de klager
op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
4.Indien de klager elders verblijft kunnen de opmerkingen, bedoeld
in artikel 64, eerste lid, op verzoek van de beklagcommissie ten
overstaan van een lid van een andere beklagcommissie worden gemaakt.
5.Van het horen van de betrokkenen maakt de secretaris een
schriftelijk verslag, dat door de voorzitter en de secretaris wordt
ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan
in het verslag vermeld.
Artikel 66
1.Hangende de uitspraak op het klaagschrift kan de voorzitter van
de beroepscommissie op verzoek van de klager, na de directeur te
hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het
klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen.
2.De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur
en de klager.
Artikel 67
1.De beklagcommissie doet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de datum waarop het
klaagschrift is ontvangen, uitspraak. In bijzondere omstandigheden kan
de beklagcommissie deze termijn met ten hoogste vier weken verlengen.
Van deze verlenging wordt aan de directeur en de klager mededeling
gedaan.
2.De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij bevat een
verslag van het horen van personen door de beklagcommissie. Zij wordt
door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij
verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak
vermeld. Aan de klager en de directeur wordt onverwijld en kosteloos
een afschrift van de beslissing van de beklagcommissie toegezonden of
uitgereikt. De datum van die toezending of uitreiking wordt op dit
afschrift aangetekend.
3.De uitspraak vermeldt de mogelijkheid van het instellen van
beroep bij de beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn
waarbinnen dit moet worden gedaan alsmede de mogelijkheid tot
schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in
artikel 70, tweede lid.
4.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en
in de inrichting niet op andere wijze in een vertaling kan worden
voorzien, draagt de voorzitter van de beklagcommissie zorg voor een
vertaling van de uitspraak en de mededeling, bedoeld in het tweede,
onderscheidenlijk derde lid. De vergoeding van de voor de vertaling
gemaakte kosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene
maatregel van bestuur.
5.De voorzitter van de beklagcommissie kan de uitspraak ook
mondeling mededelen aan de klager en de directeur. Zij worden daarbij
gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de
beroepscommissie, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet
worden gedaan, alsmede op de mogelijkheid tot schorsing van de
tenuitvoerlegging van de uitspraak, bedoeld in artikel 70, tweede lid.
Als dag van de uitspraak geldt de dag van het doen van deze
mededeling. Indien mondeling uitspraak wordt gedaan, wordt deze
uitspraak op het klaagschrift aangetekend.
6.Indien het vijfde lid toepassing heeft gevonden en beroep wordt
ingesteld als voorzien in artikel 69, eerste lid, vindt uitwerking van
de beslissing van de beklagcommissie plaats op de wijze, bedoeld in
het tweede lid. De secretaris van de beklagcommissie zendt een
afschrift van deze uitspraak toe aan de directeur, de klager en de
beroepscommissie.
7.De secretaris zendt van alle uitspraken van de beklagcommissie
een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op
kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift
daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens
bevat waaruit de identiteit van de gedetineerde kan worden afgeleid.
Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is
het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 68
1.De uitspraak van de beklagcommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beklag;
b. ongegrondverklaring van het beklag;
c. gegrondverklaring van het beklag.
2.Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing
waarover is geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk
voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in
Nederland geldend verdrag, dan wel
b. bij afweging van alle in aanmerking komende belangen,
onredelijk of onbillijk moet worden geacht, verklaart zij het
beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of
gedeeltelijk.
3.Bij toepassing van het tweede lid kan de beklagcommissie:
a. de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met
inachtneming van haar uitspraak;
b. bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de
vernietigde beslissing;
c. volstaan met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.
4.Bij toepassing van het derde lid, onder a, kan de beklagcommissie
in haar uitspraak een termijn stellen.
5.De beklagcommissie kan bepalen dat de uitspraak buiten werking
blijft totdat deze onherroepelijk is geworden.
6.Indien het tweede lid toepassing vindt, worden de rechtsgevolgen
van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur
ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak
van de beklagcommissie.
7.Voor zover de in het zesde lid bedoelde gevolgen niet meer
ongedaan te maken zijn, bepaalt de beklagcommissie dan wel de
voorzitter, na de directeur te hebben gehoord, of enige tegemoetkoming
aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk
van aard kan zijn, vast.
Hoofdstuk XII. Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Artikel 69
1.Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kunnen de directeur en
de klager beroep instellen door het indienen van een beroepschrift.
Het met redenen omklede beroepschrift moet uiterlijk op de zevende dag
na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak
onderscheidenlijk na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak
worden ingediend.
2.Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door
de Raad benoemde beroepscommissie van drie leden, die wordt bijgestaan
door een secretaris.
3.Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de
artikelen 60, derde lid, 61, vierde lid, 62, vierde lid, 63, eerste,
tweede en derde lid, 64, en 65, eerste, tweede en derde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beroepscommissie
kan bepalen dat:
a. de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid
worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
beroepscommissie kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de
gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die
zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
Artikel 70
1.Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging
van de uitspraak van de beklagcommissie niet, behalve voor zover deze
de toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 68,
zevende lid, inhoudt.
2.Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van
de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft
ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de
tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie geheel of
gedeeltelijk schorsen. Hij doet hiervan onverwijld mededeling aan de
directeur en de klager.
Artikel 71
1.De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
2.De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. bevestiging van de uitspraak van de beklagcommissie, hetzij
met overneming, hetzij met verbetering van de gronden;
c. vernietiging van de uitspraak van de beklagcommissie.
3.Indien het tweede lid, onder c, toepassing vindt, doet de
beroepscommissie hetgeen de beklagcommissie had behoren te doen.
4.Ten aanzien van de uitspraak van de beroepscommissie zijn de
artikelen 66 en 67, tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde
volzin, vierde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XIII. Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, deelname aan
een penitentiair programma, verlof en strafonderbreking
Artikel 72
1.De betrokkene heeft het recht tegen de beslissing van de
selectiefunctionaris op het bezwaar- of verzoekschrift voor zover dit
betreft een gehele of gedeeltelijke ongegrondverklaring,
onderscheidenlijk afwijzing als bedoeld in de artikelen 17 en 18 een
met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie,
bedoeld in artikel 73, eerste lid. De betrokkene heeft ook het recht
een beroepschrift in te dienen in het geval dat het indienen van een
bezwaarschrift op de grond als vermeld in artikel 17, vijfde lid,
achterwege is gebleven.
2.De gedetineerde heeft het recht tegen een hem betreffende
beslissing aangaande verlof, voor zover hiertegen geen beklag
ingevolge artikel 60, eerste en tweede lid, openstaat, een met redenen
omkleed beroepschrift in te dienen bij de commissie, bedoeld in
artikel 73, eerste lid.
Artikel 73
1.Het beroepschrift wordt behandeld door een door de Raad benoemde
commissie van drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.
2.Het beroepschrift wordt ingediend uiterlijk op de zevende dag na
die waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van de beslissing
waartegen hij beroep instelt. Een na afloop van deze termijn ingediend
beroepschrift is niettemin ontvankelijk, indien redelijkerwijs niet
kan worden geoordeeld dat de gedetineerde in verzuim is geweest.
3.Indien de betrokkene gedetineerd is, kan de indiening van het
beroepschrift geschieden door tussenkomst van de directeur van de
inrichting of afdeling waar hij verblijft. De directeur draagt zorg
dat het beroepschrift onverwijld van een dagtekening wordt voorzien.
Als dag waarop het beroepschrift is ingediend geldt die van de
dagtekening.
4.De artikelen 60, derde lid, 61, vierde lid, 63, 64, 65, 66, 67,
tweede lid, eerste en derde tot en met vijfde volzin, vierde en
zevende lid, met uitzondering van de eerste volzin, 68, eerste,
tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de commissie, bedoeld in het eerste
lid, kan bepalen dat:
a. de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld
het beroepschrift schriftelijk toe te lichten;
b. de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
commissie, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gemaakt;
c. ingeval bij een ander persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden
gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon
gesteld wensen te zien.
Hoofdstuk XIV. Overleg en vertegenwoordiging
Artikel 74
De directeur draagt zorg voor een regelmatig overleg met
gedetineerden over zaken die rechtstreeks de detentie raken.
Artikel 75
1.De in de artikelen 17 en 18, alsmede in de hoofdstukken XI tot en
met XIII aan de gedetineerde toegekende rechten kunnen, behoudens
ingeval de selectiefunctionaris of beklag- of beroepscommissie van
oordeel is dat zwaarwegende belangen van de gedetineerde zich
daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
a. de curator, indien de gedetineerde onder curatele is
gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van de gedetineerde een
mentorschap is ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien de gedetineerde minderjarig is.
2.De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde
personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.
Hoofdstuk XV. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden
ten aanzien van wie artikel 13 of 19 van het wetboek van strafrecht is
toegepast
Artikel 76
1.De plaatsing van een tot vrijheidsstraf veroordeelde in een
justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
geschiedt voordat zes maanden sedert de beslissing, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is genomen, in een
gevangenis of huis van bewaring zijn doorgebracht.
2.Indien Onze Minister, rekening houdende met de in artikel 11,
tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden
genoemde eisen, van oordeel is dat de plaatsing niet binnen de in het
eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan hij deze termijn telkens
met drie maanden verlengen.
3.Tegen de beslissing tot verlenging, bedoeld in het tweede lid,
kan de tot vrijheidsstraf veroordeelde beroep instellen bij de Raad.
Het bepaalde in Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XVI. Bijzondere bepalingen betreffende inrichtingen tot
klinische observatie bestemd
Artikel 77
1.Een onveroordeelde die met toepassing van artikel 196, 317 of
509g van het Wetboek van Strafvordering in een inrichting tot
klinische observatie bestemd is opgenomen, wordt voor wat betreft zijn
rechtspositie gelijkgesteld met een onveroordeelde die in een huis van
bewaring verblijft, indien de inrichting tot klinische observatie
bestemd tevens een huis van bewaring is.
2.Een ter beschikking gestelde die met toepassing van artikel 509g
of 509o, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering in een
inrichting tot klinische observatie bestemd is opgenomen, wordt voor
wat betreft zijn rechtspositie gelijkgesteld met een ter beschikking
gestelde die in een huis van bewaring verblijft, indien de inrichting
tot klinische observatie bestemd tevens huis van bewaring is.
Hoofdstuk XVII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 78
Voor zover de regels van de krijgsmacht daartoe aanleiding geven kan
bij militaire gedetineerden van de bepalingen in deze wet worden
afgeweken.
Artikel 79
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]
Artikel 80
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 81
[Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie]
Artikel 82
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Artikel 83
[Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen]
Artikel 84
[Wijzigt de Invoeringswet Wetboek van Strafvordering]
Artikel 85
[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.]
Artikel 86
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet]
Artikel 87
[Wijzigt de Wet ziekenhuisvoorzieningen]
Artikel 88
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs]
Artikel 89
[Wijzigt de Oorlogswet voor Nederland]
Artikel 90
[Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden]
Artikel 91
De Beginselenwet gevangeniswezen wordt ingetrokken, met uitzondering
van de artikelen 2 tot en met 5.
Artikel 92
De regels en de bestemmingen van gevangenissen en huizen van bewaring
vastgesteld krachtens artikel 22 van het Wetboek van Strafrecht, zoals
dit artikel gold vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden geacht
te zijn vastgesteld krachtens de toepasselijke bepalingen van deze wet.
Artikel 93
Deze wet heeft geen gevolgen voor klaagschriften of beroepschriften
die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 94
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden
vastgesteld waarop artikel 76 in werking treedt.
Artikel 95
Deze wet wordt aangehaald als: Penitentiaire beginselenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 juni 1998
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de eenentwintigste juli 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|