Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

PLEEGKINDERENWET  (PKW)

Tekst zoals deze geldt op 17 januari 2014
Volgende actualisering: juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet

 

 

WET van 21 december 1951, houdende voorzieningen betreffende het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen met betrekking tot het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

1. pleegkind: een door aspirant-adoptiefouders opgenomen buitenlands kind als bedoeld in artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Stb. 1988, 566), dan wel een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen:

a. een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd;

b. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen;

c. een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke door Ons van het toezicht ingevolge de bepalingen van deze wet is vrijgesteld, dan wel behoort tot een groep van inrichtingen, die door Ons, de Raad van State gehoord, van dit toezicht is vrijgesteld;

2. ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming: de directeur, een plaatsvervangend directeur of een door de directeur aangewezen ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming.

 

Artikel 2

Voor de toepassing van deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften worden onder hoofd van een inrichting begrepen bestuurders, ondernemers en beheerders van een inrichting.

 

Artikel 3

De verplichtingen, voortvloeiende uit deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften, voor zover niet aan anderen opgedragen, rusten op degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen, dan wel op het hoofd van een inrichting, waarin een of meer pleegkinderen worden verzorgd en opgevoed, en bij ontstentenis of afwezigheid van dit hoofd op degene die de feitelijke leiding in de inrichting uitoefent.

 

Artikel 4

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de voorwaarden, waaraan de verzorging en opvoeding van een pleegkind moet voldoen, alsmede betreffende de uitoefening van het toezicht op de verzorging en opvoeding.

 

Aanmelding en toezicht

 

Artikel 5

1.Degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x