Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

POSTBANKWET

Tekst zoals deze geldt op 19 juli 2013

Vervallen m.i.v. 1 januari 2014

 

 

 

 
WET van 11 september 1985, houdende regelen met betrekking tot de oprichting van de Postbank N.V.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van de naamloze vennootschap Postbank N.V. waarin de vermogensbestanddelen van de Staat welke kunnen worden toegerekend aan de Postcheque- en Girodienst en de vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank worden ingebracht en dat ingevolge artikel 40 van de Comptabiliteitswet 1976 (Stb. 671) voor de oprichting van deze vennootschap machtiging bij wet is vereist;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I

 

Artikel 1

1.Onze Minister van FinanciŽn wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden bij eenzijdige rechtshandeling op te richten de naamloze vennootschap Postbank N.V., waarop van toepassing zijn de artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en welke ten doel heeft de uitoefening van het bankbedrijf met het oog op de voortzetting van de dienstverlening zoals die werd verricht door de Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank, waarbij de vennootschap dient te streven naar continuÔteit van de instelling alsmede naar een vanuit bedrijfseconomisch oogpunt redelijk rendement op het eigen vermogen.

2.Onze voornoemde minister wordt gemachtigd om namens de Staat deel te nemen in verdere plaatsing van kapitaal door de vennootschap.

3.De vennootschap kan ingevolge het eerste lid worden opgericht zonder dat op de datum van oprichting een ondernemingsraad is ingesteld. Tot het tijdstip waarop de Postbank N.V. krachtens wettelijke verplichting een ondernemingsraad heeft ingesteld, worden commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders.

 

Hoofdstuk II

 

Artikel 2

1.Alle vermogensbestanddelen van de Staat, welke aan de Postcheque- en Girodienst worden toegerekend, gaan onder algemene titel over op de Postbank N.V. zonder dat daarvoor een nadere akte of betekening wordt gevorderd, met dien verstande dat een bedrag ter grootte van de som van de reserve koersverschillen ten name van de Postcheque- en Girodienst en van het op die dienst betrekking hebbende deel van de reserves en het vernieuwingsfonds van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, vervalt aan de Staat onder dienovereenkomstige vermindering van het bedrag van de reserves en het vernieuwingsfonds van genoemd Staatsbedrijf. De reserve koersverschillen wordt opgeheven.

2.De rechtsbetrekking, welke ten gevolge van het bepaalde in het eerste lid ontstaat tussen de Postbank N.V. en een derde, die tot het tijdstip van overgang van de vermogensbestanddelen, in het eerste lid bedoeld, gebruik maakte van de diensten van de Postcheque- en Girodienst, blijft, voor zolang tussen de bank en die derde geen andere voorwaarden zijn overeengekomen dan wel de rechtsbetrekking niet door een der partijen is opgezegd, op overeenkomstige wijze beheerst door de voorwaarden, die op dat tijdstip op die rechtsbetrekking van toepassing waren ingevolge het bij of krachtens artikel 7, eerste lid, van de Postwet 1954 (Stb. 592) en artikel 4 van de Aanwijzingswet PTT 1954 (Stb. 593) bepaalde, met dien verstande dat bevoegdheden, in die voorwaarden gegeven aan organen van de Staat, als rechten worden uitgeoefend door de bank.

3.De op 20 augustus 1982 tussen Onze Minister van FinanciŽn en de directeur van de Rijkspostspaarbank, mede namens de directeur-generaal van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, gesloten overeenkomst betreffende de financiŽle regeling tussen 's Rijks schatkist en de Postcheque- en Girodienst vervalt.

 

Artikel 3

1.Alle vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank, bedoeld in artikel 1 van de Postspaarbankwet 1954 (Stb. 594), gaan onder algemene titel over op de Postbank N.V. zonder dat daarvoor een nadere akte of betekening wordt gevorderd.

2.De rechtsbetrekking, welke ten gevolge van het bepaalde in het eerste lid ontstaat tussen de Postbank N.V. en een derde, die tot het tijdstip van overgang van de vermogensbestanddelen, in het eerste lid bedoeld, rechthebbende was op een tegoed bij de Rijkspostspaarbank, blijft, voor zolang tussen de bank en die derde geen andere voorwaarden zijn overeengekomen dan wel de rechtsbetrekking niet door een der partijen is opgezegd, op overeenkomstige wijze beheerst door de voorwaarden, die op dat tijdstip op die rechtsbetrekking van toepassing waren ingevolge het bij of krachtens artikel 7, eerste, derde en vijfde lid, van de Postspaarbankwet 1954 bepaalde, met dien verstande, dat bevoegdheden, in die voorwaarden gegeven aan organen van de Staat of de Rijkspostspaarbank, als rechten worden uitgeoefend door de bank.

 

Artikel 4

1.De overgang op de Postbank N.V. van alle vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de Postcheque- en Girodienst worden toegerekend en van de vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3, wordt aangemerkt als storting door de Staat op aandelen of op leningen van de Staat aan de bank welke leningen, behalve bij conversie in aandelen, niet vatbaar zijn voor verrekening, en al dan niet achtergesteld kunnen zijn bij de vorderingen van derden.

2.Onze Minister van FinanciŽn stelt, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, vast tot welke bedragen de in het eerste lid bedoelde storting wordt aangemerkt als storting op de in het eerste lid bedoelde leningen, waarbij Onze voornoemde Minister bepaalt welk gedeelte van deze leningen als achtergesteld wordt aangemerkt, een en ander zodanig dat de solvabiliteitspositie van de Postbank N.V. niet onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255).

 

Artikel 5

1.De leningen, bedoeld in artikel 4, hebben een looptijd van vijfentwintig jaar en worden, onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid, na vijftien jaar in tien zo veel mogelijk gelijke delen afgelost. De Postbank N.V. is bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van FinanciŽn, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, een of meer van de leningen geheel of gedeeltelijk vervroegd af te lossen.

2.Over de leningen, bedoeld in artikel 4, is de Postbank N.V. rente verschuldigd, die door Onze Minister van FinanciŽn, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, voor de aanvang van de leningen wordt vastgesteld. De vaststelling geschiedt aan de hand van de tarieven die gelden op de kapitaalmarkt en, voor zover de bijzondere balansstructuur van de bank zulks vereist, aan de hand van de te verwachten opbrengst van door Onze voornoemde Minister, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, aan te wijzen uitzettingen op overeenkomstige termijn van de bank.

3.De leningen zijn te allen tijde geheel of gedeeltelijk converteerbaar in aandelen in de Postbank N.V. tegen een koers die gelijk is aan de intrinsieke waarde van de uitstaande aandelen op het tijdstip van conversie. Onze Minister van FinanciŽn bepaalt ten laste van welke lening of leningen de conversie plaatsvindt. Het geconverteerde deel van de lening of leningen wordt in gelijke delen in mindering gebracht op de nog af te lossen delen van de lening of leningen ten laste waarvan de conversie plaatsvindt.

4.Conversie geschiedt telkens op verzoek van Onze Minister van FinanciŽn, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord.

Onze voornoemde Minister kan slechts een verzoek tot conversie doen

a. indien de conversie vanuit het oogpunt van de aandeelhouder op bedrijfseconomische gronden verantwoord is, of

b. indien de omstandigheden die tot conversie aanleiding geven hun oorzaak vinden in de balansstructuur van de Postbank N.V. op de datum van oprichting,

mits de conversie niet leidt tot een solvabiliteitspositie van de bank die onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen.

 

Artikel 6

Ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van FinanciŽn aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

 

Artikel 7

De Postbank N.V. wordt geacht op het tijdstip van haar oprichting een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen te hebben verkregen.

 

Artikel 8

1.De Staat waarborgt de uitbetaling door de Postbank N.V. van een tegoed dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel wordt aangehouden bij de Postcheque- en Girodienst en bij de Rijkspostspaarbank. Deze waarborg vervalt dertig dagen na genoemd tijdstip. Voor zover binnen deze periode het saldo van het tegoed afneemt, vervalt de waarborg voor het desbetreffende gedeelte.

2.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde waarborgt de Staat de uitbetaling door de Postbank N.V. van een tegoed dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel wordt aangehouden bij de Rijkspostspaarbank voor zover dat tegoed op dat tijdstip niet algemeen kortingvrij opvraagbaar is, alsmede de na dat tijdstip op dat tegoed gekweekte niet opvraagbare rente. De waarborg vervalt dertig dagen na het tijdstip waarop het tegoed algemeen kortingvrij opvraagbaar is geworden; indien een gedeelte van het tegoed algemeen kortingvrij opvraagbaar is geworden, vervalt de waarborg voor dat gedeelte dertig dagen na dat tijdstip.

3.De in het eerste en tweede lid bedoelde waarborg geldt slechts voor zover de nakoming van de desbetreffende verplichtingen van de Postbank N.V. niet op andere wijze is verzekerd.

 

Artikel 9

1.De kosten die in verband met de oprichting van de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x