Nadere regelgeving:
- Besluit prijsaanduiding producten
WET van 24 maart 1961, houdende regelen
op het gebied van de prijzen van goederen en diensten
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
mogelijkheid te openen regelen te stellen op het gebied van de prijzen
van goederen of diensten, ingeval de ontwikkeling dier prijzen daartoe
aanleiding geeft;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Deze wet verstaat onder:
producten: roerende zaken in de zin van het Burgerlijk Wetboek;
diensten: alle diensten, in de ruimste zin, met inbegrip van de
verrichtingen, welke het voorwerp zijn van een verzekerings- of
garantieovereenkomst, doch met uitzondering van die, welke het
voorwerp zijn van een arbeidsovereenkomst;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie.
2. Deze wet verstaat onder prijzen niet de vergoedingen voor
diensten op het gebied van het bankwezen, in de ruimste zin, en van de
geld- en kapitaalmarkt, voor zover zij het karakter van
rentevergoeding dragen.
Artikel 2
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
ministerraad, indien er naar zijn oordeel als gevolg van een zich
plotseling voordoende noodsituatie van de nationale economie,
veroorzaakt door een of meer schoksgewijs optredende factoren, sprake
is van een zodanig versnellende inflatie - of indien er aanwijsbare
omstandigheden zijn, op grond waarvan hij kan vermoeden dat een
dergelijke versnellende inflatie zal ontstaan -, dat het nemen van een
zodanige maatregel is vereist:
a. voor producten en diensten in het algemeen verbieden, voor
zover het de binnenlandse markt betreft, het aanbieden, verkopen,
verhuren, krachtens verkoop leveren of krachtens verhuur
verschaffen van het genot van producten, onderscheidenlijk het
aanbieden of verrichten van diensten of het zich verbinden deze te
verrichten, tegen hogere dan door hem aan te geven prijzen;
b. voorschriften geven betreffende het voeren van een
administratie, waaruit de vorming blijkt van de prijzen, die voor
producten of diensten, ten aanzien van welke het onder a bepaalde
toepassing heeft gevonden, op de binnenlandse markt worden
gevraagd, bedongen of in rekening gebracht.
2. Een regeling op grond van het eerste lid dient gepaard te gaan
met de aankondiging van andere maatregelen welke in verband met het
zich voordoen van de aldaar bedoelde noodsituatie vereist zijn en die
ten doel hebben de inflatie te beperken.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde regeling geldt voor
een bij die regeling vast te stellen tijdvak van ten hoogste zes
maanden. Dit tijdvak kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes
maanden.
Artikel 2a [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 2b
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld betreffende:
a. het bekendmaken van de prijzen, waartegen producten of
diensten worden aangeboden;
b. het bekendmaken van de prijzen per in die maatregel
aangewezen meeteenheden, waartegen producten worden aangeboden;
c. het bekendmaken van de vergoedingen, die bij het bepalen van
prijzen van diensten voor werkzaamheden per bij die maatregel
aangewezen tijdsduur in rekening worden gebracht, en het
bekendmaken van de geldbedragen, die bij het bepalen van prijzen
van diensten voor materialen en onderdelen, te gebruiken bij het
verrichten van die diensten, in rekening worden gebracht;
d. het specificeren van op verrichte diensten betrekking
hebbende rekeningen.
2. De voordracht tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van een
algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt Ons
gedaan door Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat te
zamen.
Artikel 3
1. Onze Minister kan van het krachtens de artikelen 2 of 2b
bepaalde op daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
2. De ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan de
ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op de ontheffing, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister en
Onze Minister wie het mede aangaat tezamen aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5
1. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Zo nodig oefent de toezichthouder de in artikel 5:17 van de
Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheid uit met behulp van de
sterke arm.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 6a [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 6b [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 11
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan dit geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 12
1. Een gedraging in strijd met het krachtens de artikelen 2, eerste
lid, of 3 bepaalde is een misdrijf, wanneer zij opzettelijk geschiedt,
en overigens een overtreding.
2. Een gedraging in strijd met het bij of krachtens artikel 11
bepaalde, indien uitdrukkelijk aangeduid als strafbaar feit, is een
overtreding.
Artikel 13 [Vervallen per 08-12-1993]
Artikel 14 [Vervallen per 08-12-1993]
Artikel 15 [Vervallen per 08-12-1993]
Artikel 16 [Vervallen per 08-12-1993]
Artikel 17
Deze wet kan worden aangehaald als: Prijzenwet.
Artikel 18
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 maart 1961
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
J.W. de Pous
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
G.M.J. Veldkamp
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Financiën,
J. Zijlstra
De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid,
J. van Aartsen
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
J. van Aartsen
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Van Rooy
Uitgegeven de negende mei 1961
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|