Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

 

RAAMWET  SECTORRADEN  ONDERZOEK  EN  ONTWIKKELING

Tekst zoals deze geldt op 18 januari 2008

Vervallen m.i.v. 1 februari 2008

 

 

 

 
WET van 14 mei 1987, houdende adviesorganen ten behoeve van de beleidsvoering inzake onderzoek en ontwikkeling op onderscheidene aandachtsgebieden

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten!
     Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, ten behoeve van een op inzicht in maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen gefundeerde beleidsvoering inzake onderzoek en ontwikkeling, wenselijk is, met inachtneming van artikel 79 van de Grondwet, op onderscheidene aandachtsgebieden adviesorganen in te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

sectorraad: een sectorraad als bedoeld in het eerste lid van artikel 2;

Onze minister: Onze minister, belast met de zorg voor de desbetreffende sectorraad;

Onze aangewezen ministers: Onze ministers, voor de desbetreffende sectorraad aangewezen bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.

§ 2. Instelling en taak

Artikel 2. Instelling

1. Ten behoeve van de uitvoering van het beleid inzake onderzoek en ontwikkeling kan bij algemene maatregel van bestuur een sectorraad worden ingesteld voor een daarbij aan te wijzen aandachtsgebied. Een sectorraad wordt ingesteld als zelfstandig programmeringscollege. De instelling geschiedt voor een tijdvak van zes jaren, dat bij koninklijk besluit telkens met eenzelfde tijdvak kan worden verlengd.

2. Over een voornemen tot instelling dan wel tot verlenging stelt Onze minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, de beide kamers der Staten-Generaal in kennis. Hij brengt dit voornemen niet tot uitvoering dan nadat 30 dagen na de inkennisstelling zijn verstreken.

3. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur bevat in elk geval:

a. de omschrijving van het betrokken aandachtsgebied;

b. de aanwijzing van Onze minister alsmede van Onze ministers wie het mede aangaat, onder wie Onze minister belast met de coördinatie van het wetenschapsbeleid;

c. de naam van de sectorraad, alsmede bepalingen omtrent het aantal leden en de zittingsduur van de leden;

d. bepalingen omtrent de aan de sectorraad ter beschikking te stellen financiële middelen.

Artikel 3. Taak

1. Een sectorraad heeft tot taak desgevraagd of uit eigen beweging Onze aangewezen ministers op basis van het door hen vastgestelde beleid voorstellen te doen voor de programmering en coördinatie inzake onderzoek, ontwikkeling en kennisinfrastructuur voor een of meer jaren. Hij baseert zich daarbij op een grondige verkenning van maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen terzake.

2. Een sectorraad kan, na toestemming van Onze minister, voorstellen doen aan een andere minister dan Onze aangewezen ministers of aan een organisatie of instelling, betrokken bij onderzoek en ontwikkeling op zijn aandachtsgebied.

§ 3. Samenstelling

Artikel 4. Samenstelling

1. Een sectorraad is zodanig samengesteld, dat daarin de onderscheidene maatschappelijke en wetenschappelijke belangen bij onderzoek en ontwikkeling op zijn aandachtsgebied evenwichtig worden weerspiegeld.

2. Een sectorraad telt ten minste zes en ten hoogste vijftien leden, en wel:

a. een voorzitter, tevens lid;

b. leden, bekend met de gezichtspunten in kringen van organisaties en instellingen die onderzoek en ontwikkeling op het aandachtsgebied financieren, of anderszins bij de resultaten daarvan belang hebben;

c. leden, bekend met de gezichtspunten in kringen van organisaties en instellingen die onderzoek en ontwikkeling op het aandachtsgebied uitvoeren.

3. Een sectorraad telt tot ten hoogste een derde van het aantal leden adviserende leden namens Onze aangewezen ministers.

Artikel 5. Benoeming, schorsing, ontslag

1. Onze minister, handelend in overeenstemming met Onze andere aangewezen ministers, benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter, na de desbetreffende sectorraad hierover te hebben gehoord.

2. Onze minister benoemt, schorst en ontslaat de overige leden.

3. De voorzitter en de overige leden worden benoemd op persoonlijke titel.

4. Onze aangewezen ministers wijzen elk een of meer adviserende leden aan.

§ 4. Inrichting en werkwijze

Artikel 6. Secretariaat

1. Een sectorraad wordt bijgestaan door een secretaris.

2. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak slechts verantwoording schuldig aan de sectorraad.

3. Onze minister draagt zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van het secretariaat, na overleg met de sectorraad.

Artikel 7. Voorbereiding voorstellen

Een sectorraad kan de voorbereiding van een onderdeel van zijn werkzaamheden opdragen aan een commissie uit zijn midden. Indien het een tijdelijke commissie betreft, kunnen daarin mede zitting hebben personen die geen lid of adviserend lid van de sectorraad zijn.

Artikel 8. Minderheidsnota's

Voorstellen worden uitgebracht overeenkomstig het standpunt van de meerderheid van de leden van een sectorraad. Leden zijn bevoegd bij een voorstel minderheidsnota's toe te voegen.

Artikel 9. Verslag

Een sectorraad brengt Onze aangewezen ministers jaarlijks schriftelijk verslag uit van zijn werkzaamheden gedurende het afgelopen kalenderjaar.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1994]

§ 5. Overige bepalingen

Artikel 11 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 12. Overleg sectorraden

1. Onze minister, belast met de coördinatie van het wetenschapsbeleid, stelt na overleg met de sectorraden een commissie van overleg sectorraden in en regelt de samenstelling en de inrichting daarvan.

2. De commissie heeft tot taak te fungeren als overlegplatform tussen de sectorraden inzake gemeenschappelijke aangelegenheden.

3. In de commissie hebben in elk geval de voorzitters van de sectorraden zitting.

Artikel 13. Nationale raad voor landbouwkundig onderzoek

De Nationale raad voor landbouwkundig onderzoek wordt aangemerkt als sectorraad. Ten aanzien van deze raad kan worden afgeweken van de artikelen 2, 4 en 5.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 14. Evaluatie

Binnen een termijn van vijf jaren na zijn instelling dan wel na een besluit tot verlenging brengt een sectorraad een rapport uit aan Onze minister, waarin de taakvervulling van de raad aan een onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen.

Artikel 15. Inwerkingtreding; citeertitel

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 13, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. Deze wet kan worden aangehaald als "Raamwet sectorraden onderzoek en ontwikkeling".

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 14 mei 1987

 

BEATRIX

 

De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman

 

Uitgegeven de tweede juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x