Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

SAMENLOOPREGELING  INDONESISCHE  PENSIOENEN  1960  (SIP)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 29 mei 1963, houdende nadere maatregelen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere maatregelen te stellen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of een pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Eerste Hoofdstuk Samenloop van Indonesisch pensioen met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

1. "overheidsdienaren":

a. vůůr de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden: burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlands-IndiŽ en van IndonesiŽ, ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling, van de waterschappen, bedoeld in artikel 186 van die staatsregeling en van de zelfbesturende landschappen in IndonesiŽ, pensioengerechtigde leerkrachten bij het gesubsidiŽerd onderwijs in IndonesiŽ, ambtenaren van het Beheerskantoor in IndonesiŽ van de voormalige Indische Pensioenfondsen en personeel bij de Lands Landbouwbedrijven in IndonesiŽ;

b. dienst- en reserveplichtigen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indisch Leger, aan wie of aan wier nagelaten betrekkingen op grond van de vůůr 8 december 1941 gegolden hebbende voorschriften een pensioen is toegekend tengevolge van in en door de dienst bekomen letsel;

c. personen, aan wie krachtens de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel IndonesiŽ of de Garantiewet Militairen K.N.I.L. garanties zijn of zullen zijn verleend;

2. "pensioen": een ten laste van de Staat of van een door de Staat ingesteld orgaan, al dan niet krachtens wettelijke garanties, betaalde periodieke uitkering als omschreven in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 (Stb. 1957, 319) met inbegrip van de daarop door de Staat verleende of te verlenen toeslagen en bijslagen, met uitzondering van kindertoelage;

3. "wachtgelden": door gewezen overheidsdienaren genoten wachtgelden en daarmede in aard overeenkomende onderstanden, welke ten laste van de Staat worden betaald, beide met inbegrip van de daarop door de Staat verleende of te verlenen toeslagen en bijslagen, met uitzondering van kindertoelage;

4. ęalgemeen ouderdomspensioenĽ: een bruto ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voorzover deze niet behoren tot de overlijdensuitkering krachtens die wet.

 

Artikel 1a

Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een gewezen overheidsdienaar die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.

 

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze wet wordt het pensioen geacht te zijn berekend:

a. voor de gewezen overheidsdienaren, aan wie een pensioen is toegekend, hetwelk is dan wel wordt geacht te zijn berekend naar de krachtens het desbetreffende pensioenreglement voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd, naar 40 dienstjaren;

b. voor de gewezen overheidsdienaren, aan wie een pensioen anders dan bedoeld onder a is toegekend, naar een zodanig gedeelte van 40 dienstjaren, als de diensttijd, waarnaar het pensioen is dan wel wordt geacht te zijn berekend zich verhoudt tot de krachtens het desbetreffende pensioenreglement voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd;

c. voor de gewezen overheidsdienaren, die in het genot zijn van een invaliditeitstoeslag als bedoeld in artikel 2a van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956, naar een aantal dienstjaren, dat zich verhoudt tot veertig als de diensttijd, welke krachtens het desbetreffende pensioenreglement overeenkomt met de in de leden 2 van de artikelen 3a, 3b en 3c van die wet genoemde percentages, zich verhoudt tot de krachtens het desbetreffende pensioenreglement voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd, doch ten hoogste naar 40 dienstjaren;

d. voor de weduwen van gewezen overheidsdienaren, naar 40 dienstjaren.

2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt ten aanzien van pensioenen, als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-IndiŽ (Ind. Stb. 1923, 518), de voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd gesteld op 20 jaren.

3. Diensttijd, waarnaar een of meer pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt geacht te zijn vervuld gedurende het tijdvak of de tijdvakken, welke door de gewezen overheidsdienaar of, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, daadwerkelijk in dienstverhouding is of zijn doorgebracht en, voor zover de duur daarvan te boven gaande, geacht aan te sluiten bij het einde van de laatste dienstverhouding, waaraan recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip, waarop de gewezen overheidsdienaar of degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt, wordt die diensttijd, teruggerekend van dat tijdstip af, geacht te zijn vervuld voor zover mogelijk gedurende de tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van het eerste dienstverband waaraan recht op pensioen wordt ontleend.

4. Het bepaalde in het voorgaande lid lijdt uitzondering ten aanzien van pensioenen als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-IndiŽ, in dier voege, dat voor de vaststelling van het tijdvak gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een zodanig pensioen wordt geacht te zijn berekend, andere pensioenen buiten aanmerking worden gelaten.

5. Tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet, wordt, indien en voor zover die tijd samenvalt met het in lid 3 bedoelde tijdvak, van de in lid 1 bedoelde dienstjaren in mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 4 buiten aanmerking gelaten.

 

Artikel 3

1. Indien een tijdvak waarop het algemeen ouderdomspensioen moet worden geacht betrekking te hebben geheel of gedeeltelijk samenvalt met het tijdvak gedurende hetwelk diensttijd wordt geacht te zijn vervuld waarnaar een of meer aan betrokkene toekomende pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt over iedere maand, of gedeelte van een maand, gedurende welke betrokkene aanspraak heeft op algemeen ouderdomspensioen en op een of meer pensioenen de betaling van het pensioen of de pensioenen beperkt. Een weduwepensioen wordt beperkt vanaf de dag volgende op die van het overlijden van de gewezen overheidsdienaar aan wiens overlijden het recht op weduwepensioen wordt ontleend indien deze in het genot was van enige pensioenuitkering waarop een beperking werd toegepast en die niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.

2. Indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot aanspraak heeft op eigen pensioen, wordt met ingang van de dag waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt voor de toepassing van deze wet de diensttijd waarnaar dat pensioen moet worden geacht te zijn berekend slechts in aanmerking genomen, voorzover deze niet samenvalt met diensttijd waarnaar een aan de echtgenoot toekomend pensioen of toekomende andere uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen verminderde pensioenuitkering moet worden geacht te zijn berekend.

3. Het voorgaande lid vindt slechts toepassing op aanvraag van degene die aantoont dat aan de echtgenoot een pensioen of enig andere pensioenuitkering is toegekend die uit hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen wordt verminderd, waarbij de vermindering van de beperking ingaat op de dag waarop de bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

 

Artikel 4

1.De beperking van de uitbetaling van het pensioen of

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x