Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

STELSELWET

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 12 juli 1821, houdende de grondslagen van het stelsel van 's Rijks belastingen, met den jare 1822

 

     WIJ WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

     Alzoo Wij in overweging genomen hebben den uitslag der deliberatien van de kommissie, door Ons, bij besluit van den 23sten Januari des jaars 1820, n. 17, tot herziening van het bestaande stelsel der In- en Uitgaande Regten en Accijnsen benoemd, en daardoor de noodzakelijkheid hebben ingezien, om in dat stelsel belangrijke wijzigingen daar te stellen, en hetzelve tevens, in zoo verre het voor de schatkist onvoldoende is, door zoodanige middelen aan te vullen, als daartoe het meest dienstig kunnen geacht worden;

 

 

Artikel 1

[1.] Met den jare 1822, zal het stelsel van s Rijks belastingen, zoo en in dier voege zijn ingerigt, als bij de navolgende artikelen is omschreven.

[2.] Voor zoo verre door het niet genoegzaam tijdig arresteren der te vervaardigen speciale wetten, aan de voorschrevene tijdsbepaling niet mogt kunnen worden voldaan, zal de termijn, tot de gelijktijdige invoering derzelven, nader door Ons worden vastgesteld; voorbehoudens de bepaling hierna bij art. 7, A gemaakt, in het geval dat de nieuwe wet op de patenten, niet gelijktijdig met de overige belastingen mogt kunnen worden ingevoerd.

Artikel 2

Het voorschreven stelsel, zal bestaan uit de navolgende belastingen:

I. DIRECTE BELASTINGEN.

a. Op de ongebouwde en gebouwde eigendommen, zoodanig als dezelve volgens de wetten en verordeningen op die belastingen bestaande, worden geheven tot eene hoofdsom van f 16,028,160.00, welke over de provincien zal worden omgeslagen, behoudens zoodanige bepalingen, als deswege bij volgende wetten nader mogten worden vastgesteld.
Boven deze hoofdsom zullen op dezelve nog geheven worden twee opcenten tot goedmaking der niet inkomende posten.

b. Op het personeel, welke belasting op de zes volgende grondslagen zal worden berekend:

1. De huurswaarde, Vier guldens van iedere honderd guldens jaarlijksche onzuivere huurswaarde van alle woningen en gebouwen.
Hiervan worden vrijgesteld alle woningen beneden twintig guldens jaarlijksche huurswaarde; of bij de week verhuurd wordende, beneden de zestig cents huurswaarde in de week.
Alle fabrijk- en trafijk-gebouwen voor zoo verre dezelve niet dienen tot berging der gefabriceerde goederen, mitsgaders alle schuren en stallen van den landbouw, kerken, schoolgebouwen, gestichten van publiek onderwijs en weldadigheid, en alle gebouwen voor den publieken rijks, provincialen, stedelijken of plaatselijken dienst. De gedeelten echter dier gebouwen, welke worden bewoond, of tot andere dan de hierboven genoemde einden worden gebruikt, zijn aan de belasting onderworpen.

2. De deuren en vensters.
Van al de buitendeuren en vensters, welke in de huizen en gebouwen gevonden worden, zal door de gebruikers dier huizen en gebouwen betaald worden naar het volgende tarief:
Deuren en vensters gelijk vloers, en vensters der twee volgende verdiepingen:

 

In gemeenten

beneden de ...  5,000

inwoners

f 00.40.

 

van 5,000 tot 10,000

00.50.

 

10,000 tot 25,000

00.60.

 

25,000 tot 50,000

00.80.

 

boven de ...  50,000

1.10.

 


Vensters der hoogere verdiepingen:

In gemeenten

beneden de 5,000

inwoners

... f 00.40.

In gemeenten

beneden de ...  5,000

inwoners

f 00.40.

 

boven de ...  50,00

"

-00.50.

Met betrekking tot de klassificatie der gemeenten ten platten lande, naar derzelver bevolking, zal slechts tot grondslag genomen worden het getal inwoners, hetwelk in de geaglomereerde huizen der gemeente gevonden wordt, zonder daarbij te voegen de bevolking van huizen die in de uitgestrektheid der gemeente verspreid zijn, en welke zullen gerangschikt worden in de klasse tot welke de gemeente, naar hare geaglomereerde bevolking, behoort.
Van de belasting op de deuren en vensters, zijn vrijgesteld de deuren en vensters, dienende om licht of lucht te geven in zolders, kelders en andere plaatsen, die niet tot woning van menschen strekken, als mede die, welke gevonden worden in de daken of andere dekkingen van bewoonde huizen; voorts de deuren en vensters in fabrijken en trafijken, schuren en stallen van den landbouw, kerken, schoolgebouwen, gestichten van publiek onderwijs en weldadigheid, en alle gebouwen voor den publieken rijks, provincialen, stedelijken of plaatselijken dienst. De deuren en vensters echter, welke gevonden worden in de gedeelten dier gebouwen, welke worden bewoond, of tot andere dan de hierboven genoemde einden worden gebruikt, zijn aan de belasting onderworpen.
Voorts zijn van deze belasting vrijgesteld, de deuren en vensters in woonhuizen beneden de twintig guldens, jaarlijksche huurswaarde, of bij de week verhuurd wordende, beneden de zestig cents, huurswaarde in de week.

3. De haardsteden.
Van alle de haardsteden, welke in de huizen en gebouwen gevonden worden, zal door de gebruikers dier huizen en gebouwen, naar evenredigheid van het getal haardsteden, worden betaald:
Wanneer er slechts eene haardstede gevonden wordt f 0.40.
Wanneer er slechts twee zijn, voor ieder f 0.75.
Wanneer er drie of meerdere tot het getal van twaalf zijn, van ieder f 1.75.
Hiervan zijn vrijgesteld:
De haardsteden in woonhuizen van beneden de twintig guldens jaarlijksche huurswaarde; of bij de week verhuurd wordende, beneden de zestig cents huurswaarde in de week.
De haardsteden boven het getal van twaalf, in ieder huis of gebouw.
De haardsteden in kerken, schoolgebouwen, gestichten van publiek onderwijs of weldadigheid; en in alle gebouwen voor den publieken rijks, provincialen, stedelijken of plaatselijken dienst.
De haardsteden echter, welke gevonden worden in de gedeelten dier gebouwen, welke worden bewoond, of tot andere, dan de hierboven genoemden einden, worden gebruikt, zijn aan de belasting onderworpen.

4. Het mobilair:
Van elke honderd guldens der waarde van het mobilair, hetwelk gevonden wordt in woningen of gebouwen, zal door de gebruikers daarvan worden betaald f 1.00.Tot vinding der mobilaire waarde, zal het elk vrijstaan dezelve door daartoe aangestelde schatters te doen tauxeren, zullende anders die waarde berekend en bepaald worden op vijfmalen de jaarlijksche onzuivere huur der woningen en gebouwen, waarin het mobilair zich bevindt.
Van deze betaling is vrijgesteld:
Het mobilair in woonhuizen van beneden de twintig guldens jaarlijksche huurswaarde, of, bij de week verhuurd wordende, beneden de zestig cents huurswaarde in de week.
Het mobilair in kerken, schoolgebouwen, gestichten van publiek onderwijs en weldadigheid, en in gebouwen bestemd voor den publieken rijks, provincialen, stedelijken of plaatselijken dienst. Dat geen echter, hetwelk gevonden wordt in de gedeelten dier gebouwen welke worden bewoond, of tot andere dan de hierboven genoemde einden worden gebruikt, is aan de belasting onderworpen.

5. De Dienstboden.
Personen of huisgezinnen, welke dienstboden houden, zullen daarvan betalen:Voor iedere dienstbode

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x