Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

STOOMWET

Tekst zoals deze geldt op 16 juli 2007

Vervallen m.i.v. 1 januari 2008

 

 

 

 
WET van 25 maart 1953, regelende het toezicht op het gebruik van stoom- en damptoestellen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wijzigingen en aanvullingen, welke de Wet van 15 April 1896 (Stb. 1896, 69) regelende het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen behoeft, het raadzaam maken, haar door een nieuwe wet te vervangen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften wordt verstaan onder:

toestellen: technische voortbrengselen, die worden gebruikt of zijn bestemd tot gebruik op een zodanige wijze, dat daarin aanwezig kan zijn damp onder een hogere druk dan die van de dampkring of vloeistof bij een temperatuur, waarbij de dampspanning van deze stof hoger is dan die van de dampkring;

stoomketels: toestellen, waarin water wordt verhit door toevoer van warmte, welke niet is onttrokken aan een ander toestel, waarop deze wet van toepassing is;

stoomtoestellen: stoomketels alsmede toestellen, welke met deze zodanig worden verbonden, dat tussen het toestel en de stoomketel overdracht van warmte door middel van damp of vloeistof plaats vindt;

dampketels: toestellen, waarin een andere vloeistof dan water wordt verhit door toevoer van warmte welke niet is onttrokken aan een ander toestel, waarop deze wet van toepassing is;

damptoestellen: dampketels alsmede toestellen, welke met deze zodanig worden verbonden, dat tussen het toestel en de dampketel overdracht van warmte door middel van damp of vloeistof plaats vindt;

toebehoren: technische voortbrengselen, strekkende om het veilig gebruik van stoomtoestellen of damptoestellen te bevorderen;

Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 1a

Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, die op het continentaal plat gebruikt worden bij een verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen als bedoeld in de Mijnbouwwet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, die gebruikt worden bij een verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen als bedoeld in de Mijnbouwwet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in de vorige zin bedoelde stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze, voorts regels worden gesteld die afwijken van of strekken ter aanvulling van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

§ 2. Voorschriften met betrekking tot stoomtoestellen en damptoestellen

Artikel 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld, waaraan stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze moeten voldoen of welke met betrekking tot deze toestellen en dit toebehoren moeten worden in acht genomen.

Artikel 3

Stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze zijn, naar regelen vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, aan een voortdurend toezicht van door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister aangewezen diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen onderworpen.

Artikel 4

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, welke stoomtoestellen en damptoestellen, alsmede het toebehoren van deze aan keuring door door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister aangewezen diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen moeten worden onderworpen. Deze keuring vindt plaats zowel vóór het in gebruik nemen van het toestel, als op regelmatig opvolgende tijdstippen daarna.

2. Ongeacht het bepaalde in het voorgaande lid kan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar of een door Onze Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming elk stoomtoestel of damptoestel aan een keuring onderwerpen of doen onderwerpen, indien en zodra hij hiertoe in het belang van de veiligheid termen aanwezig acht.

Artikel 5

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen keuringswerkzaamheden die met betrekking tot een stoomtoestel of damptoestel buiten Nederland in een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn verricht door een aldaar gevestigde instantie of persoon, voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, eerste volzin, worden gelijkgesteld met keuringswerkzaamheden die door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren of door Onze Minister aangewezen diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen hebben verricht.

Artikel 6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze keuringen, als bedoeld in artikel 4, moeten plaats vinden, welke regelen daarbij moeten worden in acht genomen en, zo nodig, op welke regelmatig opvolgende tijdstippen zij moeten geschieden.

Artikel 7

Op schriftelijk verzoek van de eigenaar of gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel kan dat toestel door een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar of een door Onze Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming aan een keuring, welke niet, ingevolge de bepalingen bij of krachtens deze wet vastgesteld, is vereist, worden onderworpen.

Artikel 8

De eigenaar of de gebruiker van een stoomtoestel of damptoestel is verplicht de werklieden en de werktuigen, die voor de keuring nodig zijn, ter beschikking van een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar of een door Onze Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming te stellen en ook overigens alle door hem verlangde medewerking met betrekking tot die keuring te verlenen.

Artikel 9

Voor de bij of krachtens deze wet voorgeschreven of verzochte keuringen, alsmede voor het uitreiken van een vergunningsbewijs zijn vergoedingen verschuldigd overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen. Deze kan tevens regelen stellen met betrekking tot de wijze van heffing en de invordering.

§ 3. Vergunning

Artikel 10

1. Het is verboden een stoomtoestel of een damptoestel, welke ingevolge artikel 4, lid 1, aan keuring is onderworpen, in werking te brengen of in werking te hebben zonder in het bezit te zijn van een geldige vergunning.

2. Het is verboden een stoomtoestel of damptoestel in werking te brengen of in werking te hebben onder andere omstandigheden of op andere wijze, dan in het vergunningsbewijs is aangegeven.

3. Het is verboden een stoomtoestel of damptoestel in werking te hebben, wanneer een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar namens hem of een door Onze Minister aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming aan de gebruiker schriftelijk heeft medegedeeld, dat het gebruik van het toestel gevaar oplevert, zelfs indien voor dit toestel een vergunning is verleend.

Artikel 11

1. Een vergunning, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt verleend wanneer de keuring een gunstig resultaat heeft opgeleverd. Bevoegd tot verlening van de vergunning zijn de daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren namens hem of door Onze Minister aangewezen diensten, instellingen, onderzoekingsbureaus of ondernemingen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen aangegeven waarin een vergunning kan worden ingetrokken.

§ 4. Beroep

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1996]

§ 5. Ongevallen

Artikel 13

1. De gebruiker is verplicht van elk ongeval bij het gebruik van een stoomtoestel of een damptoestel onverwijld kennis te geven aan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar.

2. Door deze ambtenaar wordt ten spoedigste een onderzoek ter plaatse ingesteld. Van dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zo mogelijk een verklaring omtrent de oorzaak van het ongeval bevat; afschrift hiervan is voor iedere belanghebbende, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar.

3. Tenzij het ter voorkoming van ernstig gevaar onvermijdelijk is, is het verboden wijziging te brengen in de toestand waarin zich het toestel, de delen van het toestel of het toebehoren na het ongeval bevinden of deze te verplaatsen, alvorens de ambtenaar verklaard heeft, dat zijn onderzoek geeindigd is.

§ 6. Toezicht

Artikel 13a

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

§ 7. Straf- en slotbepalingen

Artikel 14

1. Overtreding van de regels, bedoeld in artikel 1a, de voorschriften, bedoeld in artikel 2, alsmede overtreding van het bepaalde in de artikelen 8, 10, 13 eerste en derde lid en 18 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.

2. De feiten zijn overtredingen.

Artikel 15

Met het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn - behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen - daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren belast, alsmede andere door Onze Minister zonodig aan te wijzen ambtenaren.

Artikel 16

Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 15 bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich van bepaalde door hen aan te wijzen personen doen te vergezellen.

Artikel 17

1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd een stoomtoestel of een damptoestel te verzegelen, indien naar hun oordeel:

a. het gebruik van het toestel gevaar oplevert;

b. een toestel waarvoor een vergunning is vereist, in werking is of in werking is geweest zonder dat hun het desbetreffende vergunningsbewijs kan worden getoond, dan wel in werking is of in werking is geweest onder andere omstandigheden of op andere wijze, dan in het vergunningsbewijs is aangegeven.

2. Opheffing van de verzegeling vindt plaats zodra de reden, waartoe de verzegeling aanleiding gaf, is opgeheven of ongegrond is gebleken.

Artikel 18

Een ieder is verplicht aan de daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren alle inlichtingen te verstrekken, welke deze voor de goede vervulling van hun taak ter uitvoering van deze wet behoeven, alsmede inzage te verlenen van alle bescheiden, waarvan bedoelde ambtenaren voor de goede vervulling van hun taak inzage nodig oordelen.

Artikel 19

De in artikel 15 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen hun schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.

Artikel 20

Deze wet is niet van toepassing op stoomtoestellen en damptoestellen aan boord van oorlogsschepen alsmede op stoomtoestellen van locomotieven van spoorwegen, waarvan het gebruik geregeld blijft door de wet van 9 April 1875 (Stb. 67) en artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Stb. 118).

Artikel 21

Met uitzondering van artikel 13 en de ten aanzien van het bepaalde in het eerste en derde lid van dat artikel geldende strafbepalingen is deze wet niet van toepassing op:

a. stoomtoestellen en damptoestellen uitsluitend dienende tot wetenschappelijk onderzoek;

b. stoomtoestellen en damptoestellen aan boord van vreemde vaartuigen of opgesteld op verplaatsbare inrichtingen, indien deze toebehoren aan in het buitenland gevestigde eigenaren en de gebruikers bewijzen, dat zij deze toestellen in het land, waaruit zij zijn aangevoerd, mogen gebruiken en dat deze niet meer dan drie maanden geleden hier te lande zijn ingevoerd;

c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen toestellen.

Artikel 22

De wet van 15 April 1896 (Stb. 69) wordt ingetrokken.

Artikel 23

1. Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Stoomwet.

2. Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen datum.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 25 Maart 1953

 

JULIANA

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff

 

Uitgegeven de eerste Mei 1953
De Minister van Justitie,
L.A. Donker

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x