Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
WET van 28 juni 1956 inzake de
heffing van de rechten van successie, van schenking en van
overgang
WIJ JULIANA, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
gebleken de wettelijke regeling betreffende de heffing van
de rechten van successie, van overgang en van schenking,
welke thans voorkomt in de wet van 13 Mei 1859, Staatsblad
no. 36 (Successiewet), zoals die wet nader is gewijzigd en
aangevuld, aan een technische herziening te onderwerpen en
in verband daarmede de geldende wet door een andere te
vervangen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Grondslagen voor de
objectieve en subjectieve belastingplicht
Artikel 1
1. Krachtens deze wet worden de
volgende belastingen geheven:
1°. erfbelasting over de
waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het
overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in
Nederland woonde;
2°. schenkbelasting over de
waarde van al wat krachtens schenking wordt verkregen van
iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde.
2. Onder verkrijging krachtens
erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de
verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het
overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks
verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of
dergelijke vergunningen en aanspraken bezat.
3. De verkrijging ten gevolge van
de vaststelling van een rentevergoeding op grond van:
a. een uiterste wilsbeschikking
ten aanzien van vorderingen en schulden die zijn ontstaan
krachtens erfrecht, of
b. een overeenkomst als bedoeld
in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek, wordt voor de toepassing van deze wet geacht alleen
krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen
indien deze binnen de met inachtneming van artikel 45
vastgestelde aangiftetermijn is vastgesteld of overeengekomen.
4. Indien de rentevergoeding,
bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld of overeengekomen na
de in dat lid bedoelde termijn, wordt het daaruit voortvloeiende
voordeel geacht krachtens schenking te zijn verkregen.
5. De verkrijging krachtens de
uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20,
21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt voor de
toepassing van deze wet niet aangemerkt als een verkrijging
krachtens erfrecht.
6. Indien ten gevolge van uiterste
wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in
afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op
dezelfde wijze behandeld als wilsrechten als bedoeld in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
7. Onder schenking wordt voor de
toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 186,
tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover
artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een
natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek.
8. Onder schenking wordt niet
begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een
erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het
afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de
nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek.
9. Een gift onder opschortende
voorwaarde wordt voor de toepassing van deze wet geacht tot stand
te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld.
Artikel 1a
1. In afwijking van artikel 5a,
eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen worden voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als
partner aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid
genoemde periode:
a. beiden meerderjarig zijn;
b. op hetzelfde woonadres staan
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking
overeenkomende administratie buiten Nederland;
c. ingevolge een notarieel
samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;
d. geen bloedverwanten in de
rechte lijn zijn, en
e. niet met een ander aan de in
de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.
2. De in de aanhef van het eerste
lid bedoelde periode is:
a. voor de bepalingen die zien
op de heffing van erfbelasting: zes maanden voorafgaand aan
het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van
erfbelasting;
b. voor de bepalingen die zien
op de heffing van schenkbelasting: twee jaar voorafgaand aan
de schenking.
3. De in het eerste lid, onderdeel
c, gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het
tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een
onafgebroken periode van ten minste vijf jaren staan ingeschreven
op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking
overeenkomende administratie buiten Nederland.
4. Voor toepassing van de
erfbelasting geldt de in het eerste lid, onderdeel d, gestelde
voorwaarde niet voor bloedverwanten in de eerste graad, ingeval
een van deze bloedverwanten een uitkering als bedoeld in artikel
19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft genoten in
verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van
overlijden van de andere bloedverwant, aan die bloedverwant
verleende zorg.
5. Artikel 5a, zevende lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige
toepassing op de personen, bedoeld in het eerste en derde lid.
6. Artikel 5a, tweede lid, vierde
lid en vijfde lid, derde volzin, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen blijft buiten toepassing voor deze wet en de
daarop berustende bepalingen.
Artikel 1b
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der
Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Artikel 2
1. Een Nederlander die in
dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds
geacht in Nederland te wonen, indien hij is uitgezonden:
a. als lid van een
diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van
het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland, of
b. om in het kader van een
verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, in een
andere mogendheid werkzaamheden te verrichten.
2. Indien een Nederlander op grond
van het eerste lid geacht wordt in Nederland te wonen, worden de
partner en de kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en die in
belangrijke mate door hem worden onderhouden in de zin van artikel
1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tevens geacht in Nederland
te wonen.
3. In geval van schenking door een
rechtspersoon wordt de plaats, waar de schenker is gevestigd, als
zijn woonplaats aangemerkt.
Artikel 3
1. Een Nederlander die in Nederland
heeft gewoond en binnen tien jaren nadat hij Nederland metterwoon
heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, wordt
geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de
schenking in Nederland te hebben gewoond.
2. Onverminderd het in het eerste
lid bepaalde wordt ieder die in Nederland heeft gewoond en binnen
een jaar nadat hij Nederland metterwoon heeft verlaten een
schenking heeft gedaan, geacht ten tijde van het doen van de
schenking in Nederland te hebben gewoond.
Artikel 4
1.De verklaring van vermoedelijk
overlijden wordt, voor de toepassing van deze wet, met werkelijk
overlijden in alle opzichten gelijk gesteld, behoudens
vermindering van de dientengevolge opgelegde belastingaanslagen in
de gevallen bij de artikelen 422 en 423 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek voorzien.
2.De dagtekening van de verklaring
wordt als de dag van het overlijden beschouwd.
Artikel 5
1. De erfbelasting wordt geheven
van hetgeen ieder verkrijgt, eventueel na aftrek van zijn aandeel
in de volgens deze wet voor aftrek in aanmerking komende schulden,
legaten en lasten.
2. De schenkbelasting wordt geheven
van hetgeen de begiftigde verkrijgt, eventueel na aftrek van aan
de schenking verbonden lasten en verplichtingen, waardoor hetzij
de schenker, hetzij een derde wordt gebaat.
Artikel 6
Al wat een in gemeenschap gehuwde,
tengevolge van de door de erfgenamen van zijn echtgenoot gedane
afstand van de gemeenschap, geniet, wordt hij, voor de toepassing
van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden van zijn
echtgenoot te verkrijgen.
Artikel 7
1. De waarde van hetgeen de
verkrijger voor zijn verkrijging heeft opgeofferd of van hetgeen
door de erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen, strekt
in mindering van de waarde welke op grond van de artikelen 8,10,
11 en 13, tweede lid, in aanmerking wordt genomen voor de
erfbelasting, maar niet verder dan tot nihil.
2. De overdrachtsbelasting, voor
zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van de
Wet op belastingen van rechtsverkeer, en de schenkbelasting,
betaald ter zake van de in aanmerking genomen waarde, bedoeld in
het eerste lid, strekken in mindering van de belasting die
verschuldigd is ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde
artikelen.
3. De bedragen die ten gevolge van
het eerste en tweede lid in mindering strekken, worden vermeerderd
met een enkelvoudige rente naar het inartikel 21, dertiende lid,
bedoelde percentage van de dag van betaling van die bedragen tot
en met de dag van het overlijden ten gevolge waarvan de
verkrijging op grond van de artikelen 8, 10, 11 en 13, tweede lid,
geacht wordt plaats te vinden.
Artikel 8
1. Goederen, niet zijnde
registergoederen, welke - of waarvan de daarop betrekking hebbende
bewijsstukken - bij het overlijden onder de overledene berustten
of voor hem door anderen werden bewaard of bezeten, worden, voor
de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het
overlijden te zijn verkregen door hem, aan wie die goederen of die
bewijsstukken moeten worden afgegeven.
2. Indien en voor zover de goederen
reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden, kan op de in
het vorige lid bedoelde verkrijging de verplichting tot afgifte in
mindering worden gebracht.
3. Wat is schuldig erkend bij
uiterste wil, wordt voor de toepassing van deze wet geacht
krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.
4. De in de voorgaande leden
vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk voor goederen,
bewijsstukken of schuldigerkenningen:
1°. welke de overledene,
tengevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, onder
zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of
aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun partners;
2°. welke de overledene onder
zich had als openbaar ambtenaar, als ouder uitoefenende het
ouderlijk gezag, als voogd, als curator, als executeur of door
de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als
bewindvoerder in de gevallen waarin deze als zodanig volgens
een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling
van een gemeenschap is benoemd;
3°. welke bij het overlijden
verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen
de overledene en die deelgenoten gesloten;
4°. welke toebehoren aan de
partner;
5°. welke reeds tijdens het
leven van de erflater bestonden en rechtens afdwingbaar waren.
5. De bepalingen van dit artikel
zijn mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen,
bewijsstukken of schuldigerkenningen, berustende onder of bewaard
of bezeten voor de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde
echtgenoot van de overledene.
Artikel 9
1. Geldvorderingen die zijn
ontstaan als gevolg van een verkrijging krachtens erfrecht worden
ongeacht de hoogte van de rente die zij op grond van een uiterste
wilsbeschikking of op grond van een rentevaststelling als bedoeld
in artikel 1, derde lid, dragen, in aanmerking genomen voor ten
hoogste de nominale waarde.
2. Ingeval een geldvordering als
bedoeld in het eerste lid ten gevolge van of na het overlijden van
de schuldenaar opeisbaar wordt, onderscheidenlijk tijdens het
leven van de schuldenaar opeisbaar wordt of wordt afgelost, en
deze vordering op grond van een uiterste wilsbeschikking of op
grond van een rentevaststelling als bedoeld in artikel 1, derde
lid, een rentebestanddeel bevat dat hoger is dan indien de
vordering een samengestelde rente had gedragen naar het
percentage, bedoeld inartikel 21, dertiende lid, wordt het deel
van de rente dat uitgaat boven de rente die bij het hiervoor
bedoelde percentage zou zijn opgebouwd, zonodig in afwijking van
artikel 1, derde lid, voor de toepassing van deze wet geacht door
de schuldeiser krachtens erfrecht, onderscheidenlijk krachtens
schenking te zijn verkregen van de schuldenaar.
3. In afwijking van het tweede lid
wordt het deel van de rente, bedoeld in dat lid, dat wordt betaald
door de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen
19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, bij het overlijden
van de langstlevende ouder of stiefouder, bedoeld in die
artikelen, geacht krachtens erfrecht van die ouder of stiefouder
te zijn verkregen. Op het moment dat de ouder of stiefouder afziet
van het vruchtgebruik, bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4
van het Burgerlijk Wetboek, dan wel daarvan afstand doet, is het
bepaalde in de eerste volzin niet of niet langer van toepassing en
wordt de in de eerste volzin bedoelde rente geacht krachtens
schenking van de langstlevende ouder of stiefouder te zijn
verkregen.
Artikel 10
1. Al wat iemand ten koste van het
vermogen van de erflater heeft verkregen in verband met een
rechtshandeling of een samenstel van rechtshandelingen waarbij de
erflater of diens echtgenoot partij was, en alle goederen waarop
de erflater ten laste van zijn vermogen een vruchtgebruik heeft
verworven, worden geacht krachtens erfrecht door overlijden te
zijn verkregen, indien:
a. de erflater in verband
daarmee tot aan zijn overlijden of een daarmee verband houdend
tijdstip het genot heeft gehad van een vruchtgebruik of een
periodieke uitkering, en
b. het vruchtgebruik
onderscheidenlijk de periodieke uitkering ten laste is gekomen
van de verkrijger.
2. In afwijking van artikel 7,
eerste lid, wordt op de waarde van hetgeen op grond van het eerste
lid voor de erfbelasting in aanmerking wordt genomen, geen aftrek
toegelaten voor vruchtgebruik voor zover dat middellijk of
onmiddellijk door de erflater is genoten.
3. Voor de toepassing van dit
artikel wordt de erflater geacht een genot van een vruchtgebruik
te hebben gehad van de in het eerste lid bedoelde goederen indien
hij tegenover het genot dat hij van de goederen heeft aan degene
ten laste van wie dat genot komt niet jaarlijks daadwerkelijk een
bedrag betaalt dat ten minste gelijk is aan het percentage,
bedoeld in artikel 21, dertiende lid, van de waarde van de
goederen in onbezwaarde staat.
4. Dit artikel is niet van
toepassing indien:
a. de verkrijger niet is de
partner van de erflater, noch behoort tot diens bloed- of
aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners, of
b. het genot van het
vruchtgebruik of de periodieke uitkering voor de erflater meer
dan 180 dagen vóór zijn overlijden is geëindigd.
5. Dit artikel is niet van
toepassing voor zover het genot, bedoeld in het eerste lid,
betrekking heeft op een onderbedelingsvordering die is ontstaan
als gevolg van een verdeling van de volle eigendom van goederen en
voor zover het nominale bedrag van de met de
onderbedelingsvordering corresponderende overbedelingsschuld niet
groter is dan de waarde van de overbedeling.
6. Dit artikel is niet van
toepassing indien het vruchtgebruik, bedoeld in het eerste lid,
bestaat uit een vruchtgebruik van een geldsom dat is ontstaan
doordat bij een legaat tegen inbreng van die geldsom, de inbreng
op basis van een testamentaire bepaling schuldig is gebleven. De
eerste volzin is niet van toepassing voor zover de schuldig
gebleven inbreng direct of indirect verband houdt met de
verkrijging door de erflater van een vruchtgebruik dat ten gevolge
van het overlijden van de erflater teniet gaat.
7. Voor de toepassing van dit
artikel wordt niet als een rechtshandeling in de zin van dit
artikel aangemerkt:
a. de overdracht van de blote
eigendom als gevolg van de uitoefening van een wilsrecht als
bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. een schuldigerkenning op
grond van een wilsrecht opgenomen in Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek.
8. Indien bij iemand ten aanzien
van wie dit artikel zou zijn toegepast indien hij ten tijde van
het overlijden van de erflater nog in leven zou zijn geweest,
artikel 7 van toepassing zou zijn geweest, vindt ten aanzien van
zijn rechtsopvolgers krachtens erfrecht laatstgenoemd artikel
toepassing naar rato van hun verkrijging op grond van dit artikel.
9. Het eerste lid is mede van
toepassing indien tot het vermogen van de erflater een of meer als
gevolg van een uiterste wil ontstane schulden behoren, voor zover
de nominale waarde van die schuld, onderscheidenlijk die schulden,
meer bedraagt dan de waarde van hetgeen die erflater krachtens
erfrecht heeft verkregen van degene die de uiterste wil heeft
opgemaakt. Voor de bepaling van de laatstbedoelde waarde worden de
in de eerste volzin bedoelde schulden buiten beschouwing gelaten.
Artikel 11
1. Indien het aandeel van een
persoon in goederen ten gevolge van een vennootschapsovereenkomst
bij zijn leven hetzij verblijft of kan worden toegedeeld aan,
hetzij kan worden overgenomen door de deelgenoten of één of meer
van hen, wordt het verbleven, toegedeelde of overgenomen aandeel
voor de toepassing van deze wet geacht krachtens schenking te zijn
verkregen. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op goederen waaromtrent een vennootschapsovereenkomst
is gesloten krachtens welke die goederen van de rechthebbende
zullen toebehoren aan of kunnen worden overgenomen door de overige
contractanten of één of meer van hen.
2. Indien het aandeel van een
erflater in goederen ten gevolge van een overeenkomst bij zijn
overlijden hetzij verblijft of kan worden toegedeeld aan, hetzij
kan worden overgenomen door de deelgenoten of één of meer van
hen, wordt het verbleven, toegedeelde of overgenomen aandeel voor
de toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het
overlijden te zijn verkregen. Het in de vorige volzin bepaalde is
van overeenkomstige toepassing op goederen waaromtrent een
overeenkomst is gesloten krachtens welke die goederen bij
overlijden van de rechthebbende zullen toebehoren aan of kunnen
worden overgenomen door de overige contractanten of één of meer
van hen, alsmede op goederen waaromtrent door de erflater een
verplichting tot levering is aangegaan en de levering plaatsvindt
bij overlijden of een daarmee verband houdend tijdstip.
3. Al wat is schuldig erkend of
kwijtgescholden onder voorwaarde van overleving van degene aan wie
is schuldig erkend of kwijtgescholden, wordt voor de toepassing
van deze wet geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn
verkregen.
4. Hetgeen aan de langstlevende
echtgenoot, krachtens een bij huwelijksvoorwaarden gemaakt en van
het overlijden van de eerststervende afhankelijk beding, bij dat
overlijden meer toekomt dan de helft der gemeenschap of, in geval
van een verrekenbeding of deelgenootschap, meer toekomt dan
volgens de wettelijke regeling het geval zou zijn, wordt voor de
toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het
overlijden van de eerststervende te zijn verkregen.
5. Het eerste en het tweede lid
zijn uitsluitend van toepassing indien de verkrijger de partner is
van de schenker of de erflater of behoort tot diens bloed- of
aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners.
Artikel 12
1. Al wat binnen 180 dagen aan het
overlijden voorafgegaan is geschonken door een erflater, die ten
tijde van dat overlijden in Nederland woonde, wordt, voor de
regeling van de erfbelasting, geacht krachtens erfrecht door het
overlijden te zijn verkregen. Al wat wordt verkregen krachtens een
schenking die tot stand is gekomen na het overlijden van de
schenker, wordt voor de toepassing van deze wet geacht krachtens
erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.
2. Artikel 7, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Het in het eerste lid, eerste
volzin, bepaalde is niet toepasselijk op schenkingen:
1°. als bedoeld in artikel 33,
1°, 2°, 3°, 5° voor zover het een schenking betreft
waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, 6°, 8°, 9°, 11°
en 12°;
2°. waarvan het
schenkingsrecht is kwijtgescholden op grond van artikel 67.
Artikel 13
1. Al wat ten gevolge van of na het
overlijden van een erflater wordt verkregen krachtens een
overeenkomst van levensverzekering, ongevallenverzekering
daaronder begrepen, of krachtens een derdenbeding, wordt voor de
toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het
overlijden te zijn verkregen, voor zover de verkrijging kan worden
toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater,
behoudens voor zover bij de verkrijger de aan die onttrekking
ontleende rechten reeds voor het overlijden van de erflater aan de
heffing van schenk- of erfbelasting waren onderworpen.
2. Indien de erflater bij een
overeenkomst van levensverzekering verzekerde is en de erflater,
diens partner of een van diens bloed-of aanverwanten tot en met de
vierde graad of hun partners bij die overeenkomst als verzekeraar
is opgetreden, wordt voor de toepassing van het eerste lid een
verkrijging krachtens die overeenkomst van levensverzekering
geacht volledig aan het vermogen van de erflater te zijn
onttrokken.
Artikel 13a
1. Indien aandelen in of
winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten
dele in aandelen is verdeeld in waarde zijn gestegen door het
overlijden van de erflater en deze aandelen of winstbewijzen
worden gehouden door een ander dan de erflater, worden deze geacht
door de houder krachtens erfrecht te zijn verkregen, waarbij deze
aandelen of winstbewijzen voor het bedrag van de bedoelde
waardestijging in aanmerking worden genomen.
2. Het eerste lid vindt slechts
toepassing indien:
a. de aandelen of winstbewijzen
behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3
van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
b. de houder van de aandelen of
winstbewijzen de partner van de erflater is of behoort tot
diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun
partners.
3. Bij het bepalen van de in het
eerste lid bedoelde waardestijging blijven buiten aanmerking
verplichtingen die in verband met het overlijden van de erflater
ontstaan, voorzover deze middellijk of onmiddellijk een
waardedrukkend effect hebben op de waarde van de aandelen of
winstbewijzen, behoudens voorzover deze verplichtingen leiden tot
verkrijgingen die ten gevolge van het overlijden van de erflater
op grond van deze wet in de heffing worden betrokken of zijn
vrijgesteld.
4. Indien een verplichting die
ingevolge het derde lid buiten aanmerking blijft, aanleiding geeft
tot inkomsten die bij een in het eerste lid bedoelde houder op
grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de heffing worden
betrokken, wordt de door die houder daarover verschuldigde
inkomstenbelasting in mindering gebracht op de bij die houder in
aanmerking te nemen waardestijging.
5. Voor de toepassing van dit
artikel zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Opzegging van een beperkt recht wordt
voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met verkrijging van
dat recht door degene, ten behoeve van wie de opzegging heeft
plaatsgehad.
Artikel 15
1. Van een geldlening die geen
rente draagt, of een rente draagt die lager is dan het percentage,
bedoeld in artikel 21, dertiende lid, en welke lening rechtens dan
wel in feite direct opeisbaar is of dat op enig moment wordt,
wordt de schuldeiser vanaf de dag waarop de lening opeisbaar wordt
voor de toepassing van deze wet geacht van dag tot dag een
vruchtgebruik aan de schuldenaar te hebben geschonken.
2. Het eerste lid is uitsluitend
van toepassing op een geldlening die direct of indirect aan een
natuurlijk persoon is verstrekt door een natuurlijk persoon die
daarbij niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
Artikel 16
1. De bezittingen en de schulden
van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel
2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die tot het
overlijden van een erflater ingevolge dat artikel zijn toegerekend
aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn
erfgenamen, worden voor de toepassing van deze wet en de daarop
berustende bepalingen geacht door die erfgenamen krachtens
erfrecht te zijn verkregen en wel per erfgenaam voor het deel dat
ingevolge dat artikel aan de erfgenaam wordt toegerekend. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 die zonder toepassing van dat
lid tot het overlijden van de erflater zouden zijn toegerekend aan
die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn
erfgenamen.
2. Onder hetgeen krachtens erfrecht
wordt verkregen, wordt voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen mede verstaan het ten gevolge van het
overlijden van een erflater verkrijgen van een in rechte
vorderbare aanspraak op een afgezonderd particulier vermogen als
bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld ter zake van de in dit artikel
bedoelde verkrijging.
Artikel 17
1. Al wat wordt verkregen van een
afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a,
tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, op andere wijze
dan bedoeld in artikel 16, wordt voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen, geacht door schenking te zijn
verkregen van de persoon of personen waaraan de bezittingen en
schulden van het afgezonderd particulier vermogen ingevolge
artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden
toegerekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot al wat wordt verkregen, op andere wijze dan
bedoeld in artikel 16, ten laste van bezittingen als bedoeld in
artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
met dien verstande dat in dat geval wordt geacht te zijn verkregen
van de persoon of personen waaraan die bezittingen zonder
toepassing van dat lid zouden zijn toegerekend.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld van ter zake van de in dit artikel
bedoelde schenking.
Artikel 17a
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt de afzondering van vermogen,
bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet
als verkrijging aangemerkt.
Artikel 18
1.Onder vruchtgebruik worden, voor
de toepassing van deze wet, mede verstaan vruchtgenot, gebruik en
bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengst en
soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
2.Onder periodieke uitkering wordt,
voor de toepassing van deze wet, behalve de uitkering in geld,
mede verstaan elke andere, voortdurende, of op vastgestelde
tijdstippen terugkerende, prestatie.
Artikel 19
1. Voor de toepassing van deze wet
worden gelijkgesteld:
a. voor de bepaling van
aanverwantschap, twee ongehuwde personen die ingevolgeartikel
1a als elkaars partners worden aangemerkt, met gehuwden;
b. aanverwanten met
bloedverwanten, met dien verstande dat deze gelijkstelling
eindigt ingeval het partnerschap dat de aanverwantschap deed
ontstaan anders dan door overlijden is geëindigd;
c. pleegkinderen met kinderen
die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan;
d. kinderen over wie
overeenkomstig artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het
ouderlijk gezag uitoefent of heeft uitgeoefend met kinderen
die in familierechtelijke betrekking tot die ander staan;
e. kinderen over wie
overeenkomstig artikel 282 of 292 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek de voogdij door twee personen gezamenlijk
wordt uitgeoefend of is uitgeoefend met kinderen die tot die
personen in familierechtelijke betrekking staan.
2. Als pleegkinderen worden
aangemerkt zij, die vóór het tijdstip waarop zij de leeftijd van
21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die
leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende ten minste vijf
jaren uitsluitend door de pleegouder - dan wel uitsluitend door
hem en zijn echtgenoot tezamen - als een eigen kind zijn
onderhouden en opgevoed.
Artikel 20
1. Voor de regeling van de
erfbelasting kunnen van de nalatenschap als lasten slechts worden
afgetrokken de kosten van lijkbezorging voor zover zij niet
bovenmatig zijn.
2. Onder de kosten van
lijkbezorging kunnen worden begrepen de sommen, besproken of
uitgekeerd voor de uitvaart van de erflater en de tot een jaar na
het overlijden te zijnen behoeve te houden godsdienstige of
levensbeschouwelijke plechtigheden.
3. De schulden ten laste van de
erflater kunnen slechts worden afgetrokken voor zover zij rechtens
afdwingbaar zijn en alsdan behoudens het navolgende:
a. lopende renten en andere
periodieke verplichtingen, alsmede zakelijke belastingen,
dijk- en polderlasten, molen- en sluisgelden en soortgelijke
omslagen zijn slechts aftrekbaar tot en met de dag van het
overlijden;
b. belastingschulden kunnen
niet worden afgetrokken, voor zover daarvoor ontheffing kan
worden verkregen.
4. Rechtsvorderingen tot nakoming
van schulden, ten aanzien waarvan ten tijde van het overlijden de
verjaringstermijn is verstreken, worden vermoed te zijn verjaard.
5. Op de verkrijging wordt in
mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de verkrijger
verschuldigd kan worden ter zake van:
a. in het verkregen vermogen
van een onderneming of een werkzaamheid begrepen reserves in
de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. termijnen van verkregen,
niet tot het vermogen van een onderneming behorende rechten
die ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare
periodieke uitkeringen en verstrekkingen opleveren
(stamrechten);
c. verkregen aandelen,
winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties
als bedoeld in artikel 4.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001
die ingevolge die wet tot een aanmerkelijk belang behoren.
Artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van
overeenkomstige toepassing.
6. De in het vijfde lid bedoelde
belasting wordt gesteld op:
a. 30% van het bedrag van de
reserves, voorzover het de oudedagsreserve betreft;
b. 20% van het bedrag van de
overige reserves;
c. 30% van de waarde van de
stamrechten;
d. 6,25% van de waarde van de
aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en
koopopties, voorzover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de
zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 overtreft.
7. Voor de toepassing van dit
artikel:
a. wordt met de houder van de
in het vijfde lid, onderdeel c, genoemde vermogensbestanddelen
gelijkgesteld degene die slechts is gerechtigd tot voordelen
uit die vermogensbestanddelen en wordt zijn gerechtigdheid
aangemerkt als een dergelijk vermogensbestanddeel;
b. is artikel 4.5a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk II. Bepaling van het
belastbaar bedrag
Artikel 21
1. Het verkregene wordt in
aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip
van de verkrijging in het economische verkeer kan worden
toegekend.
2. Goederen, verkregen onder de
ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een
opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit,
worden in aanmerking genomen naar de waarde van die goederen als
waren zij onvoorwaardelijk verkregen.
3. Voor de effecten die zijn
opgenomen in een prijscourant, aangewezen krachtens artikel 5.21
van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de waarde in het
economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in
de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag
voorafgaande aan de dag van de verkrijging.
4. Bij verkrijging door de
vervulling van een opschortende voorwaarde welke zich aansluit bij
de ontbindende voorwaarde van het overlijden van een eerdere
verkrijger, is voor de bepaling van de aard en waarde van het
verkregene beslissend het tijdstip waarop het genot voor de
verwachter aanvangt.
5. Onroerende zaken die in gebruik
zijn als woning, worden in aanmerking genomen naar de volgens
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die
onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin
de verkrijging plaatsvindt dan wel, ingeval de verkrijger daarvoor
kiest, voor het op dat kalenderjaar volgende kalenderjaar. Indien
de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in
artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde
van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de
onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.
6. Met betrekking tot een woning
ter zake waarvan het vijfde lid geen toepassing kan vinden door
het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet
waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waarde
van de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20,
tweede lid, van die wet en van het vijfde lid, tweede volzin.
7. Indien zich in het kalenderjaar
waarin de verkrijging plaatsvindt, maar op of vóór het moment
van de verkrijging, met betrekking tot een onroerende zaak als
bedoeld in het vijfde of zesde lid een gebeurtenis voordoet als
bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende
zaken, wordt, in afwijking van het vijfde en zesde lid, de waarde
van de onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20,
tweede lid van die wet, naar de staat van die zaak op het moment
van de verkrijging.
8. Indien een woning geheel of
gedeeltelijk wordt verhuurd en op deze verhuur afdeling 5 van
titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is,
of ingevolge een voor ten minste 12 jaren aangegane
pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze verpachting titel 5
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt de
waarde gesteld op een bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen, van de huurprijs afhankelijk percentage van het
waardegegeven, bedoeld in het vijfde of zesde lid. Een onroerende
zaak als bedoeld in de eerste volzin wordt niet voor een lagere
waarde in aanmerking genomen dan de waarde, bedoeld in het vijfde
of zesde lid, indien deze wordt verkregen door een huurder,
onderscheidenlijk een pachter, van die onroerende zaak of zijn
partner.
9. De waarde van een recht van
erfpacht op een onroerende zaak die als woning in gebruik is,
wordt gesteld op de waarde van die onroerende zaak, berekend
volgens het vijfde of zesde lid, verminderd met de overeenkomstig
het dertiende lid bepaalde waarde van de canon.
10. De waarde van hetgeen onder de
last van een vruchtgebruik, een beperkt recht of van een
periodieke uitkering wordt verkregen, wordt gesteld op de waarde
in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van die last. Met
elkaar opvolgende vruchtgebruiken, beperkte rechten en periodieke
uitkeringen wordt bij de waardebepaling van de daarmee bezwaarde
goederen terstond rekening gehouden.
11. Wat in het economische verkeer
als een eenheid pleegt te worden beschouwd, wordt in aanmerking
genomen met inachtneming van die omstandigheid.
12. De waarde van een onderneming
wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going
concern), maar ten minste op de liquidatiewaarde. De eerste volzin
is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de waardering
van vermogensbestanddelen die behoren tot een aanmerkelijk belang
als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
13. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld voor de bepaling van de waarde van
een vruchtgebruik, van beperkte rechten en van rechten op en
verplichtingen tot periodieke uitkeringen en voor het daarbij te
gebruiken percentage.
14. Een geldvordering als bedoeld
in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
alsmede, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel
13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, een geldvordering als
bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek, wordt in aanmerking genomen als een renteloze vordering,
indien daarop het rentepercentage, berekend overeenkomstig het
bepaalde in artikel 13, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 84
van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing is. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de schulden die
corresponderen met de aldaar bedoelde geldvorderingen.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk III. Tarief; berekening van
het recht; vrijstellingen
Artikel 24
1. De belasting wordt geheven naar
het volgende tarief. In dit tarief is in de derde en vierde kolom
voor de daarin genoemde verkrijgers het heffingspercentage
opgenomen over het gedeelte van de belaste verkrijging, gelegen
tussen de daarnaast in de eerste en tweede kolom genoemde
bedragen.
|
Gedeelte van de
belaste verkrijging tussen |
en |
I. indien
verkregen door partner of afstammelingen in de rechte lijn1) |
II. in overige
gevallen |
|
€ 0 |
€ 118 254 |
10% |
30% |
|
€ 118 254 en hoger |
|
20% |
40% |
1Voor afstammelingen in de tweede
of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom
verschuldigde, vermeerderd met 80% daarvan.
2. De overdrachtsbelasting, voor
zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van
de Wet op belastingen van rechtsverkeer, betaald over het bedrag
waarover schenkbelasting verschuldigd is, strekt in mindering
van de schenkbelasting.
Artikel 25
Verkrijgingen krachtens erfrecht door
partners worden voor de berekening van de erfbelasting aangemerkt
als verkrijging door één van de partners, bij verschil in graad
door degene van hen, die de erflater het naast verwant is.
Artikel 26
1. Partners worden voor de
berekening van de schenkbelasting als één en dezelfde persoon
aangemerkt. De schenkbelasting wordt alsdan berekend naar de
naaste verwantschap tussen de schenker of diens partner en de
begiftigde of diens partner.
2. Indien schenkingen worden gedaan
binnen een jaar vóór het huwelijk van de schenkers of van de
begiftigden, wordt het huwelijk geacht reeds ten tijde van die
schenkingen te hebben bestaan.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op schenkingen van een partner aan zijn partner.
Artikel 26a
Voor de berekening van de
schenkbelasting wordt een verkrijging van een afgezonderd
particulier vermogen als bedoeld inartikel 17 geacht te zijn
verkregen van de persoon of personen waarop artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 voor het desbetreffende afgezonderd
particulier vermogen van toepassing is.
Artikel 27
De gedurende een kalenderjaar door
dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde gedane schenkingen worden
aangemerkt als deel uitmakend van één schenking ten belope van het
gezamenlijke bedrag.
Artikel 28
Schenkingen, door ouders tezamen of
afzonderlijk gedurende een kalenderjaar aan een kind gedaan, worden
aangemerkt als één schenking ten belope van het gezamenlijk
bedrag.
Artikel 29
1. Indien onzekerheid bestaat
omtrent de verwantschap of omtrent de persoon van de schenker of
van de verkrijger, wordt de maximale belasting geheven, die
verschuldigd zou kunnen zijn, behoudens vermindering van de
aanslag, voor zover deze naderhand blijkt te hoog te zijn.
2. Bestaat de onzekerheid ten
aanzien van de persoon van de schenker, dan wordt deze, behoudens
tegenbewijs, geacht in Nederland te wonen.
3. Met betrekking tot aanslagen die
onder toepassing van dit artikel zijn vastgesteld, geldt de
schenker, zolang er onzekerheid bestaat over de persoon van de
verkrijger, als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de
Algemene wet bestuursrecht.
4. De bepalingen van dit artikel
zijn mede toepasselijk, indien de naam of de woonplaats van de
schenker of van de begiftigde desgevraagd niet wordt genoemd.
Artikel 30
1. Het bedrag van de belastingen
ondergaat ten gevolge van verwerping of van afstand van rechten
geen vermindering. De eerste volzin is niet van toepassing indien
op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
wordt afgezien van een wettelijke verdeling van de nalatenschap
overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Bij verwerping door de
erfgenamen van een overledene van hetgeen aan deze uit een vroeger
opengevallen nalatenschap is opgekomen, wordt ten laste van hen,
die ten gevolge van die verwerping verkrijgen, niet minder
belasting geheven, dan in totaal verschuldigd zou zijn wegens de
verkrijging door de overledene en wegens de overgang van deze op
zijn erfgenamen.
3. Indien de verwachters gedurende
het leven van de bezwaarde afstand doen van hun recht of dat na
zijn dood verwerpen of niet aanvaarden, wordt ten laste van hen,
die het bezwaarde goed uit de nalatenschap van de bezwaarde
verkrijgen, niet minder belasting geheven, dan zonder die afstand,
verwerping of niet aanvaarding verschuldigd zou zijn.
Artikel 31
De belasting, verschuldigd wegens de
afstand van vermogen verkregen onder een in artikel 21, tweede lid,
bedoelde voorwaarde door de bezwaarde aan de echtgenoot of een of
meer van de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad van de
verwachter of aan de echtgenoot van één van die verwanten,
bedraagt niet minder dan de belasting, verschuldigd wegens de
overgang van dat goed van de bezwaarde op de verwachter krachtens de
vervulling van de voorwaarde.
Artikel 31a [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 32
1. Van erfbelasting is vrijgesteld,
hetgeen wordt verkregen:
1°. door de Staat;
2°. door een provincie, de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een
gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een
opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making
niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het
algemeen belang;
3°. door een algemeen nut
beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een
opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter
ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
4°. door de hierna genoemde
personen tot de daarachter vermelde bedragen:
a. partner:€ 616 880;
b. kinderen die grotendeels
op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten
gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de
eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met
arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te
verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde
personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen
uit arbeid te verwerven:€ 58 604;
c. kinderen voor wie de
onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is:€
19 535;
d. kleinkinderen:€ 19
535;
e. ouders:€ 46 266;
f. overige verkrijgers:€
2057;
5°. aan waarde van aanspraken
ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten
alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen
bij overlijden;
6°. [vervallen;]
7°. [vervallen;]
8°. door een sociaal belang
behartigende instelling, voor zover aan de verkrijging niet
een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het
karakter ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang;
9°. door een steunstichting
SBBI, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is
verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van
te zijn bestemd voor de realisatie van de doelstelling van de
steunstichting;
10°. door een werknemer van de
erflater of zijn partner of door een nabestaande van zodanige
werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als
de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid
bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Voor zover een verkrijging van
een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen
ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht,
wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een
aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten
behoeve van de verkrijger gemaakt beding;
11°. aan nog niet vorderbare
termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en
van andere inkomsten.
2. De waarde van aanspraken
ingevolge een pensioenregeling – andere dan die ingevolge de
Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet–, van
lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij
overlijden welke door een partner ten gevolge van het overlijden
worden verkregen en hetzij van erfbelasting zijn vrijgesteld
ingevolge het eerste lid, onder 5°, hetzij naar hun aard niet
krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in
mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a,
bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de
vrijstelling niet minder bedraagt dan € 159 361. Voor zover de
omvang van de in de eerste volzin bedoelde aanspraken wordt
bepaald met toepassing vanartikel 13, wordt de verkrijging van
deze aanspraken voor de toepassing van dit lid, geacht geheel te
kunnen worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van
de erflater.
3. Onder pensioenregeling wordt
voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als
bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001.
4. Onder lijfrenten worden verstaan
lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een verzekeraar
als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, alsmede aanspraken op
tegoeden van lijfrentespaarrekeningen of waarden van
lijfrentebeleggingsrechten als bedoeld in artikel 3.126a van die
wet, voorzover de terzake voldane premies respectievelijk de
overgemaakte bedragen voor de heffing van de inkomstenbelasting
als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden
gebracht.
5. Onder aanspraken op periodieke
uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op
periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij
het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en
toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene
met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft
gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn
bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de
leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing op het tegoed van een
stamrechtspaarrekening en op de waarde van een
stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a van de Wet op de
loonbelasting 1964, die overeenkomen met aanspraken als bedoeld in
de eerste volzin.
Artikel 32a [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 33
Van schenkbelasting is vrijgesteld,
hetgeen wordt verkregen:
1°. van:
a. de Koning;
b. de vermoedelijke opvolger
van de Koning;
c. de Koning die afstand van
het koningschap heeft gedaan;
d. de echtgenoot of
echtgenote van de Koning, de echtgenoot of echtgenote van de
vermoedelijke opvolger van de Koning of de echtgenoot of
echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap
heeft gedaan;
uit hoofde van hun functie en
hoedanigheid;
2°. door de Staat, of van de
Staat, een provincie, de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba of gemeente;
3°. door een provincie of
gemeente in Nederland, zonder bijzondere opdracht of met een
opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking
niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen
belang;
4°. door een algemeen nut
beogende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een
opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter
ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;
5°. door een kind van de ouders,
tot een bedrag van € 5141, met dien verstande dat dit bedrag
voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt
verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een
beroep wordt gedaan, tot een bedrag van€ 24 676 dan wel,
indien een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of
derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is geschonken of
een bedrag is geschonken ter zake van de verwerving van een
zodanige eigen woning, ter zake van de kosten voor verbetering
of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten
van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning
dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld
in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 of is
bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de
opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind, welke kosten
aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, onder bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden tot een bedrag van€ 51 407;
6°. door een kind tussen 18 en
40 jaar van de ouders, voor één kalenderjaar, onder bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden, tot een bedrag
van € 26 732, indien:
a. de verhoogde vrijstelling,
bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder 5°, zoals dat voor
1 januari 2010 luidde, door dat kind is toegepast;
b. een eigen woning als
bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 is geschonken of een bedrag is
geschonken ter zake van de verwerving van een zodanige eigen
woning, ter zake van de kosten voor verbetering of onderhoud
van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van
erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning
dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als
bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting
2001, en
c. op de in aanhef bedoelde
vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan;
7°. in alle andere gevallen:€
2057;
8°. door iemand, die niet in
staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het
verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen;
9°. door iemand te wiens laste
over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van
die belasting wordt geheven;
10°. van een algemeen nut
beogende instelling, voor zover de uitkeringen geheel of
nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het
algemeen belang;
11°. door een rechtspersoon,
welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de
bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de
werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de
bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van
die werknemers;
12° indien en voor zover de
schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke
verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van
schenkbelasting vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de
voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de
vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de
schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een
rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht
krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor
zover een schenking van een periodieke uitkering door een
werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een
nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is
vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing
van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen
bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt
beding;
13°. door een sociaal belang
behartigende instelling, voor zover aan de verkrijging niet een
opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter
ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang;
14°. door een steunstichting
SBBI, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is
verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te
zijn bestemd voor de realisatie van de doelstelling van de
steunstichting.
Artikel 34
Wij behouden Ons voor bij algemene
maatregel van bestuur regelen te stellen, ten doel hebbende te
bevorderen, dat het vermogen van de in artikel 33, onder 11°,
bedoelde rechtspersonen blijvend wordt aangewend voor het door die
rechtspersonen beoogde doel; bij niet-naleving van deze regelen
blijft gemelde vrijstellingsbepaling buiten toepassing.
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 35a
1. Met betrekking tot de in de
artikelen 24, 32, eerste lid, onderdeel 4°, en tweede lid, 33,
onderdelen 5°, 6° en 7°, en35b, eerste lid, vermelde bedragen
zijn de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001
van overeenkomstige toepassing.
2. De vervangende bedragen zijn van
toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel
45, derde lid, tweede zin, of in artikel 53, eerste lid, bedoelde
gebeurtenis plaatsvindt op of na 1 januari van het jaar waarvoor
de vervanging geldt, zo mede indien op of na 1 januari van dat
jaar krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de
vervulling van een voorwaarde.
Hoofdstuk IIIA. Bedrijfsopvolging
Artikel 35b
1. Indien tot de verkrijging
ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt
verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in
het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een
voorwaardelijke vrijstelling verleend van:
a. indien de totale waarde van
het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop
de verkrijging betrekking heeft€ 1 028 132 niet te boven
gaat: 100%;
b. in alle overige gevallen:
1°. indien de
liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van de
objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking
heeft hoger is dan de waarde going concern: 100 percent
van het verschil tussen liquidatiewaarde en lagere waarde
going concern;
2°. voor zover de totale
waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve
onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na
toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°, € 1 028 132
niet te boven gaat: 100%, en
3°. voor zover de totale
waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve
onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft, na
toepassing van hetgeen is bepaald onder 1°,€ 1 028 132
te boven gaat: 83%.
Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot hetgeen voor de toepassing van
dit artikel wordt verstaan onder een objectieve onderneming.
Daarbij kan worden bepaald in hoeverre tot die objectieve
onderneming tevens worden gerekend vermogensbestanddelen die
worden ter beschikking gesteld aan een samenwerkingsverband en
vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid,
onderdeel d.
2. Op verzoek van de verkrijger
wordt voorts de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen na
aftrek van het bedrag van de voorwaardelijke vrijstelling
aangemerkt als geconserveerde waarde, dit met het oog op de
toepassing van artikel 25, twaalfde lid, van de Invorderingswet
1990.
3. De belasting over de
geconserveerde waarde wordt bepaald op het verschil tussen de
belasting over de belaste verkrijging en de belasting over de
belaste verkrijging verminderd met deze geconserveerde waarde.
4. Indien het ondernemingsvermogen
is verkregen onder een last of tegen een tegenprestatie, wordt
voor de toepassing van dit artikel die last of tegenprestatie niet
in mindering gebracht op de waarde van het verkregen
ondernemingsvermogen.
5. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van
ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater
of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in
artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan
het voortzettingvereiste, bedoeld in artikel 35e.
6. Ingeval op enig tijdstip binnen
vijf jaren na de verkrijging van het ondernemingsvermogen niet
meer of niet meer geheel wordt voldaan aan het
voortzettingvereiste, vervalt in zoverre de voorwaardelijke
vrijstelling.
7. De verzoeken, bedoeld in het
eerste en tweede lid, worden gelijktijdig met de aangifte gedaan.
Artikel 35c
1. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:
a. een onderneming als bedoeld
in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een
gedeelte daarvan;
b. een medegerechtigdheid als
bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;
c. vermogensbestanddelen die
bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk
belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van
artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het
lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming
drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerechtigdheid
houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als
ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze
vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is
aan:
1°. bedoelde onderneming
of medegerechtigdheid, en
2°. het beleggingsvermogen
van dat lichaam tot maximaal 5 percent van de ingevolge
onder 1° toegerekende waarde;
d. onroerende zaken die bij de
erflater of schenker behoorden tot een werkzaamheid als
bedoeld in artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
mits deze dienstbaar zijn aan de onderneming van een lichaam
als bedoeld in onderdeel c, en de verkrijger tegelijkertijd
vermogensbestanddelen als bedoeld in onderdeel c, verkrijgt
die op dat lichaam betrekking hebben.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is
met betrekking tot een medegerechtigdheid alleen van toepassing
voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een
rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de erflater
of schenker gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de
Wet inkomstenbelasting 2001, en de medegerechtigdheid wordt
verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de
onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel
enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een zodanig
beherend vennoot is.
3. Het eerste lid, onderdeel c, is
met betrekking tot een medegerechtigdheid alleen van toepassing
voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een
rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de
vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, en de vermogensbestanddelen die
bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang
worden verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is
van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft,
dan wel enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een
zodanig beherend vennoot is.
4. Het eerste lid, onderdeel c, is
met betrekking tot preferente aandelen uitsluitend van toepassing,
indien:
a. de preferente aandelen een
omzetting vormen van een eerder door de erflater of schenker
gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen;
b. de omzetting tot preferente
aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone
aandelen aan een ander;
c. ten tijde van de omzetting
tot preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette
aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, of een medegerechtigdheid
hield als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
d. de verkrijger van de
preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het
geplaatste kapitaal aandeelhouder is van gewone aandelen als
bedoeld in onderdeel b.
5. Ingeval het lichaam waarin de
erflater of schenker een aanmerkelijk belang als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, hield, een belang heeft in een ander
lichaam, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen de bezittingen en schulden van dat andere
lichaam, met inachtneming van de omvang van dat belang,
toegerekend aan eerstbedoeld lichaam, mits:
a. de erflater of schenker in
dat andere lichaam indirect een aanmerkelijk belang hield als
bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of
b. de erflater of schenker in
dat andere lichaam indirect een belang hield van minder dan 5%
doch ten minste 0,5% en:
1°. dat belang bij een van
zijn rechtsvoorgangers krachtens erfrecht,
huwelijksvermogensrecht of schenking een indirect
aanmerkelijk belang heeft gevormd als bedoeld in onderdeel
a;
2°. dat belang uitsluitend
is verwaterd door vererving, overgang krachtens
huwelijksvermogensrecht of schenking, en
3°. direct voorafgaande
aan de verwatering van dat belang tot beneden de 5% dat
andere lichaam een onderneming dreef of een
medegerechtigdheid hield als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c.
Ingeval het aandelenkapitaal van de
vennootschap waarin de erflater of schenker indirect een belang
hield uit meerdere soorten aandelen bestaat, geschiedt de
toerekening met inachtneming van de waarde in het economische
verkeer van die aandelen. Dit lid vindt met betrekking tot
indirect gehouden preferente aandelen alleen toepassing indien
deze zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die
voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
6. Onder onroerende zaken als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden mede verstaan
appartementsrechten, rechten van opstal en erfpacht of
vruchtgebruik van onroerende zaken, dan wel de economische
eigendom, opgevat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer, van onroerende zaken of genoemde
rechten.
7. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn de artikelen 4.3
tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van
overeenkomstige toepassing.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van dit artikel.
Artikel 35d
1. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
erflater of schenker verstaan een erflater die gedurende één
jaar tot het overlijden, onderscheidenlijk een schenker die
gedurende vijf jaren tot de schenking:
a. ondernemer was in de zin van
artikel 3.4 of artikel 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001
met betrekking tot de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a,
bedoelde onderneming;
b. medegerechtigde was in de
zin van artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de in artikel 35c,
eerste lid, onderdeel b, bedoelde medegerechtigdheid;
c. aanmerkelijkbelanghouder was
van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste
lid, onderdeel c, en het lichaam waarop het aanmerkelijk
belang betrekking heeft gedurende de in de aanhef bedoelde
periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, de daar
bedoelde onderneming dreef of de daar bedoelde
medegerechtigdheid bezat, en het in artikel 35c, eerste lid,
onderdeel c, onder 2°, bedoelde beleggingsvermogen niet in
deze periode via een storting in het lichaam is ingebracht;
d. resultaat uit een
werkzaamheid genoot met betrekking tot de onroerende zaak,
bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, en die
onroerende zaak gedurende de in de aanhef bedoelde periode van
één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, dienstbaar was aan
de onderneming van het lichaam, bedoeld in artikel 35c, eerste
lid, onderdeel c.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van dit artikel.
Artikel 35e
1. Een verkrijger voldoet aan het
voortzettingsvereiste indien gedurende de periode van vijf jaren,
bedoeld in artikel 35b, vijfde lid, zich geen van de hierna
genoemde gebeurtenissen voordoet:
a. indien het een verkrijging
betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a:
de verkrijger houdt op uit de onderneming, of een gedeelte
daarvan, winst te genieten of gaat ter zake belastbare winst
genieten in de zin van artikel 3.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. indien het een verkrijging
betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel b:
de verkrijger houdt op uit de verkregen medegerechtigdheid, of
een gedeelte daarvan, winst te genieten;
c. indien het een verkrijging
betreft van vermogensbestanddelen als bedoeld inartikel 35c,
eerste lid, onderdeel c:
1°. de verkrijger
vervreemdt vermogensbestanddelen of een gedeelte van de in
deze vermogensbestanddelen liggende rechten;
2°. vermogensbestanddelen
worden omgezet in preferente aandelen of op andere wijze
wordt de aanspraak van de verkregen vermogensbestanddelen
op toekomstige winsten of waardeontwikkelingen beperkt, of
3°. het lichaam waarop de
vermogensbestanddelen betrekking hebben, houdt op uit de
onderneming of de medegerechtigdheid, of een gedeelte
daarvan, winst te genieten;
d. indien het een verkrijging
betreft als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d:
1°. de verkrijger houdt op
de onroerende zaak geheel of voor een gedeelte daarvan ter
beschikking te stellen aan het in dat lid bedoelde
lichaam, of
2°. de onroerende zaak
houdt op geheel of voor een gedeelte daarvan dienstbaar te
zijn aan de in dat lid bedoelde onderneming.
2. Indien de verkrijger in de
periode, bedoeld in het eerste lid, een samenwerkingsverband
aangaat, houdt hij voor de toepassing van dit artikel slechts op
winst te genieten voor zover zijn gerechtigdheid tot de winst
daardoor verder afneemt dan het aandeel in de winst waartoe hij
gerechtigd was vóór de verkrijging waarop artikel 35b is
toegepast.
3. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel c, wordt onder vervreemden mede verstaan een
handeling of gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid,
onderdelen a, b, c, d, e en i, tweede lid, en vijfde lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001, ook als deze handeling of gebeurtenis
betrekking heeft op vermogensbestanddelen die bij de verkrijger
niet tot een aanmerkelijk belang behoren als bedoeld in afdeling
4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Het eerste lid, onderdeel c, is
van overeenkomstige toepassing op de gewone aandelen van de
verkrijger, bedoeld in artikel 35c, vierde lid. Ingeval met
betrekking tot de in de eerste volzin bedoelde gewone aandelen
niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel c, vervalt de
voorwaardelijke vrijstelling met betrekking tot de preferente
aandelen, bedoeld in artikel 35c, vierde lid, overeenkomstig
artikel 35b, zesde lid, naar evenredigheid.
5. Indien zich een van de in het
eerste lid bedoelde gebeurtenissen heeft voorgedaan, doet de
verkrijger hiervan aangifte binnen acht maanden na die
gebeurtenis.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van dit artikel.
Artikel 35f
1. Indien ten gevolge van de
verdeling van de nalatenschap wijziging komt in de gerechtigdheid
tot het ondernemingsvermogen, vindt dit hoofdstuk op verzoek van
de verkrijger van wie de gerechtigdheid toeneemt, toepassing op
basis van de aldus ontstane gerechtigdheid.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap waarin de erflater was gerechtigd. De
vorige volzin is niet van toepassing op de echtgenoot van de
erflater.
3. Dit artikel vindt uitsluitend
toepassing indien de verdeling van de nalatenschap,
onderscheidenlijk de huwelijksgoederengemeenschap heeft
plaatsgevonden binnen twee jaren na het overlijden van de
erflater.
4. Het verzoek, bedoeld in het
eerste en tweede lid, geschiedt door het doen van aangifte binnen
acht maanden nadat de in het eerste lid onderscheidenlijk tweede
lid bedoelde verdeling heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk IIIb. Verkrijging blote
eigendom van een eigen woning
Artikel 35g
1. Indien krachtens erfrecht de
blote eigendom wordt verkregen van een woning die voor de
vruchtgebruiker een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111
van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt, met het oog op de
toepassing van artikel 25, twintigste lid, van de Invorderingswet
1990, op verzoek van de verkrijger de waarde van de blote eigendom
aangemerkt als geconserveerde waarde, voor zover het deel van de
verkrijging dat niet bestaat uit de blote eigendom van de woning
wordt overschreden door het bedrag van de verschuldigde
erfbelasting.
2. De belasting over de
geconserveerde waarde wordt bepaald op het verschil tussen de
belasting over de belaste verkrijging en de belasting over de
belaste verkrijging verminderd met deze geconserveerde waarde.
3. Indien de verkrijging omvat
zowel blote eigendom als bedoeld in het eerste lid als
ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, wordt
voor de bepaling van de belasting over de geconserveerde waarde
van de blote eigendom de verkrijging van het ondernemingsvermogen
genegeerd.
4. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op de verkrijging van een krachtens
erfrecht verkregen onderbedelingsvordering.
Hoofdstuk IV. Aangifte, aanslag en
conserverende aanslag
Artikel 36
De belasting wordt geheven van de
verkrijger.
Artikel 37
1. De belasting wordt geheven bij
wege van aanslag.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de belasting bedoeld in artikel 35b, derde lid, of artikel
35g, geheven bij wege van conserverende aanslag.
3. Vanwege het vervallen van een
voorwaardelijke vrijstelling als bedoeld inartikel 35b, eerste
lid, kan een aanslag of conserverende aanslag door een of meer
aanslagen of conserverende aanslagen worden aangevuld.
4. Rechtsmiddelen tegen de in het
derde lid bedoelde aanslagen kunnen uitsluitend worden ingeroepen
tegen de in die aanslagen opgenomen grondslag voorzover daarvoor
nog niet eerder een rechtsmiddel openstond.
Artikel 38
De erfgenaam die is uitgenodigd tot
het doen van aangifte, is gehouden mede aangifte te doen van de
gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van het
erfbelasting van de andere verkrijgers, niet zijnde erfgenamen.
Artikel 39
Indien meer verkrijgers gehouden zijn
aangifte te doen ter zake van dezelfde nalatenschap, kunnen zij
gezamenlijk aangifte doen.
Artikel 40
1.De inspecteur kan de schenker die
naar zijn mening vermoedelijk een belastbare schenking heeft
gedaan, uitnodigen tot het doen van aangifte.
2.De schenker en de begiftigde -
dan wel de gezamenlijke schenkers of begiftigden - kunnen
gezamenlijk aangifte doen.
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 42
Indien na te noemen verplichtingen
niet reeds op een ander rusten, is degene, die door de verwerping,
afstand of niet aanvaarding van rechten, bedoeld in artikel 30, is
gebaat, op dezelfde wijze en onder dezelfde bepalingen tot aangifte
en betaling gehouden, als degene, door wie die verwerping, afstand
of niet aanvaarding heeft plaats gehad, verplicht zou zijn geweest,
indien een of ander niet was geschied.
Artikel 43
1. In iedere aangifte wordt één
woonplaats gekozen in Nederland. De stukken betreffende de heffing
van de belasting kunnen worden gezonden hetzij aan de gekozen
woonplaats hetzij aan de werkelijke woonplaats of plaats van
vestiging. Artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
blijft buiten toepassing.
2. Zij, die voor de erfbelasting
geen aangifte hebben gedaan of geen woonplaats hebben gekozen,
worden geacht hun woonplaats te hebben gekozen ter laatste
woonplaats van de overledene gedurende een jaar na het overlijden;
na die tijd, alsmede indien niet een bepaald adres in Nederland
als de werkelijke laatste woonplaats van de overledene kan worden
aangewezen, ter secretarie van de gemeente, binnen welke de
aangifte moet geschieden.
3. Zij, die voor de schenkbelasting
geen aangifte hebben gedaan of geen woonplaats hebben gekozen,
worden geacht hun woonplaats te hebben gekozen ter woonplaats van
de schenker, of, indien niet een bepaald adres in Nederland als de
werkelijke woonplaats van de schenker kan worden aangewezen, ter
secretarie van de gemeente, binnen welke de aangifte moet
geschieden.
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 45
1. De inspecteur stelt de termijn
voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vast dat
deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden.
2. Indien zwangerschap oorzaak is,
dat onzekerheid bestaat omtrent de persoon van de erfgenaam of de
heffing van de belasting, gaat de in het eerste lid bedoelde
termijn van acht maanden in van de dag van de bevalling, of indien
de vrouw vroeger mocht overlijden van de dag van haar overlijden,
of indien geen van beide op de 306de dag na de dood van de
erflater mocht hebben plaats gehad, van de eerste daarop volgende
dag. Deze bepaling kan niet worden ingeroepen door degene, op het
erfdeel van wie, wat de hoegrootheid betreft, de bevalling geen
invloed kan uitoefenen.
3. De in het eerste lid bedoelde
termijn van acht maanden loopt niet gedurende de tijd dat de
nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd.
Indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een
voorwaarde, van aanvaarding nadat eerst verwerping had
plaatsgehad, van een afstand door een verkrijger onder een
ontbindende voorwaarde als bedoeld in artikel 21, tweede lid, ten
behoeve van de verwachters, van de uitoefening van een wilsrecht
voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging
bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, dan wel ten gevolge van
de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht
maanden in op de dag waarop één van die gebeurtenissen
plaatsvindt.
Artikel 46
De inspecteur stelt de termijn voor
het doen van aangifte voor de schenkbelasting zodanig vast, dat deze
niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het
kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden.
Artikel 47
Ingeval sprake is van meer dan één
verkrijger van dezelfde erflater of krachtens een gezamenlijke
schenking, kunnen de ter zake vastgestelde belastingaanslagen worden
opgenomen in één aanslagbiljet.
Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk V
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk VI. Navordering
Artikel 52
Navordering op de voet van hoofdstuk
III van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan mede
plaatsvinden in gevallen waarin van een verkrijger te weinig
belasting is geheven doordat een aan een andere verkrijger opgelegde
aanslag, anders dan ingevolge artikel 53, is verminderd.
Hoofdstuk VII. Vermindering
Artikel 53
1. Behalve in de gevallen bij deze
wet voorzien, wordt vermindering van de aanslag of de
conserverende aanslag verleend, indien en voorzover ten gevolge
van een beroep op de legitieme portie, van de vervulling van een
voorwaarde, van de uitoefening van een op de wet berustend
terugvorderingsrecht, van de toepassing van artikel 33 van Boek 4
van het Burgerlijk Wetboek of van de uitoefening van een wilsrecht,
voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging
reeds bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, anders dan door
opvolging krachtens een voorwaarde als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, wijziging wordt gebracht in de persoon van de
verkrijger of in het verkregene. De eerste volzin is niet van
toepassing bij de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de
artikelen 19, 20, 21en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het bedrag van de vermindering,
bedoeld in het eerste lid, wordt verlaagd, maar niet verder dan
tot nihil, met het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn
geweest indien dat was berekend over het voordeel dat tijdens de
bezitsperiode is genoten.
3. Het in het tweede lid bedoelde
genoten voordeel is het bedrag van de waarde van het daadwerkelijk
genoten voordeel over het verkregene gedurende de bezitsperiode,
dan wel, indien het verkregene een vruchtgebruik is, de waarde van
dat vruchtgebruik over de bezitsperiode.
4. De erfbelasting die van een
verkrijger is geheven, wordt verminderd tot nihil indien over het
verkregene, bij het overlijden van die verkrijger binnen dertig
dagen na de verkrijging, nogmaals erfbelasting wordt geheven.
5. De vermindering wordt verleend
op een verzoek dat geschiedt door het doen van aangifte. In deze
aangifte wordt tevens de hoogte van het in het tweede lid bedoelde
voordeel vermeld. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
6. In de gevallen, waarin de
oorzaak tot de vermindering anderzijds aanleiding geeft tot
heffing van belasting, kan de in het vorige lid bedoelde aangifte
worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 45, derde lid, in te
dienen aangifte. In de andere gevallen moet die aangifte worden
ingediend binnen acht maanden, nadat de oorzaak tot de
vermindering is ontstaan.
7. De teruggave, waartoe een
vermindering aanleiding geeft, kan geschieden door verrekening met
het terzake van dezelfde nalatenschap of schenking verschuldigde.
Artikel 53a [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 53b [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 53c [Vervallen per
01-01-2010]
Hoofdstuk VIII. Bezwaar en beroep
Artikel 54
Een beroepschrift kan op de voet van
artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen eveneens
worden ingediend door de verkrijger die belang heeft bij de aan een
andere verkrijger uit dezelfde nalatenschap opgelegde aanslag of
verleende vermindering.
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk IX
Artikel 59 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 59a [Vervallen per
01-06-1990]
Artikel 60 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 62 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 63 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 64 [Vervallen per 01-06-1990]
Artikel 65 [Vervallen per 01-06-1990]
Hoofdstuk X. Verjaring
Artikel 66
1. De in artikel 11, derde lid, en
artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen vermelde termijnen van onderscheidenlijk drie,
vijf en twaalf jaren gaan in:
1°. voor de erfbelasting na de
dag van inschrijving van de akte van overlijden in de
registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat in
de gevallen, bedoeld in artikel 45, tweede en derde lid, de
termijnen niet eerder beginnen te lopen dan vanaf de dag
waarop de termijn van aangifte ingaat en worden verlengd met
de tijd dat de termijn van aangifte niet loopt;
2°. voor de schenkbelasting,
ingeval geen aangifte is gedaan, na de dag van inschrijving
van de akte van overlijden van de schenker of van de
begiftigde in de registers van de burgerlijke stand, dan wel
ingeval niet tijdig aangifte is gedaan, na de dag van die
aangifte met dien verstande dat ingeval zowel de schenker als
de begiftigde een rechtspersoon is, de bevoegdheid tot het
vaststellen van een aanslag of navorderingsaanslag twintig
jaren na de schenking vervalt;
3°. voor het geval het betreft
het vaststellen van een aanslag of conserverende aanslag in
verband met een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, na de
dag waarop die gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
2. Betreft het de bevoegdheid tot
het vaststellen van een navorderingsaanslag wegens het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een vermindering
op grond van artikel 53, dan gaat de termijn in na de dag waarop
de vermindering is verleend.
3. Indien voor de erfbelasting de
aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van die belasting
dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen niet, onjuist
of onvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking van artikel 16,
vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de
bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet.
Hoofdstuk XI. Kwijtschelding
Artikel 67
1. Door Onze Minister kan gehele of
gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend van:
1°. de belasting, verschuldigd
wegens een schenking aan natuurlijke personen, waarvan
overtuigend wordt aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt
tot het verschaffen van levensonderhoud van een begiftigde,
die verstoken is van eigen middelen van bestaan en die wegens
ouderdom, invaliditeit of om andere redenen buiten staat is
zich die middelen door arbeid te verschaffen;
2°. de belasting, verschuldigd
wegens een schenking aan natuurlijke personen, beneden de
leeftijd van 27 jaren, van welke schenking overtuigend wordt
aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt tot betaling van -
of bijdrage tot - de kosten van studie of opleiding voor enig
beroep van een begiftigde, die zonder die schenking niet in
staat zou zijn die studie of opleiding aan te vangen of te
genieten;
3°. [vervallen;]
4°. de belasting, verschuldigd
wegens een schenking ten algemenen nutte voor het grondgebied
van Nederland, welke aan een bepaald tijdstip of een bepaalde
gebeurtenis gebonden is.
2. Onze Minister kan kwijtschelding
verlenen van de belasting verschuldigd wegens verkrijgingen door:
a. een andere Staat, voor zover
de belasting meer bedraagt dan de belasting die de Nederlandse
Staat verschuldigd zou zijn;
b. een staatkundig onderdeel of
een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een andere
Staat, voor zover de belasting meer bedraagt dan de belasting
die een Nederlandse provincie of gemeente verschuldigd zou
zijn;
een en ander met dien verstande dat
zodanige kwijtschelding van belasting alleen wordt verleend,
indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de
verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of
schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse
Staat, een Nederlandse provincie of gemeente, over die makingen of
schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de
buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het
grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd.
3. Onze Minister kan, in bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en volgens
daarbij te stellen regels, geheel of gedeeltelijk kwijtschelding
verlenen van de verschuldigde erfbelasting en de evenredig met
deze gehele of gedeeltelijke kwijtschelding samenhangende
belastingrente indien voorwerpen uit de nalatenschap met een
nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de
verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat. Het
bedrag van de kwijtschelding beloopt 120 percent van de waarde van
de overgedragen voorwerpen maar niet meer dan de verschuldigde
belasting en de in rekening gebrachte belastingrente.
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen
Artikel 69 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 70 [Vervallen per 01-04-1987]
Artikel 71
1.Het aanvaarden van een
nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving ontheft
niet van de verplichtingen, voortvloeiende uit de bij of krachtens
deze wet gemaakte bepalingen. De verplichtingen worden niet
geschorst gedurende de in artikel 192, tweede lid, van Boek 4 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn.
2.De vervulling van die
verplichtingen wordt niet beschouwd als een daad van aanvaarding.
Artikel 72
1. Executeurs van nalatenschappen
zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de
bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.
2. Door de rechter benoemde
vereffenaars van nalatenschappen zijn gehouden tot al de bij deze
wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen.
3. Desgevraagd verstrekt de
Belastingdienst de erfgenaam inzage in de voor de belastingheffing
te zijnen aanzien van belang zijnde stukken.
Artikel 73
Zij, die goederen niet zijnde
registergoederen of daarop betrekking hebbende bewijsstukken onder
zich hebben met de opdracht om die bij het overlijden van iemand,
die in Nederland woonde, niet in de nalatenschap te brengen, of
daarmede zo te handelen, dat zij niet in de nalatenschap komen, zijn
verplicht daarvan overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regelen aangifte te doen. Deze aangifte moet worden ingeleverd
binnen een maand na schriftelijke aanmaning en in ieder geval
voordat de goederen of bewijsstukken uit handen worden gegeven of op
andere wijze aan de opdracht gevolg wordt gegeven.
Artikel 74
1.In alle gevallen, waarin de
mogelijkheid bestaat, dat zich in een gesloten kist of onder een
verzegelde omslag goederen niet zijnde registergoederen of daarop
betrekking hebbende bewijsstukken bevinden, waarvan op grond van
de artikelen 8 of 73 aangifte moet geschieden, zal op verzoek van
de executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van de
nalatenschap, van de erfgenamen of van de houder, de opening,
vóór de afgifte, geschieden door een notaris, die wordt
aangewezen door de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de kist of de omslag zich bevindt.
2.De notaris zal van de opening een
proces-verbaal opmaken, waarin de uitwendige toestand en de inhoud
van het ter opening aangebodene worden beschreven. De notaris
zendt een dubbel van het proces-verbaal aan de inspecteur.
Artikel 75
1. Indien tengevolge van het
overlijden van iemand, die in Nederland woonde, een uitkering
krachtens levensverzekering of derdenbeding moet plaats hebben,
alsmede indien een verandering in zodanige uitkering plaats heeft,
is de verzekeraar of degene, die de uitkering doet, verplicht om
overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen en binnen een
door die Minister te stellen termijn de gegevens te verstrekken,
welke voor de uitvoering van deze wet van belang kunnen zijn.
2. Het in het vorige lid bepaalde
is mede toepasselijk, indien, anders dan bij overlijden, een
uitkering moet plaats hebben, hetzij krachtens een overeenkomst
van levensverzekering, waarvan premies zijn betaald door een ander
- in Nederland wonende - dan degene, aan wie de uitkering moet
geschieden, of waarvan de premiebetaler niet bekend is, hetzij
krachtens een door iemand, die in Nederland woont, ten behoeve van
een derde gemaakt beding.
3. Indien de verzekeraar niet in
Nederland zijn woonplaats heeft of gevestigd is, wordt onder
verzekeraar begrepen zijn vertegenwoordiger of
hoofdvertegenwoordiger hier te lande.
4. Met betrekking tot de
verplichtingen, bedoeld in dit artikel, blijft artikel 53, derde
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten
toepassing.
Artikel 76
Hij die een aangifte heeft ingediend
of moet indienen uitsluitend of mede ten behoeve van de heffing van
belasting, welke ingevolge de bepalingen van deze wet door anderen
verschuldigd is, is gehouden tot het verstrekken van gegevens,
inlichtingen en inzage op dezelfde wijze en onder dezelfde
bepalingen alsof die belasting te zijnen aanzien was of zou moeten
worden geheven.
Artikel 77 [Vervallen per 14-07-1994]
Artikel 78
1. Ieder, die goederen verkrijgt
onder bezwaar van een uit dezelfde nalatenschap verkregen
vruchtgebruik, en ieder, aan wie goederen worden geschonken onder
bezwaar van een door de schenker ten behoeve van zich of een derde
voorbehouden vruchtgebruik, is, voor zover daaromtrent door de
erflater of schenker niet anders is bepaald, bevoegd te vorderen,
dat de belastingen, deswege door hem verschuldigd, worden betaald
uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen, tenzij de
vruchtgebruiker verkiest het bedrag voor te schieten. Wegens deze
betaling of dat voorschot is aan de vruchtgebruiker geen rente
verschuldigd. De eerste en tweede volzin zijn niet van toepassing
met betrekking tot geldvorderingen als bedoeld in artikel 13,
derde lid, en artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De belasting op periodieke
uitkeringen, bij de instelling verschuldigd, wordt voorgeschoten
door hem, die met de uitkering is belast, en bij iedere termijn
van betaling, naar evenredigheid van het aantal malen, waarvoor de
te betalen termijn in de voor de heffing van de belasting in
aanmerking genomen waarde van de uitkering is begrepen, gekort,
met bijberekening van de wettelijke rente over het te korten
gedeelte van de voorgeschoten belasting van de dag waarop de
belasting is voorgeschoten, tot de dag van de korting, alles
tenzij andere regelingen zijn gemaakt.
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 83
1. Met ingang van de eerste dag van
de maand, volgende op die, waarin deze wet in het Staatsblad wordt
geplaatst, treden in werking:
de Hoofdstukken I, II en III, met
uitzondering van artikel 20;
de artikelen 80, 81 - voor zoveel
betreft de halvering van de grondslag der heffing en de
bijvordering van recht ten aanzien van voor het publiek
opengestelde landgoederen - 82 en 83.
2. De overige bepalingen van deze
wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen
tijdstip, dat voor de onderscheidene bepalingen verschillend kan
zijn.
3. Op het in het eerste lid
bepaalde tijdstip treden buiten werking de artikelen van de wet
van 13 Mei 1859 (Staatsblad no. 36), welke dezelfde onderwerpen
regelen als de artikelen, waarvan het tijdstip van
inwerkingtreding in dat lid is bepaald. De overige bepalingen van
gemelde wet treden buiten werking onderscheidenlijk op de
tijdstippen waarop de bepalingen van deze wet welke dezelfde
onderwerpen regelen als eerstbedoelde bepalingen op de voet van
het tweede lid in werking treden.
4. Verwijzingen naar artikelen van
de in het vorige lid vermelde wet worden, zodra die artikelen
buiten werking zijn getreden, aangemerkt als verwijzingen naar de
overeenkomstige artikelen van deze wet. Verwijzingen in artikelen
van deze wet naar andere artikelen van deze wet worden, zolang
laatstbedoelde artikelen nog niet in werking zijn getreden,
aangemerkt als verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van
de in het vorige lid vermelde wet.
5. In de gevallen waarin volgens de
in het derde lid vermelde wet op een aangever een bewijslast rust
geldt, zolang de Hoofdstukken IV tot en met VIII van deze wet nog
niet geheel van toepassing zijn, zulks in dezelfde mate voor de
toepassing van de overeenkomstige artikelen van deze wet.
6. De bepalingen van deze wet zijn
toepasselijk, indien het overlijden, de schenking of de in artikel
45, derde lid, tweede zin, of artikel 53, eerste lid, bedoelde
gebeurtenis op of na het tijdstip van haar inwerkingtreding plaats
heeft, zomede indien op of na dat tijdstip krachtens schenking
wordt verkregen tengevolge van de vervulling van een voorwaarde.
7. Deze wet kan worden aangehaald
als Successiewet, met vermelding van het jaar, waarin zij in het
Staatsblad wordt geplaatst.
Artikel 84
1. Wij behouden Ons voor de
nummering van de artikelen van deze wet en de aanduiding van de
onderdelen van die artikelen opnieuw vast te stellen, zulks met
inachtneming van de bestaande volgorde, alsmede de aanhaling in
deze wet van artikelen en onderdelen van artikelen daarmede in
overeenstemming te brengen.
2. De tekst van deze wet, zoals die
luidt na toepassing van het vorige lid, wordt in het Staatsblad
geplaatst.
Lasten en
bevelen, dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële
Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28
juni 1956
JULIANA
De Minister van Financiën,
Van
de Kieft
De Staatssecretaris van
Financiën,
Van
den Berge
Uitgegeven de zesde juli
1956
De Minister van Justitie,
J.C.
van Oven
|