Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

TNO-WET

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- TNO-besluit 1986

 

 

WET van 19 december 1985, houdende regeling van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat gewijzigde omstandigheden en inzichten het wenselijk maken de Wet van 30 oktober 1930 tot regeling van het toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (Stb. 1930, 416) door een nieuwe wettelijke regeling te vervangen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze minister: Onze minister van Economische Zaken;

b. Onze ministers wie het mede aangaat: Onze ministers van defensie, van infrastructuur en milieu, van onderwijs, cultuur en wetenschap, van sociale zaken en werkgelegenheid, en van volksgezondheid, welzijn en sport;

c. de Organisatie: de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO.

Artikel 2

Onze minister draagt zorg voor de samenhang en doeltreffendheid van het door de regering met betrekking tot de Organisatie te voeren beleid. Hij treft daartoe, in overeenstemming met Onze ministers wie het mede aangaat, de nodige voorzieningen.

Artikel 3

1.Er is een Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO.

2.Zij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Delft.

Hoofdstuk 2. Doelstelling

Artikel 4

De Organisatie heeft ten doel ertoe bij te dragen dat op toepassing gericht technisch- en natuurwetenschappelijk onderzoek en daarmee te verbinden sociaal-wetenschappelijk en ander op toepassing gericht onderzoek op doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen belang en de daarbinnen te onderscheiden deelbelangen.

Artikel 5

De Organisatie tracht haar doel te bereiken door:

a. het verrichten en doen verrichten van het in artikel 4 omschreven onderzoek op werkterreinen te bepalen op eigen initiatief, dan wel na overleg met, in overeenstemming met, of in opdracht van de rijksoverheid, de lagere overheden, ondernemingen, andere maatschappelijke groeperingen en natuurlijke personen;

b. het toegankelijk maken en overdragen van resultaten van het in artikel 4 omschreven onderzoek door middel van voorlichting en advisering alsmede het begeleiden en ondersteunen van derden bij de toepassing van dit onderzoek;

c. samenwerking met andere onderzoekinstellingen ter zake van het in artikel 4 omschreven onderzoek en

d. het leveren van bijdragen aan de coördinatie van het in artikel 4 omschreven onderzoek in Nederland en aan internationale samenwerking op dit gebied;

e. het verrichten van de werkzaamheden die haar voorts worden opgedragen bij wet of algemene maatregel van bestuur.

Hoofdstuk 3. Organen en inrichting van de organisatie

§ 1. Organen

Artikel 6

De Organisatie heeft een raad van bestuur, een raad van toezicht en een raad voor het defensie-onderzoek.

§ 2. Raad van bestuur

Artikel 7

1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.

2. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter en drie van de vier andere leden van de raad van bestuur op voordracht van Onze minister, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers. Wij benoemen en ontslaan het vierde andere lid van de raad van bestuur op voordracht van Onze minister van defensie, gedaan in overeenstemming met Onze minister en met het gevoelen van de raad van ministers. De raad van toezicht doet een aanbeveling voor de eerstgenoemde voordrachten, nadat hij de raad van bestuur daarover heeft gehoord. Voor de voordracht van Onze minister van defensie doen de raad van toezicht en de raad voor het defensie-onderzoek een gemeenschappelijke aanbeveling, nadat zij de raad van bestuur daarover hebben gehoord. De ondernemingsraad van de Organisatie wordt in de gelegenheid gesteld over deze aanbevelingen advies uit te brengen.

3. De leden van de raad van bestuur zijn, behoudens door Ons op eigen verzoek van betrokkene, dan wel om zwaarwichtige redenen verleend ontslag, voor onbepaalde tijd in dienst van de Organisatie. Ontslag wordt in elk geval verleend met ingang van de dag waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereiken.

4. Zolang in een vacature in de raad van bestuur niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van bestuur.

Artikel 8

1.De raad van bestuur is, behoudens hetgeen ten aanzien van de raad voor het defensie-onderzoek is bepaald, belast met het besturen van de Organisatie.

2.Alle bevoegdheden welke niet bij of krachtens de wet aan een ander orgaan van de Organisatie zijn opgedragen, komen toe aan de raad van bestuur.

Artikel 9

1.De voorzitter en een ander lid van de raad van bestuur vertegenwoordigen de Organisatie in en buiten rechte.

2.Terzake van aangelegenheden met betrekking tot de hoofdgroep voor defensie-onderzoek geschiedt deze vertegenwoordiging door het lid van de raad van bestuur dat is benoemd op voordracht van Onze minister van defensie en door de voorzitter van de raad van bestuur.

3.De raad van bestuur kan bepalen dat andere personen in de Organisatie de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, in zijn naam uitoefenen.

4.De raad van bestuur verstrekt aan de raad van toezicht en, voorzover het gaat om aangelegenheden betreffende de hoofdgroep voor defensie-onderzoek, aan de raad voor het defensie-onderzoek, tijdig de door hen noodzakelijk geachte inlichtingen.

§ 3. Raad van Toezicht

Artikel 10

1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x