Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

UITVOERINGSWET  RECHTSVORDERINGSVERDRAG  1954

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 1 maart 1954 te ís-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

A. Mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken

 

Artikel 1

Als de autoriteit, die, overeenkomstig de voorschriften van het verdrag zorg draagt voor de mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, afkomstig uit een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de mededeling verlangd wordt.

 

Artikel 2

Oordeelt de officier van justitie, dat artikel 4 van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist.

 

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1971]

 

Artikel 4

1.Om overeenkomstig de voorschriften van het verdrag een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk te doen mededelen in een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt het exploit gedaan en het afschrift doorgezonden op de wijze, aangegeven bij artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2.Behalve de vereisten, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het exploit gesteld, zal daarbij worden vermeld het beroep of de maatschappelijke betrekking der partijen, zomede het adres van degene, aan wie de mededeling wordt verlangd. Tevens wordt daarin vermeld, dat het exploit overeenkomstig het verdrag moet worden medegedeeld, met opgave of verlangd wordt:

a. eenvoudige afgifte;

b. mededeling in de vorm, die in het land van bestemming is voorgeschreven voor het verrichten van soortgelijke mededelingen;

c. mededeling, als sub b bedoeld, allťťn voor het geval, dat eenvoudige afgifte niet mogelijk is; of

d. mededeling in een bijzondere, in het exploit duidelijk aan te geven vorm.

In elk der laatste drie gevallen is het exploit vergezeld van een vertaling in een der talen, bedoeld bij artikel 3 van het verdrag; wordt bij het exploit een afzonderlijk stuk betekend, dan geldt hetzelfde omtrent dit stuk, zo het niet in een van die talen is gesteld. De vertaling moet voor overeenstemmend verklaard zijn door een beŽdigd vertaler in het land van bestemming of door een beŽdigd vertaler in Nederland.

3.Een tweede exemplaar van het exploit, alsmede van de in het voorgaande lid bedoelde stukken en vertalingen zal worden bijgevoegd.

 

Artikel 5

1.Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt de stukken aan de betrokken Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaar. Is het exploit of het afzonderlijk stuk vergezeld van een vertaling in een der talen, bedoeld bij artikel 3 van het verdrag, dan verzoekt Onze genoemde Minister de diplomatieke of consulaire ambtenaar, zo de vertaling niet voor overeenstemmend is verklaard door een beŽdigd vertaler in het land van bestemming, zelf die vertaling voor overeenstemmend te verklaren.

2.De diplomatieke of consulaire ambtenaar doet onverwijld de stukken, na, zo nodig, aan het bij de tweede zinsnede van het eerste lid van dit artikel bedoeld verzoek te hebben voldaan, aan de bevoegde autoriteit toekomen; de diplomatieke ambtenaar doet zulks door tussenkomst van de bevoegde consulaire ambtenaar.

Alles behoudens het bepaalde bij het derde en het vierde lid van artikel 1 van het verdrag.

 

B. Rogatoire CommissiŽn aan de Nederlandse rechter opgedragen

 

Artikel 6

1.Als de autoriteit, door welke, overeenkomstig de voorschriften van het verdrag, de uitvoering geschiedt van rogatoire commissiŽn, afkomstig uit de Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de rechtbank binnen wier gebied de uitvoering moet geschieden.

In geval van een getuigenverhoor of deskundigenonderzoek wordt het verzoek gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de getuigen of deskundigen, of het grootste aantal van hen woonachtig zijn of verblijven. Indien de uitvoering van de rogatoire commissie in verschillende rechtsgebieden dient plaats te vinden, is elk van de rechtbanken van deze rechtsgebieden bevoegd de commissie in haar geheel uit te voeren.

2.De rogatoire commissie kan worden verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter is aan deze verwijzing gebonden.

3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.

 

Artikel 7

Oordeelt de rechtbank, aan wie overeenkomstig de voorschriften van het verdrag de rogatoire commissie is toegezonden, dat de uitvoering door een andere rechtbank behoort te geschieden, dan zendt zij de commissie aan deze rechtbank. Deze rechtbank is aan de doorzending gebonden.

 

Artikel 7a

De rechter die met de uitvoering van de rogatoire commissie is belast kan, indien dit voor een goede uitvoering van de rogatoire commissie nodig wordt geoordeeld, de stukken door een beŽdigd vertaler in het Nederlands doen vertalen.

 

Artikel 8 [Vervallen per 01-12-2008]

 

Artikel 9 [Vervallen per 01-12-2008]

 

Artikel 10

Oordeelt de rechter, door wie de uitvoering der rogatoire commissie zou behoren te geschieden, dat artikel 11, derde lid, sub 3į, van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de commissie onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist.

 

Artikel 11

1.Rogatoire commissiŽn, waarvan de toezending niet is geschied

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x