Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

VERENWET

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 5 juli 1921 tot vaststelling van voorschriften betreffende overzetveren en veerrechten

 

     WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
     Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is voorschriften vast te stellen betreffende overzetveren en veerrechten;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Overzetveren

Artikel 1

Tot het ondernemen van een overzetveer wordt geene voorafgaande vergunning of bekrachtiging van tarieven gevorderd.

Artikel 2

1. De Provinciale Staten zijn bevoegd met betrekking tot door hen bepaald aan te duiden wateren of gedeelten daarvan bij verordening voor overzetveren voorschriften vast te stellen ter verzekering van de veiligheid van reizigers en goederen, ter oplegging van de verplichting tot bekendmaking van dienstregeling en tarief, tot het tegengaan van heffingen zonder of in strijd met een bekend gemaakt tarief, ter bepaling van de gevallen, waarin van de dienstregeling en van het tarief kan worden afgeweken, en tot het treffen van verdere in het provinciaal belang noodig geoordeelde voorzieningen.

2. Een verordening als bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maand voor de datum van inwerkingtreding aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat meegedeeld.

Artikel 3

Overtreding van verordeningen, krachtens het voorgaande artikel vastgesteld, wordt, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 4

Met betrekking tot overzetveren, gelegen in andere dan de ingevolge artikel 2 aangeduide wateren, komt de bevoegdheid tot regeling, omschreven in dat artikel, toe aan den raad der gemeente, binnen welke het veer wordt uitgeoefend.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-1991]

Artikel 6

De bij het in werking treden dezer wet bestaande provinciale verordeningen en reglementen op de overzetveren vervallen van rechtswege twee jaren na dat tijdstip.

Hoofdstuk II. Veerrechten

ß 1. Rechten en verplichtingen

Artikel 7

Onder veerrecht wordt in deze wet verstaan het recht, om met uitsluiting van ieder ander personen en goederen over te zetten, alsmede het brugrecht of het tolrecht, waarin een veerrecht is omgezet.

Artikel 8

Het veerrecht kan niet worden afgescheiden van de eigendom van de grond onder het water, waarop het betrekking zoude hebben.

Artikel 9

1. Het is den gerechtigde tot het veerrecht verboden hooger veergeld te heffen dan geoorloofd is krachtens het voor zijn veer geldende tarief.

2. Bij gebreke, onvolledigheid of onduidelijkheid van een zoodanig tarief, wordt dat naar billijkheid vastgesteld, aangevuld of verduidelijkt door de Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciŽn, waarin het veer is gelegen.

3. De Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciŽn, waarin het veer is gelegen, kunnen den gerechtigde tot het veerrecht onder daarbij te stellen voorwaarden machtigen om voortdurend of voor een bepaalden tijd naar een daarbij vast te stellen hooger tarief te heffen.

4. Voor zover het veerrecht betrekking heeft op een verbinding waar de op de veerverbinding aansluitende openbare wegen in de zin van de Wegenwet in beheer bij een of meer gemeenten of waterschappen zijn, treedt voor de toepassing van het tweede en het derde lid het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of de gemeenten, waarin het veer is gelegen, in de plaats van gedeputeerde staten.

5. Zolang het college van burgemeester en wethouders geen uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in het vierde lid, blijft een voor de inwerkingtreding van de Wet herverdeling wegenbeheer (Stb. 1992, 563.) krachtens het tweede of derde lid genomen beslissing van provinciale staten die betrekking heeft op een veerrecht als bedoeld in het vierde lid, van kracht.

Artikel 10

Is het veerrecht in tweeŽn gesplitst, dan is de gerechtigde aan de eene zijde bij aankomst aan de andere zijde verplicht de reizigers, die wegens afwezigheid van den gerechtigde aan die zijde niet onmiddellijk overgezet kunnen worden, over te zetten tegen het tarief, dat van die zijde wordt geheven, onder gehoudenheid om aan den gerechtigde aan die zijde de helft uit te keeren van hetgeen hij heeft ontvangen, of zoodanig gedeelte daarvan als bij eene vůůr het in werking treden dezer wet partijen bindende regeling is bepaald of daarna bij overeenkomst van partijen wordt vastgesteld.

Artikel 11

1. Met het in werking treden dezer wet zijn die veerrechten vervallen, welke aan het Rijk als eenig gerechtigde toebehooren, alsmede die, welke betrekking hebben op veren, welke gedurende de laatste vijf jaren door den gerechtigde feitelijk waren verlaten.

2. Betreft het veerrecht, dat aan het Rijk als eenig gerechtigde toebehoort, een veer, dat bij het in werking treden dezer wet is verpacht, dan vervalt, met afwijking van het voorgaande, dat veerrecht op het tijdstip, waarop die pacht eindigt.

Artikel 12

Het veerrecht gaat te niet door feitelijke verlating van het veer door den gerechtigde gedurende ťťn jaar, geheel na het in werking treden dezer wet verloopen.

Artikel 13

Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciŽn, waarin het veer is gelegen, kunnen het veerrecht vervallen verklaren:

1į. indien binnen een jaar, nadat Gedeputeerde Staten, naar aanleiding van bij hen ingekomen klachten, hebben aangedrongen op getrouwe naleving van de artt. 9 en 10, meer dan eens in strijd is gehandeld met die artikelen;

2į. indien het veer niet dagelijks of niet voldoende wordt bediend;

3į. indien de toegangen tot het veer in minder bruikbaren staat verkeeren dan zij van ouds door de gerechtigden plachten te worden onderhouden;

4į. indien bij een in een brugrecht omgezet veerrecht de brug niet behoorlijk wordt onderhouden.

Artikel 14

1. Vervallenverklaring op de in art. 13 onder 1 en 2 omschreven gronden kan niet worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aantoont, dat hij aan de verboden handelingen of aan het niet dagelijks of niet voldoende bedienen van het veer naar redelijkheid geen schuld heeft.

2. Vervallenverklaring op de in art. 13 onder 2, 3 en 4 omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.

3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de artt. 9 en 10 zijn aangedrongen, om tot toepassing van art. 13 onder 1, te kunnen overgaan.

Artikel 15

1. De bekendmaking van een besluit tot vervallenverklaring geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

2. Van het besluit wordt mededeling gedaan:

a. in een nieuwsblad van de gemeente of van een der gemeenten waarin het veer is gelegen, en bij gebreke daarvan in dat van een

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x