Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

VERVOERSNOODWET

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit noodwetgeving Verkeer en Waterstaat

 

 

WET van 5 december 1962, houdende regeling van het vervoer te land en op de binnenwateren in buitengewone omstandigheden

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen, teneinde in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden de instandhouding van het vervoer te land en op de binnenwateren en een doelmatig gebruik der vervoermiddelen zoveel mogelijk te waarborgen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

1.In deze wet wordt verstaan onder:

a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. "vervoermiddelen":

1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;

2°. motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen;

3°. spoorvoertuigen;

c. "houder": hij die als eigenaar of krachtens enige andere rechtstitel gerechtigd is een vervoermiddel te gebruiken.

2.Onder vervoer wordt in deze wet mede verstaan het verplaatsen van vervoermiddelen met behulp van een ander vervoermiddel.

 

Artikel 2

1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 8, 9, 10, 12, 13, 15 en 17 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.

2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.

3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

 

Artikel 3

1.De in deze wet aan Onze Minister toegekende bevoegdheden worden ter zake van de uitvoering van de militaire taak uitgeoefend door Onze Minister en Onze Minister van Defensie gezamenlijk.

2.Indien bij toepassing van het eerste lid geen overeenstemming bestaat omtrent de uitoefening van bevoegdheden ten behoeve van de uitvoering van de militaire taak, beslist Onze Minister van Defensie.

3.Indien krachtens artikel 18, eerste lid, een vergoeding wordt toegekend vanwege de uitoefening van bevoegdheden ter uitvoering van de militaire taak, dan komt deze voor rekening van Onze Minister van Defensie.

 

Artikel 4 [Vervallen per 01-05-1997]

 

Hoofdstuk II [Vervallen per 16-03-2005]

 

Artikel 5 [Vervallen per 16-03-2005]

 

Artikel 6 [Vervallen per 16-03-2005]

 

Artikel 7 [Vervallen per 16-03-2005]

 

Hoofdstuk III. Vervoer en Vervoermiddelen

 

Artikel 8

1.Onze Minister kan bepalen dat vervoer van personen en goederen en het gebruik van vervoermiddelen slechts mag geschieden krachtens een door hem verleende vergunning, alsmede dat houders van vervoermiddelen deze slechts van een door hem aangewezen lig- of standplaats mogen verwijderen of verwijderd houden krachtens een door hem verleende vergunning.

2.Bij toepassing van het eerste lid kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Wet personenvervoer 2000, de Wet wegvervoer goederen, de Binnenvaartwet en de Spoorwegwet.

 

Artikel 9

Onze Minister kan bepalen, dat houders van vervoermiddelen verplicht zijn zich in door hem te bepalen gevallen en op een door hem te bepalen wijze en plaats al of niet met het vervoermiddel te melden, zonodig onder mededeling van gegevens omtrent het gebruik, dat van het vervoermiddel wordt gemaakt.

 

Artikel 10

1.Onze Minister kan bepalen, dat houders van vervoermiddelen op daartoe strekkende aanwijzing door hem verplicht zijn met deze vervoermiddelen het vervoer van bepaalde personen of goederen te bewerkstelligen en de vervoermiddelen daartoe volledig uitgerust op een aangewezen plaats ter beschikking te stellen; deze plaats, alsmede de plaats van bestemming kunnen buiten Nederland zijn gelegen.

2.De aanwijzing wordt zo mogelijk schriftelijk gegeven; een op

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x