Nadere regelgeving:
- Besluit registratie vissersvaartuigen 1998
- Besluit verbod gebruik van levend aas
- Legesbesluit visserijdocumenten
- Regeling
aquacultuur
- Regeling
eisen, administratie en registratie inzake uitoefening visserij'
(vervallen)
- Regeling technische maatregelen
2000' (vervallen)
- Reglement
minimummaten en gesloten tijden 1985
- Reglement voor de binnenvisserij 1985
- Reglement zee- en kustvisserij 1977
- Uitvoeringsregeling
visserij'
- Uitvoeringsregeling
zeevisserij'
WET van 30 mei 1963, houdende nieuwe
regelen omtrent de visserij
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
wetgeving op het gebied van de visserij aan te passen aan de gewijzigde
omstandigheden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan
onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. "De Kamer": de Kamer voor de Binnenvisserij
bedoeld in artikel 45;
c. "de rechthebbende op het visrecht": de gerechtigde
tot vissen uit welken hoofde ook, behalve de houder van een
schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 7, tweede lid,
of van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 21,
tweede lid;
d. "bedrijfslichamen": lichamen als bedoeld in
artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
2. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder
"vis":
a. vissen van de door Onze Minister aangewezen soorten en delen
van deze vissen;
b. schaal- en schelpdieren van de door Onze Minister aangewezen
soorten, delen van deze dieren, alsmede zeesterren en zee- of
koraalmos;
c. kuit en broed van de onder a bedoelde vissen;
d. broed en zaad van de onder b bedoelde schaal- en
schelpdieren.
3. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder
"vissen":
a. het te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen
van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis
uit het water te bemachtigen;
b. het uitzetten en uitzaaien van vis als bedoeld in het tweede
lid.
4. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan
onder:
a. "visserijzone": de zone ingesteld krachtens de
Machtigingswet instelling visserijzone;
b. "zeevisserij": het vissen in zee, met inbegrip van
het vissen in de visserijzone en in daaraangrenzende, bij algemene
maatregel van bestuur als zeegebied aangewezen wateren;
c. "kustvisserij": het vissen in de bij algemene
maatregel van bestuur als kustwater aangewezen wateren;
d. "binnenvisserij": het vissen in de overige wateren
van Nederland.
5. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan
onder:
"hengel": het vistuig bestaande uit een roede - al dan
niet voorzien van een opwindmechanisme - een lijn of snoer - al dan
niet voorzien van één of meer dobbers - en ten hoogste drie een-,
twee- of drietandige haken;
"peur": het vistuig, bestaande uit een al dan niet aan
een roede verbonden lijn of snoer zonder haak of haken waaraan een
hoeveelheid wormen is bevestigd.
6. De in het tweede lid bedoelde aanwijzing geschiedt bij
ministeriële regeling.
§ 2. De medewerking van bedrijfslichamen
Artikel 2
1.Tot uitvoering van het bepaalde krachtens de artikelen 3a, 4, 5,
9 en 16, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de
medewerking worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam.
2.Indien de van het bestuur van een bedrijfslichaam gevorderde
medewerking bestaat in het stellen van nadere regelen bij verordening,
behoeft zodanige verordening de goedkeuring van Onze Minister.
3.Krachtens een verordening van een bedrijfslichaam genomen
besluiten behoeven, voorzover dit bij of krachtens de maatregel als
bedoeld in het eerste lid is bepaald, de goedkeuring van de daarbij
aangewezen autoriteit.
4.Een verordening, als bedoeld in het tweede lid, is verbindend
voor een ieder voor zover daaruit niet het tegendeel blijkt.
5.Indien de gevorderde medewerking bestaat in het nemen van
besluiten zonder algemene gelding, kunnen deze besluiten ten aanzien
van een ieder worden genomen.
§ 3. Minimummaten, gesloten tijden, welzijnsregels en andere
maatregelen in het belang van de visserij
Artikel 2a
1.Het is verboden vis van een kleinere afmeting dan bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur voor die vissoort bepaald,
voorhanden of in voorraad te hebben, aan te voeren, te vervoeren, te
koop aan te bieden, te vervreemden, af te leveren, te bewerken of te
verwerken.
2.Het is verboden vis gedurende een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen tijdvak, dat voor verschillende
vissoorten verschillend kan worden vastgesteld, voorhanden of in
voorraad te hebben, aan te voeren, te vervoeren, te koop aan te
bieden, te vervreemden, af te leveren, te bewerken of te verwerken.
3.[Vervallen.]
4.Het bepaalde bij het eerste en het tweede lid vindt geen
toepassing in de bij of krachtens de aldaar bedoelde algemene
maatregelen van bestuur te bepalen gevallen.
Artikel 2b
1.Onze Minister is bevoegd ter voorkoming of bestrijding van ziekte
onder de vis, regelen te stellen ten aanzien van het uitoefenen van de
visserij zomede ten aanzien van het kweken, voorhanden en in voorraad
hebben, aanvoeren, invoeren, vervoeren, te koop aanbieden,
vervreemden, afleveren, bewerken en verwerken van vis.
2.[Vervallen.]
3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vis mede
begrepen de vissen, schaal- en schelpdieren van andere dan de
overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aangewezen
soorten.
Artikel 2c
1.Het is verboden vis te bedwelmen, te verwonden of te doden met
bij ministeriële regeling aan te wijzen middelen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
in het belang van het welzijn van de dieren die als aas bij het vissen
worden gebruikt. Deze regelen kunnen een verbod van het gebruik van
dieren als aas bevatten.
3.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
dan wel een krachtens het tweede lid gestelde verbod. Deze ontheffing
kan onder beperkingen worden verleend. Hij kan aan zodanige ontheffing
voorschriften verbinden.
Hoofdstuk II. De registratie van vissersvaartuigen
Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen
gesteld betreffende het registreren van en het voeren van lettertekens
en nummers door vissersvaartuigen, welke bedrijfsmatig worden gebruikt
voor de zeevisserij, de kustvisserij, de visserij op het IJsselmeer en
andere bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren.
Hoofdstuk IIA. Naleving internationale verplichtingen
Artikel 3a
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen
of verleende bevoegdheden regelen worden gesteld in het belang van de
visserij.
2.Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld
in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het
belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
3.De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden
het opleggen van een verplichting aan hen die vis van een aanvoerder
betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis
tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan
een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden
vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen
ter veiling aangeboden.
4.De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, wordt
Ons niet gedaan, dan nadat Onze Minister met de daarbij in belangrijke
mate betrokken bedrijfslichamen overleg heeft gepleegd.
Hoofdstuk III. De zeevisserij
Artikel 4
1.In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel
1, vierde lid, onder b, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding
dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren
onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het
stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de
belangen van de natuurbescherming.
2.Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld
in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het
belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
3.De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden
het opleggen van een verplichting aan hen, die vis van een aanvoerder
betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis
tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan
een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden
vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen
ter veiling aangeboden.
4.De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, wordt
Ons niet gedaan, dan nadat Onze Minister met de daarbij in belangrijke
mate betrokken bedrijfslichamen overleg heeft gepleegd.
5.Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt, indien
deze regelen stelt met betrekking tot beperking van de
vangstcapaciteit, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel kan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken in
werking treden, tenzij binnen die termijn door ten minste een vijfde
van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij
de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven,
dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
6.Onze Minister kan, indien hij overweegt een voordracht te doen
tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel als
bedoeld in het vijfde lid en naar zijn oordeel de goede werking van de
desbetreffende maatregel een onmiddellijke voorziening eist,
overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen, en
in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen. Het
tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
7.Een regeling getroffen op grond van het zesde lid blijft,
behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het vijfde lid
bedoelde maatregel in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden
na de inwerkingtreding van de regeling. In het geval dat ingevolge het
bepaalde in het vijfde lid, het in de maatregel te regelen onderwerp
bij de wet wordt geregeld, blijft de regeling van kracht totdat de wet
in werking treedt danwel totdat het voorstel van wet wordt ingetrokken
of een van beide kamers tot niet-aanneming daarvan besluit.
Artikel 5
1.Het is verboden met vreemde vissersvaartuigen de visserij uit te
oefenen in de wateren, gelegen binnen de visserijzone.
2.Het verbod geldt niet indien en voor zover zulks bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald dan wel uit internationale
overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties
voortvloeit.
Hoofdstuk IV. De kustvisserij
Artikel 6 [Vervallen per 01-03-1995]
Artikel 7
1.Het is verboden in een water, als bedoeld in artikel 1, vierde
lid, onder c , te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het
visrecht van dat water.
2.Het verbod van het eerste lid geldt niet:
a. voor hem, die voorzien is van een schriftelijke toestemming
van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt
uitgeoefend;
b. voor hem, die de rechthebbende op het visrecht of de houder
der schriftelijke toestemming behulpzaam is bij het vissen met een
vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend;
c. indien en voor zover het Rijk de rechthebbende op het
visrecht is, behoudens in de gevallen bij algemene maatregel van
bestuur bepaald;
d. voor hem, die vist met ten hoogste twee hengels.
Artikel 8
1.Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming, als bedoeld
in artikel 7, is vereist, dat deze in duidelijk leesbaar en niet door
vegen uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de
voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en
van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het
water en de visserij, waarvoor zij geldt, de dagtekening en de
geldigheidsduur.
2.De geldigheidsduur van een schriftelijke toestemming eindigt in
ieder geval na verloop van drie jaren na de dagtekening der
schriftelijke toestemming.
Artikel 9
1.In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel
1, vierde lid, onder c, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding
dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren
onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit.
2.Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, wordt
mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.
3.Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld
in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het
belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden
het opleggen van een verplichting aan hen, die vis van een aanvoerder
betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis
tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan
een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden
vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen
ter veiling aangeboden.
5.De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een
algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, wordt
Ons niet gedaan, dan nadat Onze Minister met de daarbij in belangrijke
mate betrokken bedrijfslichamen, zomede met naar het oordeel van Onze
Minister daarvoor in aanmerking komende organisaties van sportvissers
overleg heeft gepleegd.
6.Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt, indien
deze regelen stelt met betrekking tot beperking van de
vangstcapaciteit, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel kan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken in
werking treden, tenzij binnen die termijn door ten minste een vijfde
van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te
kennen wordt gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij
de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven,
dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
7.Onze Minister kan, indien hij overweegt een voordracht te doen
tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel als
bedoeld in het vijfde lid en naar zijn oordeel de goede werking van de
desbetreffende maatregel een onmiddellijke voorziening eist,
overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen, en
in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen. Het
tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
8.Een regeling getroffen op grond van het zesde lid blijft,
behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het vijfde lid
bedoelde maatregel in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden
na de inwerkingtreding van de regeling. In het geval dat ingevolge het
bepaalde in het vijfde lid, het in de maatregel te regelen onderwerp
bij de wet wordt geregeld, blijft de regeling van kracht totdat de wet
in werking treedt danwel totdat het voorstel van wet wordt ingetrokken
of een van beide kamers tot niet-aanneming daarvan besluit.
Hoofdstuk V. De binnenvisserij
Afdeling I
§ 1 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 11 [Vervallen per 01-03-1995]
Artikel 12 [Vervallen per 26-07-1995]
Artikel 13 [Vervallen per 01-03-1995]
Artikel 14 [Vervallen per 01-03-1995]
Artikel 15 [Vervallen per 01-06-1985]
§ 3. Maatregelen in het belang van de visserij
Artikel 16
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten
aanzien van het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde
lid, onderdeel d, regelen worden gesteld:
a. in het belang van de visserij in die wateren, de
doelmatigheid daaronder begrepen, of
b. ter voorkoming van schade voor de volksgezondheid bij
consumptie van de in die wateren voorkomende vis als gevolg van
het gebruik van bepaalde vang- of lokmethoden.
2.Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid wordt
mede rekening gehouden met:
a. de belangen van de natuurbescherming, en
b. de invloed van het gebruik van bepaalde vang- of lokmethoden
op het welzijn van de in de in het eerste lid bedoelde wateren
voorkomende vis.
3.Bij of krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid
kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving
van de aldaar bedoelde regelen.
Artikel 17
1. Het is verboden in een water als bedoeld in artikel 1, vierde
lid, onder d, op het visrecht waarvan een ander de rechthebbende is,
vis uit te zetten, zonder in het bezit te zijn van een schriftelijke
toestemming van de rechthebbende.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vis mede
begrepen vissen, schaal- en schelpdieren en kuit, broed en zaad van
vissen en schaal- en schelpdieren, die niet krachtens artikel 1,
tweede lid, zijn aangewezen.
3. Een schriftelijke toestemming als bedoeld in het eerste lid, is
duidelijk leesbaar en in niet uit te wissen schrift gesteld en
vermeldt ten minste: de naam, de voorletters en de woonplaats van de
rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van
de houder, de omschrijving van het water, de vissoort en de periode,
waarvoor zij geldt en de dagtekening.
Artikel 18 [Vervallen per 01-06-1985]
Artikel 19 [Vervallen per 01-06-1985]
Artikel 20 [Vervallen per 01-06-1985]
§ 4. Schriftelijke toestemmingen voor het vissen in wateren, waarin
de binnenvisserij wordt uitgeoefend
Artikel 21
1. Behoudens indien het betreft het uitzetten van vis, is het
verboden in een water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d,
te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het visrecht van
dat water.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet:
a. voor hem, die voorzien is van een schriftelijke toestemming
van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt
uitgeoefend;
b. voor hem die de rechthebbende op het visrecht of de houder
van de schriftelijke toestemming behulpzaam is bij het vissen met
een vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend;
c. voor het vissen met een hengel door personen onder de
veertien jaar die vissen onder begeleiding van een volwassene die
voorzien is van de in onderdeel a bedoelde schriftelijke
toestemming, of die vissen in het kader van een door de
betreffende rechthebbende op het visrecht georganiseerd evenement;
d. voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen
viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding
met andere wateren bezit dan wel in een viskwekerij, die voldoet
aan de door Onze Minister te stellen regelen.
Artikel 22
1.Schriftelijke toestemmingen, als bedoeld in artikel 21, mogen
slechts worden verleend met goedkeuring van de Kamer.
2.Indien een doelmatig bevissen van het water, waarop de aanvrage
tot het verkrijgen van goedkeuring betrekking heeft, dan wel van het
complex van wateren, waartoe dat water behoort, door de voorgenomen
uitreiking van schriftelijke toestemmingen zou worden belemmerd, wijst
de Kamer de aanvrage af, dan wel verbindt zij aan de goedkeuring
voorschriften, met dien verstande dat deze voorschriften slechts
kunnen betreffen het aantal schriftelijke toestemmingen, dat ten
hoogste mag worden uitgereikt, de aard van het vistuig, voor het
gebruik waarvan uitsluitend schriftelijke goedkeuring mag worden
verleend en de geldigheidsduur der schriftelijke toestemmingen.
3.De Kamer kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden ter
verzekering van de bij de voorgenomen uitreiking betrokken belangen
van derden.
4.De Kamer kan de geldigheid van de goedkeuring tot een door haar
te bepalen tijdvak beperken.
5.De Kamer kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden
betreffende de voor het genot der schriftelijke toestemmingen ten
hoogste te berekenen vergoedingen.
6.Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien
van:
a. het verlenen van schriftelijke toestemmingen voor het vissen
met een of meer hengels of een of meer peuren;
b. het verlenen van schriftelijke toestemmingen voor het vissen
in het IJsselmeer en andere bij ministeriële regeling aan te
wijzen wateren of complexen van wateren;
c. het verlenen van schriftelijke toestemmingen door een op
grond van artikel 35 door Onze Minister aangewezen openbaar
lichaam.
Artikel 23
1.Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming is vereist:
a. dat deze in duidelijk leesbaar en niet uit te wissen schrift
ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van
de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de
geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water en de
visserij waarvoor zij geldt, de dagtekening, de geldigheidsduur en
de voor het genot der schriftelijke toestemming berekende
vergoeding;
b. dat het stuk, waarop de schriftelijke toestemming is
gesteld, door of vanwege de Kamer is gewaarmerkt.
2.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet:
a. voor schriftelijke toestemmingen, welke ingevolge het
bepaalde in artikel 22, zesde lid, zonder goedkeuring van de Kamer
mogen worden verleend;
b. voor schriftelijke toestemmingen uitgereikt door openbare
lichamen.
3.De waarmerking, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts
geweigerd:
a. indien geen goedkeuring tot uitreiking der schriftelijke
goedkeuring is verleend dan wel het tijdvak tot hetwelk de
geldigheid van de goedkeuring is beperkt, is verstreken;
b. indien het verlenen van de schriftelijke goedkeuring in
strijd is met de aan de goedkeuring verbonden voorschriften;
c. indien een of meer der in het eerste lid, onder a, bedoelde
gegevens, met uitzondering van de gegevens betreffende de houder
en de dagtekening der schriftelijke goedkeuring, ontbreken.
4.De geldigheidsduur van een schriftelijke toestemming eindigt in
ieder geval na verloop van drie jaren na de dagtekening der
schriftelijke toestemming.
§ 5. Huur en verhuur van visrecht
Artikel 24
De bepalingen van deze paragraaf gelden niet voor de visserij in het
IJsselmeer, in wateren als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel
d en in andere bij ministeriële regeling aan te wijzen wateren of
complexen van wateren.
Artikel 25
1.Elke overeenkomst van huur en verhuur van visrecht van enig
water, zomede elke overeenkomst tot wijziging of aanvulling van
zodanige overeenkomst, moet schriftelijk worden aangegaan.
2.Indien de overeenkomst niet schriftelijk is aangegaan, kan de
meest gerede partij bij de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin het viswater of het grootste gedeelte daarvan
gelegen is, de schriftelijke vastlegging daarvan vorderen.
3.Tegen het vonnis van de kantonrechter staat geen hogere
voorziening open.
4.De griffier van de rechtbank zendt binnen veertien dagen na de
uitspraak, waarbij de overeenkomst schriftelijk is vastgelegd, drie
gewaarmerkte afschriften van het vonnis aan de Kamer.
Artikel 26
1.Overeenkomsten, als bedoeld in het vorige artikel, met inbegrip
van die, welke ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dat
artikel schriftelijk zijn vastgelegd, behoeven de goedkeuring van de
Kamer.
2.Het bepaalde in het vorige lid geldt niet voor overeenkomsten,
welke zijn aangegaan door een op grond van artikel 35 door Onze
Minister aangewezen openbaar lichaam.
Artikel 27
Het is de huurder van visrecht verboden de visserij uit te oefenen in
het water, waarvan hij visrecht heeft gehuurd, zonder te zijn voorzien
van een schriftelijke overeenkomst van huur en verhuur van dat visrecht
welke in de gevallen, waarin ingevolge deze wet de goedkeuring is
vereist, door de Kamer is goedgekeurd.
Artikel 28
1.De overeenkomst van huur en verhuur van visrecht geldt voor de
tijd van zes jaren.
2.Een huurovereenkomst kan in bijzondere omstandigheden voor een
langere of kortere duur worden aangegaan, mits een bepaalde datum van
beëindiging is vastgesteld.
Artikel 29
1.De Kamer keurt de overeenkomst van huur en verhuur van visrecht
goed, tenzij:
a. een doelmatig bevissen van het water, waarop de overeenkomst
betrekking heeft, dan wel van het complex van wateren, waartoe dat
water behoort, door de overeenkomst zou worden belemmerd;
b. de overeenkomst in strijd is met het bepaalde bij een
ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 35;
c. de prestaties, waartoe partijen zich hebben verbonden
kennelijk onevenredig zijn;
d. de overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd dan wel is
aangegaan voor een langere of kortere duur dan 6 jaren zonder dat
bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen.
2.De Kamer kan aan een goedkeuring voorschriften verbinden ter
verzekering van de bij de uitoefening van het visrecht betrokken
belangen van derden.
3.Voor de geldigheid van bepalingen, welke in strijd met de wet
zijn, kan op de goedkeuring van de overeenkomst door de Kamer geen
beroep worden gedaan.
4.Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de overeenkomst tot wijziging of aanvulling
van een overeenkomst van huur en verhuur van visrecht.
Artikel 30
1.Indien de Kamer haar goedkeuring aan een overeenkomst van huur en
verhuur van visrecht of aan een overeenkomst tot wijziging of
aanvulling van zodanige overeenkomst zou moeten onthouden, wijzigt zij
de overeenkomst op het punt of de punten, welke in verband met het
bepaalde in artikel 29, eerste lid, de goedkeuring verhinderen of
verklaart zij haar nietig.
Uit een door de Kamer op de overeenkomst geplaatste aantekening
moet blijken, dat de overeenkomst door de Kamer is gewijzigd.
2.De door de Kamer gewijzigde overeenkomst geldt als een tussen
partijen aangegane en goedgekeurde overeenkomst. In geval van
wijziging alsmede in geval van nietigverklaring regelt de Kamer zo
nodig de gevolgen.
Artikel 31
1.Zij die voornemens zijn met elkaar een overeenkomst van huur en
verhuur van visrecht dan wel een overeenkomst tot wijziging of
aanvulling van zodanige overeenkomst aan te gaan, zijn bevoegd een
ontwerp-overeenkomst ter goedkeuring aan de Kamer in te zenden.
2.De Kamer beoordeelt de ontwerp-overeenkomst met toepassing van
artikel 29, eerste lid; zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen
van wijzigingen, welke zij in verband met het bepaalde in dat artikel
nodig oordeelt.
3.Indien binnen twee maanden, nadat de Kamer een
ontwerp-overeenkomst heeft goedgekeurd, een overeenkomst wordt
ingezonden, welke gelijk is aan de ontwerp-overeenkomst, zoals deze
werd goedgekeurd, is de Kamer tot goedkeuring gehouden.
4.Op het verzoek tot goedkeuring van het ontwerp van een
overeenkomst van huur en verhuur van visrecht kan niet meer worden
beslist nadat de daarin als huurder genoemde persoon als zodanig op
het viswater is toegelaten.
Artikel 32
1.Het is verboden in verband met een overeenkomst van huur en
verhuur van visrecht enig ander voordeel te bedingen of aan te nemen
dan in de door de Kamer goedgekeurde overeenkomst is opgenomen.
2.Indien enig ander voordeel is aangenomen dan in de door de Kamer
goedgekeurde overeenkomst is opgenomen, behoudt de goedgekeurde
overeenkomst haar rechtskracht.
Artikel 33
1. Een overeenkomst van huur en verhuur van visrecht, voor zover
aangegaan voor een periode van zes jaren, wordt van rechtswege
verlengd voor een gelijke periode, tenzij:
a. de verhuurder uiterlijk acht maanden voor het eind van de
lopende overeenkomst aan de huurder een nieuwe overeenkomst van
huur en verhuur van visrecht heeft aangeboden of aan hem
schriftelijk te kennen heeft gegeven de overeenkomst van huur en
verhuur van het visrecht niet te willen voortzetten, of
b. de huurder, indien door de verhuurder geen toepassing is
gegeven aan onderdeel a, voor het einde van de lopende
overeenkomst aan de verhuurder schriftelijk te kennen heeft
gegeven de overeenkomst van huur en verhuur van het visrecht niet
te willen voortzetten.
2. Tenzij de overeenkomst van huur en verhuur van het visrecht is
aangegaan voor een jaar of een periode korter dan een jaar, kan de
huurder de Kamer verzoeken de lopende overeenkomst te verlengen:
a. indien de verhuurder hem een nieuwe overeenkomst heeft
aangeboden waarmee hij zich niet kan verenigen;
b. indien de verhuurder hem te kennen heeft gegeven de
overeenkomst niet te willen voortzetten, of
c. in het geval die overeenkomst is aangegaan voor een andere
tijdsduur dan zes jaren.
Dit verzoek wordt ten minste een half jaar vóór het einde van de
lopende overeenkomst gedaan.
3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid kan worden beperkt tot
een gedeelte van het visrecht, waarop de overeenkomst betrekking
heeft.
4. De Kamer beslist naar billijkheid, evenwel met inachtneming van
het bepaalde in de volgende leden.
5. De Kamer wijst het verzoek in ieder geval af indien de
verhuurder de overeenkomst niet wil voortzetten wegens de
omstandigheid dat de huurder voor het einde van de lopende
overeenkomst de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt of zal
bereiken.
6. Indien een doelmatige bevissing van het water, waarop de
overeenkomst betrekking heeft dan wel van het complex van wateren,
waartoe dat water behoort, door de toewijzing van het verzoek zou
worden belemmerd, wijst de Kamer het verzoek af dan wel beperkt zij de
verlenging tot een gedeelte van het visrecht.
7. Indien en voor zover de Kamer het verzoek toewijst, stelt zij de
duur vast voor welke de verlenging zal gelden en welke ten hoogste zes
jaren zal bedragen.
8. Ingeval de verlenging tot een gedeelte van het visrecht wordt
beperkt, stelt de Kamer de prestatie van de huurder vast.
9. Indien de Kamer een niet overeenkomstig het bepaalde in het
derde lid beperkt verzoek tot verlenging toewijst, kan zij, indien
daartoe naar haar oordeel aanleiding bestaat, de prestatie van de
huurder herzien.
10. Indien de Kamer het verzoek geheel of onder beperkingen
toewijst, kan zij de overeenkomst wijzigen of aan haar besluit
voorschriften verbinden ter verzekering van de belangen van de
verhuurder of van de bij de uitoefening van het visrecht betrokken
visserijbelangen van derden. Alsdan is artikel 30, eerste lid, tweede
volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
Na het overlijden van de huurder loopt de overeenkomst met de
gezamenlijke erfgenamen door tot het einde van het eerstvolgende
huurjaar, behoudens eerdere beëindiging uit anderen hoofde. Is de
nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
verdeeld, dan loopt de overeenkomst gedurende de in de eerste zin
bedoelde termijn met de echtgenoot of geregistreerde partner van de
erflater door.
Artikel 35
Indien binnen enig gebied de versnippering van de eigendom van de
grond onder het viswater of van het visrecht een doelmatig bevissen van
het water belemmert, kan Onze Minister, de Kamer gehoord, bij regeling
bepalen, dat verhuur van het visrecht op dat water uitsluitend kan
geschieden aan en vervolgens door een openbaar lichaam, door Onze
Minister aangewezen in overeenstemming met dat lichaam.
Artikel 36
1.De bepalingen van deze paragraaf vinden overeenkomstige
toepassing op overeenkomsten, waardoor of krachtens welke tegen een
prestatie ineens of in termijnen beperkte genotsrechten voor 25 jaar
of korter dan wel voor onbepaalde tijd op de grond onder het viswater
worden gevestigd.
In geval van beperkte genotsrechten voor onbepaalde tijd blijft de
overeenkomstige toepassing van bepalingen van deze paragraaf beperkt
tot 25 jaar na de vestiging.
2.De bepalingen, die voor het beperkte genotsrecht gelden vinden
slechts toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met bepalingen
van deze paragraaf.
§ 6. Beroep van beslissingen van de Kamer
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1994]
Afdeling II. Het orgaan
§ 1 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 40 [Vervallen per 01-06-1985]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2007]
§ 2. De Kamer voor de Binnenvisserij
Artikel 45
Er is een Kamer voor de Binnenvisserij. De Kamer heeft haar zetel te
's-Gravenhage.
Artikel 46
1.De Kamer bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten
hoogste negen leden. Zij wordt bijgestaan door een secretaris.
2.Er kunnen een plaatsvervangende voorzitter en een of meer
plaatsvervangende secretarissen worden benoemd.
3.Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter en van de
plaatsvervangende voorzitter treedt het oudste lid als waarnemend
voorzitter op.
Artikel 47
1.Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende
secretarissen.
2.Van de leden wordt een derde benoemd op voordracht van de door
Ons aangewezen organisaties van beroepsvissers en een derde op
voordracht van de door Ons aangewezen organisaties van sportvissers.
De overige leden worden benoemd op voordracht van de door Ons
aangewezen organisaties, welke geacht kunnen worden de eigenaren van
en de beperkt gerechtigden op de grond onder het viswater te
vertegenwoordigen.
De voordrachten bevatten een dubbeltal voor ieder te benoemen lid.
3.Wij bepalen het aantal leden, waarvoor elke door Ons aangewezen
organisatie voordrachten kan indienen.
4.De leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij zijn bij
hun aftreden weer benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Ons
worden ontslagen.
5.De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de aanvang
hunner bediening beëdigd.
6.Bij het bereiken van de ouderdom van zeventig jaren wordt aan de
voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de leden ontslag
verleend met ingang van de eerstvolgende maand.
Artikel 48
1.Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris
komt in aanmerking degene:
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit
waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en
tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het
recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
2.De graden, het doctoraat of het recht, bedoeld in het eerste lid,
moeten zijn verkregen op grond van het afleggen van een examen aan een
opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in het Nederlands
burgerlijk recht, handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.
Artikel 49
1.Onverminderd hetgeen elders is bepaald, worden de voorzitter, de
plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris en de
plaatsvervangende secretarissen ontslagen:
a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende
lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;
b. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.
2.Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het vorige
lid genoemde personen worden ontslagen:
a. bij overtreding van het bepaalde in de artikelen 50 en 51;
b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard ten
aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard, zij, surséance van betaling hebben
verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.
3.Wanneer zich een van de omstandigheden voordoet, als bedoeld in
het tweede lid, zijn Onze Minister van Justitie en Onze Minister
bevoegd de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt terstond te
schorsen; de schorsing mag een termijn van drie maanden niet
overschrijden. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet niet van
toepassing.
4.Wanneer tijdens de in het vierde lid bedoelde schorsing het
besluit tot ontslag wordt genomen, blijft de schorsing van kracht tot
het tijdstip, waarop het ontslag ingaat.
Artikel 50
1.De in artikel 49 bedoelde personen zijn verplicht het geheim te
bewaren omtrent hetgeen hun als zodanig bekend wordt.
2.Zij mogen zich noch direct noch indirect in enig bijzonder
onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver raadslieden,
noch enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen aannemen
over enige aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of
vermoeden, dat deze aanhangig zal worden bij de Kamer.
3.Zij mogen niet deelnemen aan de behandeling van zaken, waarbij
zij in enig opzicht betrokken zijn.
Artikel 51
Het is aan de in artikel 49 bedoelde personen verboden zich te
belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke
bij de Kamer of bij Ons aanhangig zijn, of waarvan zij weten of
vermoeden, dat deze bij de Kamer of bij Ons aanhangig zullen worden.
Artikel 52
1.De Kamer heeft:
a. een enkelvoudige afdeling, welker werkzaamheden verricht
worden door de voorzitter;
b. meervoudige afdelingen, welke zodanig zijn samengesteld, dat
noch het belang der beroepsvissers, noch dat der sportvissers,
noch dat der eigenaren overheerst.
2.Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting van de
Kamer, de beëdiging van de voorzitter, de plaatsvervangende
voorzitter, de leden, de secretaris en de plaatsvervangende
secretarissen, alsmede de samenstelling en de werkwijze van de
afdelingen van de Kamer nader geregeld. Bij die maatregel wordt mede
bepaald welke zaken door de enkelvoudige afdeling, onderscheidenlijk
door de meervoudige afdelingen worden behandeld.
Artikel 53
1.De voorzitter en de secretaris genieten een bezoldiging, welke
bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.
2.De plaatsvervangende voorzitter, de leden en de plaatsvervangende
secretarissen genieten een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en
verdere vergoedingen volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regelen.
Artikel 54
Bij ministeriële regeling wordt voor de werkzaamheden van de Kamer
een tarief vastgesteld.
Hoofdstuk VI. Toezichts-, dwang- en strafbepalingen
Artikel 54a
1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 54b
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder
bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen.
Artikel 54c [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 55
1. Ieder die de visserij uitoefent of pleegt uit te oefenen, is
verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar:
a. deze ambtenaar in de gelegenheid te stellen zijn vaartuig te
betreden;
b. ter inzage af te geven de op grond van het bepaalde bij of
krachtens deze wet voor de uitoefening van de visserij vereiste
bescheiden, waarvan inzage naar redelijk oordeel van deze
ambtenaar voor de vervulling van zijn taak nodig is;
c. uitstaand vistuig te lichten;
d. gesloten viskaren te openen;
e. anderszins de medewerking te verlenen, die deze ambtenaar
voor de vervulling van zijn taak behoeft.
2. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot het verrichten van de
handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.
3. Overtreding van het eerste lid wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
4. De feiten strafbaar gesteld bij dit artikel worden als
overtreding beschouwd.
Artikel 56
1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2b,
2c en 17, dan wel van de voorschriften, verbonden aan op grond van de
bij of krachtens die artikelen verleende vergunningen, ontheffingen of
schriftelijke toestemmingen, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 22,
eerste lid, 27 en 32, eerste lid, dan wel van de voorschriften,
bedoeld in artikel 22, tweede, derde en vijfde lid, 29, tweede lid, en
33, tiende lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een week
of geldboete van de eerste categorie.
3. De in dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 58
De Nederlandse strafwet is mede van toepassing op een ieder die zich
buiten Nederland,
a. binnen de visserijzone schuldig maakt aan de krachtens de
artikelen 3a, 4 en 5 strafbaar gestelde gedragingen;
b. buiten de visserijzone schuldig maakt aan de krachtens artikel
3a strafbaar gestelde gedragingen, voorzover het betreft de
overtreding van regelen gesteld ter uitvoering van besluiten van een
regionale visserijorganisatie houdende beheers- en
instandhoudingsmaatregelen genomen op grond van de op 4 augustus
1995 te New York tot stand gekomen Overeenkomst over de toepassing
van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde naties inzake het
recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de
instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en over
grote afstanden trekkende visbestanden.
Artikel 59
Met het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen
55, tweede lid, 56 en 61, derde lid, zijn, behalve de bij artikel 141
van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de
ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane en de door
Onze Minister aangewezen ambtenaren.
Artikel 60
De in artikel 59 bedoelde ambtenaren hebben toegang tot elke plaats,
voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
Artikel 61
1.De opsporingsambtenaren zijn ter vervulling van hun taak bevoegd
te vorderen, dat bestuurders van vervoermiddelen, met uitzondering van
openbare vervoermiddelen, deze doen stilhouden en onderzoek toestaan
van de vervoermiddelen en van de zich daarin bevindende voorwerpen.
Zij kunnen tevens vorderen, dat de bestuurders overeenkomstig hun
aanwijzingen ter zake medewerking verlenen.
2.Onze Minister is bevoegd na overleg met Onze Minister van
Justitie regelen te stellen omtrent de wijze, waarop vorderingen tot
het doen stilhouden, als bedoeld in het vorige lid, worden gedaan.
3.Het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, als bedoeld in
het eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand
of geldboete van de tweede categorie.
4.Het feit strafbaar gesteld bij dit artikel wordt als overtreding
beschouwd.
Artikel 62
Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad kunnen de
opsporingsambtenaren voor inbeslagneming vatbare voorwerpen op elke
plaats in beslag nemen, zomede ter inbeslagneming hun uitlevering
vorderen.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 63
1.Ieder beding, waarbij visrecht van de eigendom van de grond onder
het water wordt afgescheiden, is nietig.
2.Waar bij het in werking treden van deze wet visrecht op wateren
van anderen bestaat, kan het door dezen worden afgekocht, al ware het
tegendeel uitdrukkelijk bedongen.
3.Onze Minister is tot de in het tweede lid bedoelde afkoop
bevoegd.
4.Bij geschil over de afkoopprijs wordt deze door de rechtbank van
het arrondissement, waarin de wateren zijn gelegen, na verhoor van
deskundigen bepaald.
Artikel 64 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 65 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 66
De rechten en verplichtingen, voortspruitende uit overeenkomsten van
huur en verhuur van visrecht, welke van kracht zijn op het tijdstip,
waarop deze wet in werking treedt, worden te rekenen van dat tijdstip,
doch alleen voor het vervolg, beheerst door de bepalingen van deze wet.
Artikel 67 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 68
Overeenkomsten van huur en verhuur van visrecht voor bepaalde tijd,
welke op 1 februari 1955 van kracht waren en welke bij het in werking
treden van deze wet nog van kracht zijn, gelden voor de duur waarvoor
zij zijn aangegaan of verlengd.
Artikel 69 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 70
De gevolgen, welke het overlijden van de huurder ten aanzien van de
overeenkomst van huur en verhuur van visrecht heeft, worden geregeld
door het recht, geldende ten tijde van het overlijden.
Artikel 71 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 72 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 73 [Vervallen per 21-08-1998]
Artikel 74
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bedragen
vastgesteld welke verschuldigd zijn ter zake van het ingevolge deze
wet uitreiken van bescheiden, alsmede ter zake van de krachtens de
artikelen 3a, 4, 5, 9 of 16 voorgeschreven controles, verrichtingen of
onderzoeken.
2. De in het eerste lid bedoelde bedragen worden zodanig
vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde
kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden
waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij
een communautaire maatregel vastgestelde verplichtingen.
Artikel 75
1. De zorg voor de archiefbescheiden van de bij de wet van 6
september 2006 tot wijziging van de Visserijwet 1963 (Stb. 2006, 476)
opgeheven Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij ligt bij
Onze Minister.
2. De archiefbescheiden kunnen, voor zover zij niet zijn
overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats, tijdelijk ter
beschikking worden gesteld aan een door Onze Minister aan te wijzen
rechtspersoon.
3. Onze Minister stelt vast voor welk tijdvak de in het tweede lid
bedoelde archiefbescheiden aan de rechtspersoon ter beschikking worden
gesteld.
4. De rechtspersoon rapporteert jaarlijks aan Onze Minister over
het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden. Het in
de artikelen 25a en 25b van de Archiefwet 1995 bedoelde toezicht op
het beheer blijft op de krachtens het tweede lid ter beschikking
gestelde archiefbescheiden van toepassing.
5. Onze Minister is te allen tijde bevoegd inzage te nemen van de
terbeschikkinggestelde archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit
reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen.
6. De kosten van het beheer van de krachtens het tweede lid ter
beschikking gestelde archiefbescheiden komen ten laste van de in dat
lid bedoelde rechtspersoon.
7. De overbrenging van de in de in het eerste lid bedoelde
archiefbescheiden naar een rijksarchiefbewaarplaats geschiedt door
Onze Minister met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de
Archiefwet 1995.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 79
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Zij kan worden aangehaald als: Visserijwet, met vermelding van het
jaartal van het Staatsblad waarin zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 mei 1963
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
V.G.M. Marijnen
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de achttiende juli 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|