Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  AANPASSING  PENSIOENVOORZIENINGEN  BIJSTANDKORPS  (Wet APB)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 25 november 1965, houdende maatregelen ten aanzien van pensioenen, toegekend krachtens de Wet van 25 mei 1962, Stb. 1962, 196

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ten aanzien van pensioenen toegekend krachtens de Wet van 25 mei 1962, Stb. 1962, 196, in verband met de interimregeling voor uit hoofde van invaliditeit gepensioneerde ambtenaren en in verband met de maatregelen tot aanpassing van de overheidspensioenen aan de algemene wijzigingen van het bezoldigingspeil, alsmede nieuwe regelen vast te stellen ten aanzien van de invloed op een pensioen krachtens de Wet van 25 mei 1962, Stb. 1962, 196, van een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of een pensioen dan wel uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Eerste Afdeling. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. pensioen: een pensioen, toegekend of geacht mede te zijn toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea;

b. pensioenreglement: het pensioenreglement, bedoeld in artikel 15 van de onder a genoemde wet;

c. eigen pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 8 van het pensioenreglement;

d. weduwenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement;

e. wezenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 11 van het pensioenreglement.

Tweede Afdeling. Toekenning van invaliditeitstoeslagen

Artikel 2 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 3 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 4 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 5 [Vervallen per 25-04-1997]

Derde Afdeling. Vervallen

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 6a [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]

Vierde Afdeling. Samenloop van pensioen met een bodempensioen

Eerste hoofdstuk

Artikel 9

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 1, onder a, met inbegrip van de daarop verleende toeslagen;

b. ander pensioen: een pensioen, als bedoeld in artikel 16, tweede lid jo. vierde lid, van het pensioenreglement.

c. algemeen ouderdomspensioen: een bruto ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voorzover deze niet behoren tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;

d. algemeen weduwenpensioen en algemeen wezenpensioen: een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering onderscheidenlijk een wezenpensioen, als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet zoals die wet laatstelijk luidde.

e. «algemene nabestaandenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

Artikel 9a

Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een rechthebbende die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.

Artikel 10

Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling geldt het volgende.

a. Een pensioen wordt geacht te zijn berekend naar 8/5 maal de pensioendiensttijd, die voor de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen, tot een maximum van veertig jaren.

b. Indien in een pensioen een invaliditeitstoeslag, als bedoeld in de Tweede Afdeling is begrepen, wordt het pensioen geacht te zijn berekend naar 8/5 maal een met de som van pensioen en invaliditeitstoeslag overeenkomende pensioendiensttijd, tot een maximum van veertig jaren. De voorgaande volzin vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van weduwen- en wezenpensioenen, waarop krachtens artikel 6, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, een toeslag is verleend.

c. Een vol algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet.

d. De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarover vrijwillige premiebetaling krachtens hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet heeft plaatsgevonden.

e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd gelegen tussen de tijdstippen waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt.

f. Diensttijd, waarnaar een pensioen geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk in dienstverhouding is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de dienstverhouding waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is of zou worden bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zoveel mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.

g. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het ouderdomspensioen, de uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet in termijnen te worden uitbetaald.

Tweede hoofdstuk. Samenloop van pensioen met algemeen ouderdomspensioen

Artikel 11

1.Indien een tijdvak, waarop het algemeen ouderdomspensioen moet worden

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x