Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  AANSPRAKELIJKHEID  KERNONGEVALLEN

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 17 maart 1979, houdende regelen inzake aansprakelijkheid voor schade door kernongevallen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt door kernongevallen, in verband met het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie en het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van eerstgenoemd Verdrag;
    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

Verdrag van Parijs: het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (Trb. 1961, 27; 1962, 64), zoals dit Verdrag is gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 178) en bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1983, 80);

Verdrag van Brussel: het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van het Verdrag van Parijs (Trb. 1963, 171), zoals dit Verdrag is gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 179) en bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1983, 81);

Gezamenlijk Protocol: het op 21 september 1988 te Wenen tot stand gekomen Gezamenlijk Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs (Trb. 1988, 160);

kernongeval, kerninstallatie, nucleaire stoffen, exploitant en schade: hetgeen daaronder in het Verdrag van Parijs wordt verstaan.

2.Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens het Verdrag van Parijs, het Verdrag van Brussel en deze wet wordt als exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie aangemerkt degene, die daartoe bevoegd zijnde, in Nederland een kerninstallatie opricht, in werking brengt of in werking houdt. Verlies van die bevoegdheid door intrekking of schorsing van de betrokken vergunning of ontheffing, doet de hoedanigheid van exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie niet verloren gaan voor zover betreft de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt door een kernongeval, waarbij betrokken zijn splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen ten aanzien waarvan hij ten tijde van het verlies van zijn bevoegdheid aansprakelijk was of ten gevolge van op dat tijdstip reeds aangegane verplichtingen aansprakelijk zou zijn geworden, een en ander totdat zijn aansprakelijkheid als exploitant door een ander is overgenomen.

 

Hoofdstuk II. Uitvoering van het Verdrag van Parijs

 

Artikel 2

Bij de toepassing van het Verdrag van Parijs worden de bepalingen van deze wet in acht genomen.

 

Artikel 2a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Indien de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie aantoont dat de door een kernongeval veroorzaakte schade geheel of gedeeltelijk het gevolg is van hetzij grove nalatigheid van de persoon die de schade lijdt, hetzij een handelen of nalaten van die persoon met het opzet schade te veroorzaken, kan de bevoegde rechter de exploitant geheel of gedeeltelijk ontslaan van de verplichting schadevergoeding te betalen ter zake van de door die persoon geleden schade.

 

Artikel 3

De in artikel 9 van het Verdrag van Parijs genoemde uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een kernongeval dat rechtstreeks is te wijten aan een ernstige natuurramp van uitzonderlijke aard, is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie.

 

Artikel 4

Iedere persoon die met betrekking tot door een kernongeval veroorzaakte schade waarvoor de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie aansprakelijk is, schadevergoeding heeft betaald krachtens de bepalingen van een andere internationale overeenkomst dan de Verdragen van Parijs en Brussel of de wetgeving van andere Staten, verkrijgt de rechten ingevolge deze wet van de persoon die schade heeft geleden en aan wie hij de schadevergoeding heeft betaald, tot het bedrag dat hij heeft betaald. Artikel 6, onder (g), van het Verdrag van Parijs is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 5

1. Het maximumbedrag van de aansprakelijkheid van de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie wordt overeenkomstig artikel 7, onder (b) (i), van het Verdrag van Parijs vastgesteld op Ä 1,2 miljard.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan, gelet op de mogelijkheden tot het verkrijgen van dekking, het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag worden gewijzigd.

3. In de gevallen waarin naar het oordeel van Onze Minister van FinanciŽn de aard van de desbetreffende kerninstallatie of van de desbetreffende nucleaire stoffen, alsmede de te verwachten gevolgen van een ongeval waarbij deze betrokken zijn dit rechtvaardigt, kan hij in overeenstemming met Onze Minister van Justitie het ingevolge het eerste en tweede lid geldende maximumbedrag van de aansprakelijkheid van de betrokken exploitant op een lager bedrag vaststellen.

 

Artikel 6

Op verzoek van een vervoerder en met toestemming van de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie kan Onze Minister van FinanciŽn, indien voldaan is aan de vereisten van artikel 10, onder (a), van het Verdrag van Parijs, bepalen, dat onder door hem te stellen voorwaarden die vervoerder in de plaats van die exploitant aansprakelijk zal zijn overeenkomstig het Verdrag van Parijs en deze wet.

 

Artikel 7

1.Onverminderd de vervaltermijnen, genoemd in het tweede, vierde en vijfde lid, verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag waarop de betrokkene of, indien hij een wettelijke vertegenwoordiger heeft, deze laatste kennis draagt of redelijkerwijs kennis had behoren te dragen van de schade en van de aansprakelijke exploitant.

2.Het recht op schadevergoeding vervalt:

a. ter zake van schade aan personen, indien niet binnen dertig jaren na de datum van het kernongeval een rechtsvordering is ingesteld;

b. ter zake van alle andere schade, indien niet binnen tien jaren na de datum van het kernongeval een rechtsvordering is ingesteld.

3.Voor de aansprakelijkheid van de exploitant met betrekking tot alle vorderingen tot schadevergoeding welke zijn ingesteld na een termijn van tien jaren na de datum van het kernongeval, doch voor het verstrijken van een termijn van dertig jaren na het kernongeval, worden door de Minister van FinanciŽn verzekeringsovereenkomsten aangegaan of andere garanties verstrekt als bedoeld in artikel 9.

4.Rechtsvorderingen tot schadevergoeding ingesteld na een termijn van tien jaren na de datum van het kernongeval laten onverlet het recht op schadevergoeding van een ieder die een rechtsvordering heeft ingesteld binnen die termijn.

5.In geval van schade veroorzaakt door een kernongeval waarbij splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen zijn betrokken die ten tijde van het ongeval zijn gestolen, verloren, geworpen of verlaten en niet opnieuw in bezit zijn genomen, vervalt het recht op schadevergoeding twintig jaren na de datum van de diefstal, het verlies, de werping of het verlaten.

 

Artikel 8

1.Het bevoegde openbare gezag, bedoeld in artikel 10, onder (a) en (b), van het Verdrag van Parijs, is Onze Minister van FinanciŽn.

2.Onze Minister van FinanciŽn kan in overeenstemming met Onze Ministers, wie het mede aangaat, bepalen, dat twee of meer kerninstallaties, welke door eenzelfde exploitant op hetzelfde terrein worden geŽxploiteerd, met inbegrip van iedere andere opstal op dat terrein waar zich radioactieve stoffen bevinden, voor de toepassing van het Verdrag van Parijs en van deze wet als ťťn kerninstallatie worden beschouwd.

 

Artikel 9

Indien een exploitant van een in Nederland gelegen

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x