Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  AGRARISCH  GRONDVERKEER  (Wag)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Beschikking grondbankstelsel
- Besluit grondbankstelsel
- Regeling inrichting landelijk gebied
- Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
- Uitvoeringsbesluit pacht
- Uitvoeringsregeling pacht

 

 

WET van 26 maart 1981, houdende regeling van het agrarisch grondverkeer

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot een toetsing bij de vervreemding van landbouwgronden en natuurterreinen ter bevordering van een evenwichtige prijsontwikkeling, alsmede met betrekking tot de totstandkoming van een voorkeursrecht voor het bureau beheer landbouwgronden bij de verwerving van landbouwgronden en natuurterreinen.
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Titel I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

landbouw: akkerbouw, veehouderij - daaronder begrepen intensieve veehouderij -, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, bosbouw en elke andere vorm van bodemcultuur;

land: landbouwgrond en natuurterreinen;

landbouwgrond: grond, waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend;

natuurterreinen: heidevelden, hoogveenterrein, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voor zover het geen landbouwgrond is;

beperkt recht: het recht van erfpacht, opstal, beklemming of vruchtgebruik;

vervreemding: de overdracht in eigendom of de toedeling van een onroerende zaak alsmede de overdracht of toedeling dan wel vestiging van een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen;

vervreemder: de eigenaar van een onroerende zaak of de rechthebbende op een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen, die tot vervreemding wenst over te gaan, alsmede degene die bij ontbinding van een gemeenschap met de vereffening is belast en tot vervreemding wenst over te gaan;

bedrijf: een complex, bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond dienende tot uitoefening van de landbouw;

bedrijfsleider: de natuurlijke persoon die leiding geeft aan een in de vorm van een privaatrechtelijke rechtspersoon gedreven bedrijf;

bureau: bureau beheer landbouwgronden als bedoeld in artikel 28;

hoofdberoep: het beroep, waaruit een persoon in overwegende mate zijn inkomsten trekt.

Artikel 2 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

1. De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte van levering, vereist voor de vervreemding, vindt alleen plaats indien onder de akte of een ander ter inschrijving aan te bieden stuk een notariŽle verklaring is opgenomen, dat bij de vervreemding voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.

2. Voldaan is aan het bepaalde bij of krachtens deze wet indien:

a. de onroerende zaak waarop de vervreemding betrekking heeft, gelegen is in een op grond van artikel 3 omschreven gebied;

b. de grondkamer verklaart dat de overeenkomst is goedgekeurd dan wel de toestemming als bedoeld in artikel 18 is verleend, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Titels II of III, en tevens dat het betreft een vervreemding van land dat niet is opgenomen in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, derde lid, dan wel dat de vervreemding geschiedt met inachtneming van het voorkeursrecht van het bureau;

c. de grondkamer verklaart dat de onroerende zaak waarop de vervreemding betrekking heeft, geen land is.

3. In geval artikel 60 van toepassing is, wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, indien de in het eerste lid bedoelde notariŽle verklaring van de toepassing van artikel 60 melding maakt, en tevens inhoudt dat de vervreemding betreft een onroerende zaak die niet is opgenomen in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, derde lid, dan wel dat de vervreemding geschiedt met inachtneming van het voorkeursrecht van het bureau.

4. De in dit artikel bedoelde verklaringen vermelden de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak, waarop de vervreemding betrekking heeft. Zij hebben een geldigheidsduur van zes maanden.

Artikel 3

1. De verklaring van de grondkamer bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, is niet vereist ten aanzien van een vervreemding met betrekking tot een onroerende zaak die gelegen is in een gebied waarvan bij besluit van burgemeester en wethouders is verklaard, dat daarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gelegen zijn onroerende zaken, die duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden worden gebruikt en die niet als natuurterrein dienen te worden aangemerkt.

2. Op de voorbereiding van het in het eerste lid bedoelde besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

3. Het besluit vermeldt, onder verwijzing naar een bijgevoegde kadastrale kaart, de kadastrale aanduiding van de binnen dit gebied liggende onroerende zaken.

4. Burgemeester en wethouders verstrekken een exemplaar van het besluit en de bijbehorende kadastrale kaart aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de omschrijving en de aanduiding van het gebied.

Artikel 4

Voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, wordt met de daar bedoelde notariŽle verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon die een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld en daartoe krachtens artikel 91 van de Overgangswet van het nieuwe Burgerlijk Wetboek bevoegd was.

Artikel 5

Na de inschrijving van een akte kan de nietigheid wegens niet inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet niet meer worden ingeroepen.

Titel II. Overdracht van land en vestiging of overdracht van een beperkt recht op land

Artikel 6

1. Een overeenkomst tot vervreemding van land behoeft de goedkeuring van de grondkamer.

2. Een overeenkomst tot vervreemding van land wordt goedgekeurd, indien het betreft:

a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is verzorgd en opgevoed;

b. een overeenkomst tot vervreemding van land aan het bureau of aan door Ons aan te wijzen in het algemeen belang werkzame rechtspersonen;

c. een overeenkomst tot vervreemding van land, voor zover het betreft overhoeken, waarvan de vervreemding plaatsvindt als onderdeel van een overeenkomst als bedoeld in onderdeel j;

d. een overeenkomst tussen pachter en verpachter ter uitoefening van het voorkeursrecht van de pachter als bedoeld in afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

e. een ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, welke voldoet aan door Onze Minister te stellen eisen;

f. een overeenkomst tot vervreemding van land, waarvan de oppervlakte 50 are niet te boven gaat, dat een eenheid vormt met een opstal, welke niet dient ter uitoefening van de landbouw. Indien de opstal doorgaans dient ter uitoefening van de landbouw, dient de verwerver aannemelijk te maken dat hij de opstal voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken;

g. een overeenkomst, waarbij de verwerver aannemelijk maakt, dat hij landbouwgrond voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen gebruiken, en uit een verklaring van burgemeester en wethouders blijkt, dat die doeleinden niet in strijd zijn met een geldend of een in ontwerp ter inzage gelegd bestemmingsplan;

h. een overeenkomst van verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap, een ontbonden gemeenschap van een geregistreerd partnerschap of een nalatenschap;

i. vervreemding ingevolge een uiterste wilsbeschikking;

j. een overeenkomst tot vervreemding van land aan de Staat, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1950, K 120), een waterschap, een veenschap of een veenpolder;

k. een overeenkomst tot vervreemding van land door het bureau aan de Staat, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een veenschap, een veenpolder of aan een door Ons aan te wijzen in het algemeen belang werkzame rechtspersoon.

3. Een overeenkomst tot vervreemding van land tussen bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de tweede graad wordt goedgekeurd, indien voldaan wordt aan de vereisten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of artikel 9, onder c.

4. Wij kunnen voorschriften verbinden aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onder b. Deze voorschriften kunnen beperkingen inhouden. De aanwijzing wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

5. Burgemeester en wethouders beslissen binnen dertig dagen na de indiening van een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder g. Indien burgemeester en wethouders binnen de gestelde termijn geen beslissing hebben genomen, kan de afgifte van een verklaring worden gevraagd aan gedeputeerde staten die binnen dertig dagen nadien beslissen.

6. De in het tweede lid, onder g, bedoelde verklaringen zijn geldig gedurende zes maanden na de dagtekening, tenzij het college, dat de verklaring afgeeft daarop een kortere geldigheidsduur vermeldt.

7. Het bepaalde in het tweede lid, onder j, vindt slechts toepassing indien het betreft landbouwgrond gelegen in een bestemmingsplan waar een niet-agrarische bestemming geldt of waarvan de betrokken overheid verklaart dat het gebruik anders dan landbouwkundig zal zijn. Omtrent deze verklaring kunnen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld.

8. Indien het betreft landbouwgrond waarvoor geen verklaring als bedoeld in het vorige lid wordt overgelegd, wordt de overeenkomst goedgekeurd, indien een goedgekeurde overeenkomst of ontwerp-overeenkomst wordt overgelegd, waarbij de betrokken overheid wederom tot vervreemding van de landbouwgrond overgaat.

Artikel 7

1. Een overeenkomst tot vervreemding van een

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x