Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  BALANSVERKORTING  GELDELIJKE  STEUN  VOLKSHUISVESTING

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting

 

 

WET van 31 mei 1995, houdende balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorschriften te geven, strekkend tot structurele wijziging en vereenvoudiging van verleende geldelijke steun ten behoeve van de volkshuisvesting;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

1.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

a. toegelaten instelling: voor 1 januari 1995 ingevolge artikel 70 van de Woningwet als zodanig aangewezen instelling,

b. woningen: te verhuren of verhuurde woningen, bejaardenwoningen, wooneenheden in verzorgingstehuizen voor bejaarden en te verhuren of verhuurde woningen en wooneenheden in woongebouwen met een bijzonder karakter,

c. bijdrage: ingevolge de desbetreffende regeling of deze wet te ontvangen jaarlijkse bijdrage of bijdrage ineens,

d. woongelegenheid: woning of bejaardenoord als bedoeld in de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet,

e. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

2.Voor de toepassing van deze wet wordt, voor zover niet anders is bepaald, onder toegelaten instelling mede verstaan een instelling welke na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 ingevolge artikel 70 van de Woningwet als zodanig is aangewezen.

 

Artikel 2

1.Onze Minister stelt voor elke in een gemeente werkzame toegelaten instelling afzonderlijk de som vast van de contante waarden op 1 januari 1995 van de, uit hoofde van geldelijke steun aan de gemeente verleend krachtens artikel 67 van de Woningwet 1962 of artikel 56 van de Woningwet 1901 met het oog op de toepassing van artikel 60 onderscheidenlijk artikel 51 van die wetten, op of na die datum te ontvangen bijdragen voor woningen welke op die datum in eigendom zijn van die toegelaten instelling of die zijn onderworpen aan een recht van erfpacht dat toebehoort aan die toegelaten instelling.

2.Het in het eerste lid bepaalde geldt mede voor de geldelijke steun voor woningen die deel uitmaken van het op of na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van een andere rechtspersoon zonder winstoogmerk verworven totale bezit aan woningen die deel uitmaakten van een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van die wet.

3.Het eerste lid is voor de gemeente van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door die gemeente te ontvangen bijdragen voor woningen, in eigendom van de gemeente zelf.

 

Artikel 3

1.Onze Minister stelt de in artikel 2 bedoelde som vast op grond van de hem ter beschikking staande gegevens.

2.Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, verzoekt Onze Minister de gemeente en de toegelaten instelling binnen een door hem gestelde termijn de gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig zijn voor nadere vaststelling van de in artikel 2 bedoelde som.

3.Onze Minister stelt de in artikel 2 bedoelde som nader vast binnen een jaar na het verstrijken van de door hem krachtens het tweede lid gestelde termijn doch in elk geval binnen vijf jaar na de in het eerste lid bedoelde vaststelling.

 

Artikel 4

1.Voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 wordt voor het tijdvak van de geldigheidsduur van de beschikkingen tot verlening van bijdragen met een ingangsdatum voor 1 januari 1995 overeenkomstig de desbetreffende regelingen uitgegaan van de jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten, het rendement over het geļnvesteerd vermogen en de jaarlijkse stijging van de huur als in die beschikkingen is vermeld.

2.Voor het tijdvak na het verstrijken van de geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde beschikkingen overeenkomstig de desbetreffende regelingen wordt uitgegaan van:

a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 3 procent,

b. een rendement over het geļnvesteerd vermogen van 7 procent, en

c. een jaarlijkse stijging van de huur met 5 procent met ingang van 1 juli 1995.

3.Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 of de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als bedoeld in die regelingen, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:

a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 0 procent,

b. een rendement over het geļnvesteerd vermogen van 7 procent, en

c. een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent voor woningen voor welke op het tijdstip van toekenning van de geldelijke steun tevens een lening werd verstrekt als bedoeld in artikel 60, derde lid, onderdeel a, van de Woningwet 1962, en van 5 procent voor andere woningen.

4.Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als bedoeld in die regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:

a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 0 procent,

b. een rendement over het geļnvesteerd vermogen van 7 procent, en

c. een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent.

5.Onze Minister kan voor de toepassing van daarbij aan te geven krachtens de Woningwet 1962 of de Woningwet 1901 gegeven ministeriėle regelingen een ander percentage van de jaarlijkse stijging van de huur vaststellen.

 

Artikel 5

1.Een ingevolge de artikelen 2 en 3, eerste lid, gegeven beschikking heeft tot gevolg dat:

a. een verbintenis van het Rijk jegens de gemeente uit hoofde van geldelijke steun, verleend op grond van artikel 67 van de Woningwet 1962 of artikel 56 van de Woningwet 1901, teniet gaat, voor zover deze strekt tot betaling van bijdragen uit hoofde van verleende geldelijke steun over het tijdvak na de inwerkingtreding van de beschikking,

b. ten laste van het Rijk een verbintenis ontstaat tot betaling aan de gemeente van de ingevolge de artikelen 2 en 3, eerste lid, vastgestelde som,

c. vorderingen van het Rijk uit hoofde van leningen, aan de gemeente verstrekt krachtens artikel 67 van de Woningwet 1962 of artikel 56 van de Woningwet 1901 berekend naar de stand op 1 januari 1995, met inbegrip van de verschuldigde rente tot die datum in hun geheel opeisbaar worden,

d. de verbintenis van de gemeente jegens de toegelaten instelling uit hoofde van geldelijke steun, verleend op grond van

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x