Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  BELASTINGEN  OP  MILIEUGRONDSLAG  (Wbm)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit bodemkwaliteit
- Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
- Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag

 

 

WET van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belastingen op grondwater, afvalstoffen en uranium-235 in te stellen en deze tezamen met de in de Wet milieubeheer opgenomen verbruiksbelastingen van brandstoffen te vervatten in één wet belastingen op milieugrondslag;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting op leidingwater;

b. een afvalstoffenbelasting;

c. een belasting op kolen;

d. een energiebelasting.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

b. Onze Ministers: Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

c. GN-code: de code, bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256), zoals deze luidde op 19 oktober 1992 onderscheidenlijk, indien het minerale oliën betreft, op 1 januari 2002.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283), in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de laatstgenoemde datum in het eerste lid, onderdeel b, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen.

Hoofdstuk II [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2012]

Afdeling 6 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2012]

Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 12

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. leidingwater: water dat door een drinkwaterbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld, al dan niet van drinkwaterkwaliteit;

b. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;

c. afzonderlijke watervoorziening: landgebonden voorziening, niet zijnde een drinkwaterbedrijf, voor de winning of behandeling van water, dat met behulp van een leiding of distributienet als leidingwater ter beschikking wordt gesteld;

d. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;

e. particuliere installatie voor centrale watervoorziening: installatie voor de levering van water aan meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, welke installatie permanent is aangesloten op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening.

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 13

Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven op leidingwater.

Artikel 14

De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker.

Artikel 15

De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 16

1. De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meter.

2. Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meter bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers.

Artikel 17

1. De belasting wordt verschuldigd:

a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen:

1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede

2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode;

b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt en geen voorschotbedrag wordt ontvangen, op het tijdstip van de uitreiking van de factuur;

c. in overige gevallen op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 14, eerste lid, wordt de hoeveelheid leidingwater, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.

3. Onder de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen.

4. Indien de in het vierde lid bedoelde verrekening leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 18

1. Het tarief bedraagt voor het gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:

a. niet hoger is dan 300 kubieke meter: € 0,330 per kubieke meter;

b. hoger is dan 300 kubieke meter, maar niet hoger dan 50.000 kubieke meter: € 0,400 per kubieke meter;

c. hoger is dan 50.000 kubieke meter, maar niet hoger dan 250.000 kubieke meter: € 0,360 per kubieke meter;

d. hoger is dan 250.000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1.250.000 kubieke meter: € 0,260 per kubieke meter;

e. hoger is dan 1.250.000 kubieke meter: € 0,050 per kubieke meter.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor leidingwater € 0,330 per kubieke meter voor de totale hoeveelheid leidingwater die wordt geleverd aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de geleverde hoeveelheid in de periode die aanvangt met ingang van 1 januari 2014 en eindigt met ingang van 1 juli 2014 niet meegerekend.

4. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in het eerste lid, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van dit artikel.

Afdeling 5. Vrijstellingen

Artikel 19

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x