Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  BEREIKBAARHEID  EN  MOBILITEIT

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 4 juli 2002, houdende regels voor het heffen van mobiliteitstarieven ter zake van het rijden op de weg met een motorrijtuig en de ondersteuning van regionale mobiliteitsfondsen (Wet bereikbaarheid en mobiliteit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is ter verbetering van de bereikbaarheid van economische en andere centra over de weg en ter stroomlijning van de mobiliteit regels te stellen voor het heffen van mobiliteitstarieven ter zake van het rijden op de weg met een motorrijtuig, alsmede regels te stellen inzake de ondersteuning van regionale mobiliteitsfondsen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. motorrijtuig: een motorrijtuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;

c. mobiliteitstarief: een tarief als bedoeld in de artikelen 13, 21 en 26;

d. betaalpoort: het geheel van werken en andere voorzieningen op en aan de weg dat ertoe strekt een mobiliteitstarief te heffen;

e. expresbaan: een verkeersbaan, bestemd voor één rijrichting, van een weg die nog een andere verkeersbaan, bestemd voor dezelfde rijrichting, omvat, en waar het gebruik van de expresbaan aan een heffing kan zijn onderworpen die er toe strekt dat het verkeer op de expresbaan geen reistijd verliest wegens congestie;

f. tolweg: een weg waar ten behoeve van de bekostiging van de weg verkeersdeelnemers wegens het gebruik van de weg een specifieke bijdrage verschuldigd zijn;

g. tolbaan: een verkeersbaan, bestemd voor één rijrichting, van een weg die nog een andere verkeersbaan, bestemd voor dezelfde rijrichting, omvat, en waar ten behoeve van de bekostiging van de tolbaan verkeersdeelnemers wegens het gebruik van de tolbaan een specifieke bijdrage verschuldigd zijn.

 

Artikel 2

1.Deze wet is uitsluitend van toepassing op wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet.

2.Bij de toepassing van deze wet wordt de bij regeling van Onze Minister aangewezen EG-richtlijn in acht genomen.

3.Een wijziging van de richtlijn, bedoeld in het tweede lid, gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

 

Hoofdstuk 2. Mobiliteitstarieven

 

§ 2.1. Algemene bepalingen

 

Artikel 3

1.Onze Minister wijst in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de plaats van een betaalpoort op een weg, in beheer bij het Rijk, aan, en bepaalt voor welk mobiliteitstarief en voor welke rijrichting de betaalpoort is bestemd. Een aanwijzing als bedoeld in de eerste volzin heeft niet plaats indien te verwachten is dat de kosten van invordering van het desbetreffende mobiliteitstarief meer dan 20 procent van de opbrengst zullen bedragen.

2.Het bestuur van een waterschap, provinciale staten van een provincie of de raad van een gemeente wijst de plaats van een betaalpoort op een weg, in beheer bij dat openbaar lichaam, aan en bepaalt voor welk mobiliteitstarief en voor welke rijrichting de betaalpoort is bestemd. De aanwijzing behoeft de goedkeuring van de in het eerste lid genoemde ministers. De goedkeuring wordt geweigerd, indien:

a. de plaats van de betaalpoort niet voldoet aan artikel 14, onderscheidenlijk artikel 22, eerste lid;

b. te verwachten is dat de kosten van invordering van het desbetreffende mobiliteitstarief meer dan 20 procent van de opbrengst zullen bedragen, of

c. de aanwijzing van de betaalpoort naar verwachting ongewenste gevolgen heeft voor het gebruik van wegen die in dezelfde verbinding voorzien als de weg waarop de plaats voor de betaalpoort is aangewezen, of die in het verlengde zijn gelegen van de weg waarop de plaats voor de betaalpoort is aangewezen.

3.Onze Minister zendt het ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, alsmede een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld toe aan de beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 4

1.Een mobiliteitstarief wordt verschuldigd op het tijdstip waarop met een motorrijtuig met binnenlands of buitenlands kenteken, rijdend op de weg, een voor dat tarief aangewezen betaalpoort wordt gepasseerd in een voor die poort aangewezen rijrichting.

2.Een mobiliteitstarief wordt geheven van de houder van het motorrijtuig.

3.Een motorrijtuig wordt gehouden door degene:

a. op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994;

b. op wiens naam, indien het een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig betreft, terzake van de registratie van het betrokken motorrijtuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een kentekenbewijs is afgegeven;

c. die het motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven, feitelijk ter beschikking heeft.

4.Als motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven, wordt niet aangemerkt een motorrijtuig waarvoor ingevolge artikel 37 van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, daarvan, het voorzien zijn van een kenteken ter zake van het gebruik van de weg niet is voorgeschreven.

 

Artikel 5

De mobiliteitstarieven worden geheven en ingevorderd met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

 

Artikel 6

1.Een verschuldigd geworden mobiliteitstarief wordt op aangifte voldaan, voor zover dat tarief niet op aangifte is voldaan op de voet van het vierde lid.

2.Het passeren van een betaalpoort met een motorrijtuig wordt aangemerkt als het doen van aangifte.

4.In afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt het verschuldigd geworden mobiliteitstarief onverwijld na het doen van aangifte betaald. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld inzake de voldoening.

4.Een mobiliteitstarief kan op elektronische wijze worden geheven. De aangifte wordt alsdan op elektronische wijze gedaan op het tijdstip dat een betaalpoort wordt gepasseerd, door het in werking stellen van op de betaalpoort aanwezige betalingsapparatuur gelijktijdig met betaling van het verschuldigde mobiliteitstarief. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld inzake de elektronische aangifte en voldoening.

5.Hoofdstuk II van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is, met uitzondering van artikel 8, tweede lid, niet van toepassing op de in het tweede en het vierde lid bedoelde aangiften.

 

Artikel 7

Vrijstelling van de mobiliteitstarieven kan, onder voorwaarden en

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x