Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  BEVORDERING  EIGENWONINGBEZIT  (Wbe)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Regeling koopsubsidiegrenzen 2014

 

 

WET van 11 december 2000, houdende nieuwe regels over het toekennen van bijdragen aan lagere inkomensgroepen ten behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven bewonen van een eigen woning (Wet bevordering eigenwoningbezit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen omtrent het aan mensen in lagere inkomensgroepen toekennen van een bijdrage ten behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven bewonen van een eigen woning;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

ß 1. Definities

Artikel 1. Definities

1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bestaande woning: woning die al voor de eigendomsoverdracht werd bewoond;

b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woning is gelegen waarop de eigenwoningbijdrage betrekking heeft;

c. bijdragejaar: jaar dat begint met de eerste volle kalendermaand waarin degene die de eigenwoningbijdrage aanvraagt de woning in eigendom heeft verkregen en loopt tot en met de elfde daaropvolgende kalendermaand, en de direct daarop aansluitende jaren;

d. eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die, alleen of gezamenlijk met een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben;

e. eigenwoningbijdrage: financiŽle bijdrage krachtens deze wet;

f. financieringslast: te betalen bedrag aan rente over en aflossing van de hypothecaire lening, blijkens de geldleningsovereenkomst;

g. financieringslastnorm: gedeelte van de financieringslast dat per maand ten minste voor rekening van de eigenaar-bewoner blijft, uitgedrukt in een percentage van het toetsinkomen;

h. fiscaal effect: naar een maandbedrag herrekend jaarlijks terugkerend belastingvoordeel dat een huishouden met een eigen woning heeft ten opzichte van andere huishoudens, gebaseerd op aftrekbaarheid van het blijkens de geldleningsovereenkomst te betalen bedrag aan rente over de hypothecaire lening enerzijds, en bijtelling van het eigenwoningforfait anderzijds;

i. nieuwbouwwoning: woning die voor de eigendomsoverdracht nooit bewoond is geweest;

j. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;

k. opslagpercentage: percentage waarmee de financieringslastnorm ten hoogste kan worden vermeerderd;

l. peildatum: eerste dag van het vijfjaarstijdvak, respectievelijk in artikel 40, eerste dag die volgt op het derde vijfjaarstijdvak;

m. peiljaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar;

n. primaire toekenning: toekenning van de eigenwoningbijdrage voor het eerste vijfjaarstijdvak;

o. toetsinkomen: toetsinkomen, bepaald volgens artikel 3;

p. toetsrente: rentetarief waartegen een hypothecaire lening kan worden afgesloten;

q. toetsvermogen: toetsvermogen, bedoeld in artikel 4;

r. vijfjaarstijdvak: aaneengesloten periode van vijf bijdragejaren;

s. woning: gebouwde onroerende zaak voor zover deze bestemd is om als zelfstandige woonruimte te worden gebruikt alsmede de onroerende aanhorigheden.

2.In deze wet, behoudens artikel 20, en de daarop berustende bepalingen wordt onder bestaande woning, nieuwbouwwoning en woning mede verstaan de daarbij behorende grond.

Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2006]

ß 2. Overige begripsomschrijvingen

Artikel 2. Bewoningssituatie

1. Degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, zijn de eigenaar-bewoner en:

a. zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner, of

b. degene die gezamenlijk met de eigenaar-bewoner de woning bewoont en daarin met hem een gezamenlijke huishouding voert, niet zijnde een bloed- of aanverwant van de eigenaar-bewoner of een pleegkind.

2. Naast de eigenaar-bewoner kan slechts ťťn andere persoon tot diens huishouden behoren.

3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet had bereikt op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciŽn van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, en waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b;

b. tweepersoonshuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen, afkomstig van degenen die op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciŽn van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hadden bereikt, de helft of minder bedraagt;

c. eenpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciŽn van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, en waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b;

d. tweepersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen, afkomstig van degenen die op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciŽn van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hadden bereikt, meer dan de helft bedraagt.

Artikel 3. Toetsinkomen

1.Het toetsinkomen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is de ten aanzien van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner berekende som van de toetsinkomens in de zin van de voorwaarden en normen voor de onder auspiciŽn van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, zoals deze jaarlijks in de Staatscourant worden gepubliceerd.

2.Bij de bepaling van de som volgens het eerste lid wordt elk toetsinkomen dat negatief is, op nul gesteld.

3.Met betrekking tot de controle van het toetsinkomen maakt Onze Minister gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 4. Toetsvermogen

1.Het toetsvermogen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner in het peiljaar.

2.Onder vermogen wordt verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.

3.De inspecteur, onder wie de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting, verstrekt op verzoek van Onze Minister over het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin die eigenaar-bewoner de eigenwoningbijdrage heeft aangevraagd, het vermogen, bedoeld in het tweede lid, van de desbetreffende eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort, aan Onze Minister.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2007]

Hoofdstuk 2. Het recht op de eigenwoningbijdrage voor het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning

ß 1. Het recht op de eigenwoningbijdrage

Artikel 6. Omschrijving recht

1.Als aan deze wet wordt

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x