Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

 

WET  BEZOLDIGING  RAAD  VAN  STATE  EN  ALGEMENE  REKENKAMER

Tekst zoals deze geldt op 23 januari 2009

Vervallen m.i.v. 13 februari 2009

(Zie Wet rechtspositie RvS, ARK en No)

 

 

 

 
WET van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer opnieuw te regelen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Bezoldiging vice-president van de Raad van State en staatsraden

Artikel 1

1. De bezoldiging van de vice-president van de Raad van State wordt bepaald op € 10.123,39 per maand. De bezoldiging van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt bepaald op € 9501,91. De bezoldiging van de overige staatsraden wordt bepaald op € 8919,86 per maand.

2. Het genot van de bezoldiging vangt aan met de dag van indiensttreding. De bezoldiging wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.

3. Na het overlijden van de vice-president of van een staatsraad wordt een uitkering uitgekeerd op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

Artikel 2

1. Boven en behalve de bezoldiging, genoemd in artikel 1, ontvangen de vice-president en de staatsraden een uitkering ter zake van veeljarige dienst, een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een vergoeding van verplaatsingskosten en een vergoeding van telefoonkosten op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

2. Boven en behalve de bezoldiging, genoemd in artikel 1, ontvangen de staatsraden een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de vergoeding van reis- en verblijfkosten welke de vice-president ontvangt.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de vergoeding voor kosten die aan de vervulling van het ambt van vice-president of staatsraad zijn verbonden en die voor eigen rekening komen.

Artikel 3

1. Staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State, ontvangen een bezoldiging die een zodanig deel van de bezoldiging van een staatsraad bedraagt als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te verrichten taak.

2. De overige staatsraden in buitengewone dienst genieten als zodanig geen bezoldiging. Zij ontvangen voor het deelnemen aan de werkzaamheden van de Raad van State of zijn afdelingen een bij algemene maatregel van bestuur te regelen vergoeding. Wanneer zij buiten 's-Gravenhage of één der aangrenzende gemeenten woonachtig zijn, worden bovendien hun reis- en verblijfkosten vergoed op voet van de bepalingen geldende voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten voor burgerlijke Rijksambtenaren.

3. Het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, en artikel 2, eerste, tweede en vierde lid geldt mede voor staatsraden in buitengewone dienst, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de Raad van State.

Hoofdstuk II. Bezoldiging voorzitter en overige leden van de Algemene Rekenkamer

Artikel 4

1. De bezoldiging van de president van de Algemene Rekenkamer wordt bepaald op € 10.123,39 per maand, die van de overige leden in gewone dienst op € 8919,86 per maand.

2. Het genot van de bezoldiging vangt aan met de dag van indiensttreding. De bezoldiging wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.

3. Na het overlijden van de president of van een ander lid in gewone dienst wordt een uitkering uitgekeerd op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

Artikel 4a

1. Boven en behalve de bezoldiging, genoemd in artikel 4, ontvangen de president en de overige leden in gewone dienst een uitkering ter zake van veeljarige dienst, een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een vergoeding van verplaatsingskosten en een vergoeding van telefoonkosten op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

2. Boven en behalve de bezoldiging, genoemd in artikel 4, ontvangen de leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer, met uitzondering van de president, een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de vergoeding van reis- en verblijfkosten welke de president ontvangt.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de vergoeding voor kosten die aan de vervulling van het ambt van president of lid in gewone dienst zijn verbonden en die voor eigen rekening komen.

Artikel 5

De leden in buitengewone dienst genieten als zodanig geen bezoldiging. Zij ontvangen voor het deelnemen aan de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer een bij algemene maatregel van bestuur te regelen vergoeding. Wanneer zij buiten 's-Gravenhage of één der aangrenzende gemeenten woonachtig zijn, worden bovendien hun reis- en verblijfkosten vergoed op de voet van de bepalingen geldende voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten voor burgerlijke Rijksambtenaren.

Hoofdstuk III

Artikel 6

Indien Wij in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel een wijziging aanbrengen en bepalen, dat die wijziging een algemeen karakter draagt, brengen Wij bij algemene maatregel van bestuur met ingang van de datum, waarop die wijziging ingaat, een overeenkomstige wijziging aan in de bezoldiging van de ingevolge deze wet bezoldigde functionarissen, onder nadere vaststelling, voor zoveel nodig, van de in de artikelen 1, eerste lid, en 4, eerste lid, genoemde bedragen.

Artikel 7

Het Reisbesluit 1971 (Stb. 1970, 602) wordt geacht mede ter uitvoering te zijn gegeven van de artikelen 2, derde lid, en 4A, derde lid.

Hoofdstuk IV

Artikel 8 [Vervallen per 13-01-1965]

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Artikel 9 [Vervallen per 23-04-1993]

Artikel 10 [Vervallen per 23-04-1993]

Artikel 11 [Vervallen per 23-04-1993]

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 11 september 1964

 

JULIANA

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus

De Minister van Financiën,
H.J. Witteveen

 

Uitgegeven de dertigste oktober 1964
De Minister van Justitie,
Y. Scholten

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x