Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  BODEMBESCHERMING  (Wbb)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
- Besluit bodemkwaliteit
- Besluit financiŽle bepalingen bodemsanering
- Besluit uniforme saneringen
- Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen
- Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006
- Regeling uniforme saneringen
- Stortbesluit bodembescherming
- Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

 

 

WET van 3 juli 1986, houdende regelen inzake bescherming van de bodem

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu regels te stellen ten einde de bodem te beschermen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemeen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;

bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;

belang van de bescherming van de bodem: het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van veranderingen van hoedanigheden van de bodem, die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft;

geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;

oriŽnterend onderzoek: onderzoek naar aanleiding van een vermoeden dat sprake is van een geval van verontreiniging;

nader onderzoek: onderzoek met betrekking tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is;

onderzoeksgeval: geval waarin oriŽnterend of nader onderzoek zal plaatsvinden of plaatsvindt;

saneren: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem;

geval van ernstige verontreiniging: geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd;

saneringsonderzoek: inventarisatie van de mogelijke wijzen van sanering, inhoudende een beschrijving van hun milieuhygiŽnische, technische en financiŽle aspecten, alsmede van de kwaliteit van de bodem die met de op die wijzen uitgevoerde sanering zal worden bereikt, uitmondend in een keuze van de wijze van sanering;

beheerder: beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;

gebiedsgerichte aanpak: aanpak die is gericht op de sanering van meerdere verontreinigingen van het diepere grondwater in een daartoe aangewezen gebied.

 

Hoofdstuk II. Technische commissie bodem

 

Artikel 2

Er is een Technische commissie bodem.

 

Artikel 2a

1. De commissie heeft tot taak Onze Minister desgevraagd te adviseren over de uitvoering van wettelijke voorschriften en beleid, voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden van technische aard op het gebied van de bodembescherming.

2. Een verzoek om advies omtrent een aangelegenheid die niet in de eerste plaats tot de verantwoordelijkheid van Onze Minister behoort, wordt door deze gedaan in overeenstemming met Onze Minister wie die aangelegenheid in het bijzonder aangaat.

3. Een advies omtrent een aangelegenheid als bedoeld in het tweede lid wordt door de commissie mede toegezonden aan Onze Minister wie deze aangelegenheid in het bijzonder aangaat.

 

Artikel 2b

Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het gebied van de bodembescherming.

 

Artikel 2c

Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 3

1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere leden.

2. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van de bodembescherming.

 

Artikel 3a

1. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij de voorzitter benoemt.

2. De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.

3. De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.

4. In bijzondere gevallen kunnen de voorzitter en de leden door Onze Minister in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden ontslagen.

 

Artikel 3b

1. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

2. De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.

3. In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.

 

Artikel 4

1. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris.

2. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd, in zijn functie geschorst en uit zijn functie ontslagen, de commissie gehoord.

3. De secretaris is geen lid van de commissie.

4. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

5. Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.

 

Artikel 5

1. De commissie kan zich bij haar werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de commissie.

2. Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de commissie ten hoogste ťťn van die ambtenaren aanwezig is.

 

Artikel 5a

1. De vergaderingen van de commissie zijn openbaar.

2. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.

 

Artikel 5b

1. De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.

2. Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of bij de adviezen vermeld.

 

Artikel 5c

De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x