Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  FINANCIERING  WEDEROPBOUW  PUBLIEKRECHTELIJKE  LICHAMEN

Tekst zoals deze geldt op 19 januari 2008

Vervallen m.i.v. 1 juli 2008

 

 

 

 
WET van 25 januari 1951, houdende een regeling met betrekking tot de toekenning van vergoedingen aan publiekrechtelijke en met een publiekrechtelijk lichaam gelijkgestelde lichamen terzake van schaden tengevolge van de oorlog en de bezetting

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om een wettelijke regeling te treffen met betrekking tot de toekenning van vergoedingen aan publiekrechtelijke en met een publiekrechtelijk lichaam gelijkgestelde lichamen terzake van schaden tengevolge van de oorlog en de bezetting;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. oorlogsschade: elke schade op of na 10 Mei 1940 tengevolge van de tweede wereldoorlog, als rechtstreeks gevolg van oorlogsgeweld, van handelingen of maatregelen van de vijand of van oorlogsomstandigheden, binnen Nederland toegebracht aan goederen;

b. wederopbouwplannen:

1į. de bij de inwerkingtreding van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting geldende wederopbouwplannen, bedoeld in artikel 18 van genoemde wet, alsmede de plannen, die met inachtneming van het tweede lid van genoemd artikel van kracht zijn geworden;

2į. de overeenkomstig het bepaalde in de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand gekomen bestemmingsplannen, waarover, alvorens omtrent goedkeuring is beslist, de Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen is gehoord, en welke zijn vastgesteld hetzij ter vervanging van plannen, als bedoeld onder 1į., hetzij in verband met verwoestingen, veroorzaakt door oorlogsgeweld of te beschouwen als uitvloeisel van de oorlog, dan wel ontstaan als gevolg van de op 31 januari/1 februari 1953 ingetreden watersnood, alsmede met het oog op vervanging van het verwoeste;

c. publiekrechtelijke lichamen: publiekrechtelijke lichamen, uitgezonderd de Staat, en andere lichamen, in hun betrekking tot goederen, welke door deze andere lichamen vůůr het tijdstip van de toebrenging der schade geheel of voor een overwegend deel met overheidsmiddelen of met door de overheid gegarandeerde geldleningen zijn verkregen, dan wel op dat tijdstip geheel of voor een overwegend deel met overheidsmiddelen werden in stand gehouden, en op dat tijdstip dienstbaar werden gemaakt aan een belang, waarvan de behartiging of de bevordering door de overheid hetzij rechtstreeks, hetzij op vorenaangegeven wijze in overwegende mate geschiedt;

d. toebehoren: in eigendom toebehoren, met dien verstande, dat, indien tengevolge van een overeenkomst, welke geen overeenkomst van verzekering is, aangegaan vůůr het tijdstip van de toebrenging der schade, op dat tijdstip het risico voor het goed werd gedragen door een ander dan de eigenaar, het goed wordt geacht in eigendom toe te behoren aan die ander.

Artikel 2

1. Verzoeken tot toekenning van vergoedingen op grond van deze wet dienen door de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen schriftelijk te worden gedaan aan Onze Minister van FinanciŽn.

2. Onze Minister van FinanciŽn kan bepalen, welke gegevens de verzoeken, bedoeld in het vorige lid, moeten bevatten.

3. Onze Minister van FinanciŽn kan een termijn bepalen, binnen welke de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn ingezonden.

4. In afwachting van de toekenning van vergoedingen kunnen door Onze Minister van FinanciŽn renteloze voorschotten worden toegekend.

Artikel 3

1. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 13, worden toegekend door Onze Minister van FinanciŽn, de Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord. In de regelen, bedoeld in artikel 15, kan worden bepaald in welke gevallen de commissie niet behoeft te worden gehoord.

2. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 10 en 11, worden toegekend door Onze Ministers van FinanciŽn, van Binnenlandse Zaken en van Wederopbouw en Volkshuisvesting, Gedeputeerde Staten en de Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord.

3. De vergoedingen, bedoeld in artikel 14, worden toegekend door Onze Minister van FinanciŽn.

4. De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 10, worden niet uitbetaald, tenzij de zekerheid bestaat, dat tot het bedrag der gevraagde uitbetaling uitgaven zijn of zullen worden gedaan voor het herstel van de oorlogsschade en de uitvoering van de wederopbouwplannen.

5. De met de toekenning van een vergoeding belaste Ministers kunnen bepalen, dat deze vergoeding slechts geleidelijk op nader door hen vast te stellen tijdstippen wordt uitbetaald, alsmede dat zij wordt toegekend, hetzij in de vorm van een uitkering van de hoofdsom, hetzij in de vorm van een redelijke vergoeding van rente en aflossing van door de publiekrechtelijke lichamen zelf gefinancierde bedragen.

Artikel 4

Een vergoeding wordt niet toegekend voor zover:

a. voor de vergoeding van de schade afzonderlijke wettelijke voorschriften gelden;

b. de schade door de schuld of de nalatigheid van de benadeelde is veroorzaakt of vergroot;

c. de schade op andere wijze is goedgemaakt;

d. de benadeelde op andere wijze voor de schade vergoeding verkregen heeft, kan verkrijgen of door zijn schuld niet heeft verkregen, behoudens de toepassing van artikel 12.

Artikel 5

1. Tegen de besluiten tot toekenning of weigering van een vergoeding, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10 en 11, kunnen de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen binnen drie maanden, te rekenen van de dag van verzending van het besluit, bij Ons voorziening vragen.

2. Tegen een besluit tot weigering van een vergoeding, bedoeld in de artikelen 13 en 14, kunnen de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen op gelijke wijze, als in het eerste lid is omschreven, bij Ons voorziening vragen, indien de weigering is gegrond op het feit, dat de belanghebbende geen publiekrechtelijk lichaam is. Bij een besluit tot weigering van een vergoeding, bedoeld in de artikelen 13 en 14, moet de reden van de weigering worden vermeld.

3. Indien bij Ons voorziening wordt gevraagd tegen een besluit, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9, wijken Wij van het advies van de Raad van State slechts af, indien Ons de voordracht mede wordt gedaan door Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Wederopbouw en Volkshuisvesting en, voorzover het waterstaatswerken dan wel cultuurtechnische werken betreft, mede door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, respectievelijk van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

Artikel 6

Onze Ministers van FinanciŽn, van Binnenlandse Zaken en van Wederopbouw en Volkshuisvesting kunnen bij gemeenschappelijke beschikking nadere regelen stellen tot uitvoering van deze wet.

Afdeling II. Vergoedingen

Artikel 7

1. Aan publiekrechtelijke lichamen worden van rijkswege vergoed de kosten van het herstel van oorlogsschade aan goederen, welke op het tijdstip van de toebrenging der schade aan deze lichamen of aan publiekrechtelijke lichamen, welker rechten en verplichtingen geheel op hen zijn overgegaan, toebehoorden en ten tijde van het herstel voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn. Indien het herstel verbetering inhoudt, wordt het bedrag dier kosten verminderd met een redelijke aftrek, welke vijf en twintig ten honderd niet te boven gaat.

2. Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde goederen na het tijdstip van de toebrenging der schade aan een publiekrechtelijk lichaam of aan een ander lichaam in eigendom zijn overgegaan ter voortzetting van de op dat tijdstip daarmede uitgeoefende taak, kan aan de nieuwe eigenaar een vergoeding worden toegekend tot het verschil tussen de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel berekende vergoeding en de overeenkomstig artikel 9 berekende vergoeding. De nieuwe eigenaar wordt, indien deze geen publiekrechtelijk lichaam is, in dit geval als een publiekrechtelijk lichaam aangemerkt.

3. Als kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts aangemerkt kosten van herstel in eenvoudige, doch deugdelijke vorm.

Artikel 8

1. In de gevallen van herbouw van schoolgebouwen, bedoeld in artikel 84 en in het eerste en vijfde lid van artikel 205 der Lager-onderwijswet 1920, daaronder begrepen wederaanschaffing en herstel van schoolmeubelen of van leer- of hulpmiddelen, wordt, in afwijking in zoverre van het bepaalde in het vorige artikel, een vergoeding toegekend, berekend overeenkomstig de artikelen 11, eerste en tweede lid, en 12 van de Wet op de MateriŽle Oorlogsschaden.

2. In de gevallen van herbouw, bedoeld in het vorige lid, wordt, mits deze in dezelfde gemeente plaats vindt, aan die gemeente een jaarlijkse vergoeding toegekend tot het bedrag, waarmede de op de voet van artikel 79, vijfde lid, der Lager-onderwijswet 1920 berekende rente over de kosten van het herstel der oorlogsschade, het bedrag der door de gemeente laatstelijk voor het oorspronkelijke schoolgebouw, de schoolmeubelen en leer- en hulpmiddelen daaronder begrepen, verschuldigde jaarlijkse uitkering, bedoeld in artikel 84 of in het eerste of vijfde lid van artikel 205 der Lager-onderwijswet 1920, overtreft. De jaarlijkse vergoeding wordt toegekend met ingang van het tijdstip, waarop de herbouw is voltooid, tot het tijdstip, waarop sedert de totstandkoming van het oorspronkelijke gebouw zestig jaren zijn verstreken.

Artikel 9

Aan publiekrechtelijke lichamen worden, indien de oorlogsschade bestaat uit het verlies van goederen, welke op het tijdstip van de toebrenging der schade aan deze lichamen of aan publiekrechtelijke lichamen, welker rechten en verplichtingen geheel op hen zijn overgegaan, toebehoorden en niet voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn, van rijkswege vergoedingen toegekend tot dekking van de op dat tijdstip op die lichamen ter zake van die goederen rustende geldelijke verplichtingen. Voor zover goederen gedeeltelijk zijn verloren gegaan, wordt de vergoeding gesteld op een evenredig deel van die geldelijke verplichtingen.

Artikel 10

Aan gemeenten worden van rijkswege vergoed de uiteindelijk te haren laste blijvende kosten van uitvoering van wederopbouwplannen, voor zover deze plannen een rechtstreeks gevolg zijn van in die gemeenten aangerichte oorlogsschade.

Artikel 11

Aan publiekrechtelijke lichamen worden van rijkswege vergoed de uiteindelijk te hunnen laste blijvende kosten van niet op hun verzoek door of vanwege het Rijk in verband met oorlogsschade te hunnen name uitgesproken onteigeningen, geen deel uitmakende van een wederopbouwplan, voor zover deze lichamen door de onteigeningen niet zijn gebaat.

Afdeling III. Molestverzekering

Artikel 12

1. Bij de vaststelling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8, eerste lid, en 9, is artikel 92 van de Wet op de MateriŽle Oorlogsschaden, met uitzondering van de laatste zin van het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

2. Voorts is van overeenkomstige toepassing artikel 93 van de Wet op de MateriŽle Oorlogsschaden, met dien verstande, dat de aldaar bedoelde bevrijding van de verbintenissen uit de verzekeringsovereenkomst plaats vindt tot het bedrag van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, 8, eerste lid, en 9 dezer wet, terwijl de in het zesde lid van genoemd artikel 93 bedoelde schatting plaats vindt door Onze Minister van FinanciŽn.

Afdeling IV. Bijzondere vergoedingen

Artikel 13

1. Aan publiekrechtelijke lichamen kunnen van rijkswege vergoedingen worden toegekend voor schaden, niet zijnde oorlogsschade, voor zover die schaden bestaan uit gemis van opbrengst van goederen en uit onvermijdelijke uitgaven als onmiddellijk gevolg van het in gebruik nemen of gebruiken van die goederen door vijandelijke bestuursorganen, politie-organen of militaire organisaties.

2. Artikel 105, veertiende, vijftiende en zestiende lid, van de Wet op de MateriŽle Oorlogsschaden is niet van toepassing op publiekrechtelijke lichamen.

Artikel 14

Aan publiekrechtelijke lichamen kunnen van rijkswege vergoedingen worden toegekend voor andere, door Onze Minister van FinanciŽn, de Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen gehoord, aan te wijzen schaden tengevolge van de oorlog en de bezetting.

Afdeling V. Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen

Artikel 15

1. Er wordt ingesteld een Commissie Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen.

2. De commissie dient van advies bij de uitvoering dezer wet naar door Onze Ministers van FinanciŽn, van Binnenlandse Zaken en van Wederopbouw en Volkshuisvesting bij gemeenschappelijke beschikking te stellen regelen. De beschikking wordt openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. De commissie dient tevens desgevraagd de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur van advies over andere onderwerpen, welke met de financiering van de publieke wederopbouw verband houden.

3. De commissie bestaat uit zes leden. Onze voornoemde Ministers wijzen ieder twee leden aan.

4. Bij gemeenschappelijke beschikking van Onze voornoemde Ministers kunnen buitengewone leden aan de commissie worden toegevoegd.

Afdeling VI. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16

De op grond van het Besluit bijdragen wederopbouw publiekrechtelijke lichamen (Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied 1941, no. 18) en op grond van het Besluit op de bezettingschaden (Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied 1942, no. 30) aan publiekrechtelijke lichamen toegekende bijdragen en vergoedingen worden op verzoek van de belanghebbende publiekrechtelijke lichamen met inachtneming van het in deze wet bepaalde opnieuw vastgesteld.

Artikel 17

De op grond van de in het vorige artikel genoemde besluiten ingediende verzoeken tot toekenning van bijdragen en vergoedingen aan publiekrechtelijke lichamen, op welke nog geen beslissing is genomen, worden geacht te zijn ingediend op grond van deze wet.

Artikel 18

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 19

Deze wet, welke kan worden aangehaald onder de titel "Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen", treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle MinisteriŽle Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 25 Januari 1951.

 

JULIANA

 

De Minister van FinanciŽn,
P. Lieftinck

De Minister van Binnenlandse Zaken,
Teulings

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
In 't Veld

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.G.W. Spitzen

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt

 

Uitgegeven de zesde Februari 1951
De Minister van Justitie,
Struycken

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x