Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  GEMEENTELIJKE  BASISADMINISTRATIE  PERSOONGEGEVENS  (Wet GBA)

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2013

Vervallen m.i.v. 6 januari 2014

(Zie Wet basisregistratie personen)

 

 

 

 
WET van 9 juni 1994, houdende regels ter zake van de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, ter bevordering van de doelmatige voorziening van persoonsgegevens, in het bijzonder bij de vervulling van publiekrechtelijke taken, regels te stellen ter zake van de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens, en dat daarbij ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– Onze minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

– persoonslijst: het geheel van gegevens als bedoeld in artikel 34, eerste lid, over één persoon in een basisadministratie;

– authentiek gegeven: een in de basisadministratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek wordt aangemerkt;

– inschrijving: de opneming van een persoonslijst in een basisadministratie;

– ingeschrevene: degene ten aanzien van wie een persoonslijst in een basisadministratie is opgenomen;

– ingezetene: de ingeschrevene op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van zijn vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen;

– gemeente van inschrijving: de gemeente waarbij een persoonslijst is opgenomen in de basisadministratie;

– uitschrijving: de overdracht van een persoonslijst door de gemeente van inschrijving aan de volgende gemeente van inschrijving;

– vreemdeling: degene die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld;

– de aangifte van verblijf en adres: de aangifte, bedoeld in artikel 65;

– de aangifte van adreswijziging: de aangifte, bedoeld in artikel 66;

– de aangifte van vertrek: de aangifte, bedoeld in artikel 68;

– woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

– briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

– adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres;

– burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

– afnemer: een bestuursorgaan;

– binnengemeentelijke afnemer: elke afnemer die een orgaan is van de gemeente waarvan het college van burgemeester en wethouders de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in de desbetreffende basisadministratie;

– buitengemeentelijke afnemer: elke andere afnemer dan een binnengemeentelijke afnemer;

– derde: elke andere persoon of instelling dan een afnemer en de ingeschrevene;

– openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

 

Artikel 2

Het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente is de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens over de bevolking in een geautomatiseerde basisadministratie van persoonsgegevens.

 

Artikel 3

1. De basisadministraties hebben tot doel de afnemers te voorzien van de in artikel 34 bedoelde algemene gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers.

2. De basisadministraties hebben mede tot doel de afnemers, bedoeld in artikel 89, te voorzien van de in artikel 34 bedoelde bijzondere gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen algemene en bijzondere gegevens worden verstrekt aan een derde, in bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen.

4. De basisadministraties hebben mede tot doel een ingeschrevene te voorzien van de hem betreffende algemene gegevens.

 

Artikel 3a

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, worden aangemerkt als authentieke gegevens.

 

Artikel 3b

1. De afnemer die bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisadministratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 54 is geplaatst;

b. de afnemer ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 62doet;

c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

d. een goede vervulling van de taak van de afnemer door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

 

Artikel 3c

Een ingeschrevene aan wie door een afnemer een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 3b, eerste lid, van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene.

 

Artikel 4

1. Onze Minister draagt zorg voor de aanleg en de instandhouding van een beveiligd netwerk voor het met behulp van telecommunicatie geautomatiseerd verzenden en ontvangen van berichten in verband met de uitvoering van deze wet.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het gebruik van het netwerk voor andere berichten dan die waarvan de verzending en de ontvangst over het netwerk bij of krachtens de overige bepalingen van deze wet geregeld zijn.

3. Onze Minister legt de hoofdlijnen van het beheer van het netwerk vast in een regeling die in de Staatscourant bekend wordt gemaakt.

4. Al degenen die bij het beheer van het netwerk zijn betrokken, zijn verplicht de in het derde lid bedoelde regeling na te leven.

 

Artikel 5

1. In dit artikel wordt verstaan onder betrokkene:

a. een college van burgemeester en wethouders;

b. een buitengemeentelijke afnemer;

c. een derde als bedoeld in artikel 99;

d. een gebruiker van het netwerk, die de in artikel 4, tweede lid, bedoelde berichten over het netwerk verzendt of ontvangt.

2. Door een betrokkene worden bijdragen verstrekt in de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen categorieën van kosten in verband met de uitvoering van deze wet. Van de bij de maatregel te bepalen categorieën van kosten maken in ieder geval deel uit de kosten van het netwerk in verband met de verzending en de ontvangst van berichten over het netwerk, en de kosten van het beheer van het stelsel van gemeentelijke basisadministraties persoonsgegevens.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen bepaald van de bijdragen van de betrokkenen in de kosten, bedoeld in het tweede lid.

4. Indien een betrokkene geen rechtspersoonlijkheid bezit, komt de bijdrage ten laste van de rechtspersoon, waartoe de betrokkene behoort.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdragen, bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 6

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van de basisadministraties.

2. Aan de regels moet in ieder geval uitvoering worden gegeven vanaf een bij of krachtens de maatregel bepaald tijdstip.

3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld volgens welke uitgangspunten er een vergoeding zal plaatsvinden van de kosten die moeten worden gemaakt in verband met door het Rijk verplichte wijzigingen in de technische en administratieve inrichting en werking van de gemeentelijke basisadministraties.

 

Artikel 7

1. Het college van burgemeester en wethouders is slechts bevoegd uitvoering te geven aan de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels met toestemming van Onze Minister.

2. Aan de toestemming kunnen beperkingen worden verbonden.

 

Artikel 8

1. Het college van burgemeester en wethouders dient voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip een verzoek in tot het verlenen van een toestemming als bedoeld in artikel 7.

2. Bij of krachtens de maatregel kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het indienen van een verzoek om toestemming.

 

Artikel 9

1. Onze Minister verleent geen toestemming als bedoeld in artikel 7, dan nadat een onderzoek is verricht naar de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen waarmee het college van burgemeester en wethouders uitvoering wil geven aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

2. Het onderzoek omvat de door Onze Minister te bepalen onderdelen van de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen. Aan het college van burgemeester en wethouders wordt een nauwkeurige beschrijving verstrekt van de onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

3. Het college van burgemeester en wethouders stelt de door Onze Minister hiertoe aangewezen personen in staat gegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek.

4. Toestemming wordt slechts geweigerd indien uit het onderzoek blijkt dat de inrichting, de werking of de beveiliging van de voorzieningen, op de in het onderzoek opgenomen onderdelen niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

5. Indien toestemming wordt verleend, betreft het oordeel van Onze Minister dat de inrichting, de werking en de beveiliging van de voorzieningen voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid, slechts die onderdelen die in het onderzoek zijn opgenomen.

 

Artikel 10

1. Het college van burgemeester en wethouders dat in het bezit is van een toestemming als bedoeld in artikel 7, draagt zorg dat de inrichting, de werking en de beveiliging van de basisadministratie voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verschaffen van inlichtingen door het college van burgemeester en wethouders aan Onze Minister in verband met het aanbrengen van een verandering in de wijze van uitvoering van de regels, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

 

Artikel 11 [Vervallen per 01-10-2012]

 

Artikel 12 [Vervallen per 01-10-2012]

 

Artikel 13

1. In een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders slechts bevoegd is uitvoering te geven aan de gewijzigde regels met toestemming van Onze Minister.

2. De artikelen 7, tweede lid, en 8 tot en met 10, zijn van overeenkomstige toepassing op een toestemming als bedoeld in het eerste lid.

3. Een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels waarin de in het eerste lid bedoelde bepaling is opgenomen, wordt niet vastgesteld dan nadat de betrokken gemeenten, afnemers en derden de mogelijkheid is geboden hun zienswijze omtrent het voorstel tot wijziging naar voren te brengen.

4. In een regeling tot wijziging van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde regels, wordt bepaald op welk tijdstip de voor de uitvoering van die regeling te treffen voorzieningen moeten zijn gerealiseerd en vanaf welk tijdstip die regeling moet worden uitgevoerd.

5. Onze Minister kan na het ingevolge het vierde lid bepaalde tijdstip, onderzoek verrichten naar de getroffen voorzieningen.

6. De artikelen 9, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 14

1. Het college van burgemeester en wethouders legt de hoofdlijnen van het beheer van de basisadministratie vast in een regeling die voor een ieder ter inzage wordt gelegd.

2. Het college van burgemeester en wethouders, de in artikel 15 bedoelde bewerker en al degenen die verder bij het beheer van de basisadministratie zijn betrokken, zijn verplicht de in het eerste lid bedoelde regeling na te leven.

 

Artikel 15

Het college van burgemeester en wethouders kan

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x