Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  INTERIMREGELING  BEPERKING  SAMENLOOP  UITKERINGEN  AWW  EN  UITKERINGEN  ONGEVALLENWETTEN

Tekst zoals deze geldt op 21 januari 2006

Vervallen m.i.v. 10 mei 2006

 

 

 

 
WET van 9 april 1959, houdende een interimregeling inzake beperking van samenloop van pensioenen en uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met renten en uitkeringen ingevolge de Ongevallenwetten, bijslagen op die renten en uitkeringen en toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen inzake beperking van samenloop van pensioenen en uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met renten en uitkeringen ingevolge de Ongevallenwetten in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten, bijslagen op die renten en uitkeringen en toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

1. Samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen krachtens de Ongevallenwetten in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten

Artikel 1

1. In geval van samenloop over eenzelfde tijdvak van een wezenpensioen, een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met een rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919, wordt die rente of uitkering alsmede de daarop verleende wettelijke bijslag slechts uitbetaald, voorzover de rente of uitkering, vermeerderd met de bijslag, het pensioen of de tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de eerstgenoemde wet overtreft.

2. Waar in deze paragraaf wordt gesproken van:

a. wettelijke bijslag, wordt bedoeld de bijslag, verleend ingevolge de Wet tot aanvulling der ongevallenrenten en de Wet van 10 oktober 1962, Stb. 394, tot tijdelijke verdere verhoging van ongevalsuitkeringen in verbinding met - indien de bijslag wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;

b. een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, wordt bedoeld een rente, toegekend anders dan in verband met het bepaalde bij artikel 87 der Ongevallenwet 1921 onderscheidenlijk artikel 99 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in verbinding met - indien de rente wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;

c. een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919 - indien de uitkering wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - wordt bedoeld een uitkering ingevolge eerstgenoemde wet in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten.

3. Wanneer een weduwe in het genot is van een weduwenpensioen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt de door een eigen of daarmede, ingevolge artikel 10 der Algemene Weduwen- en Wezenwet, gelijkgesteld kind genoten rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919 alsmede de op die rente of uitkering genoten wettelijke bijslag voor de toepassing van het eerste lid geacht door de weduwe op grond van de genoemde artikelen te zijn genoten.

Artikel 2

In de gevallen, waarin artikel 1 toepassing vindt ten aanzien van een weduwe, die tevens in het genot is van rente ingevolge de Invaliditeitswet, waarop zij tot het in werking treden van deze wet ingevolge de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60) toe- en bijslagen genoot, wordt de in artikel 1 voorziene korting toegepast op het gezamenlijk bedrag der rente of uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919 en van de daarop verleende wettelijke bijslag, vermeerderd met de evenbedoelde toe- en bijslagen op de rente ingevolge de Invaliditeitswet.

Artikel 3

Het bepaalde bij het eerste lid van artikel 1 vindt overeenkomstige toepassing in geval van samenloop van de uitkering, bedoeld in artikel 15 der Algemene Weduwen- en Wezenwet met de uitkering, bedoeld in artikel 22 der Ongevallenwet 1921, artikel 43 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, derde lid, onder d, der Zeeongevallenwet 1919.

Artikel 4

1. In de gevallen, waarin artikel 30, eerste lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet toepassing vindt, wordt voor de toepassing van deze paragraaf onder het weduwenpensioen of de tijdelijke weduwenuitkering, bedoeld in artikel 1, verstaan het na toepassing van artikel 30, eerste lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet van dat pensioen of die uitkering uitbetaalde bedrag.

2. Indien het in artikel 1, eerste lid, bedoelde wezenpensioen samenloopt met een aldaar bedoelde rente of uitkering, toegekend met ingang van een datum, gelegen vr het in werking treden van deze wet en ten aanzien van de wees geen aanspraak op kinderbijslag bestaat ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, of de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 10 van laatstgenoemde wet, vindt de in artikel 1, eerste lid, voorziene korting plaats, nadat op het wezenpensioen in mindering is gebracht het bedrag aan kinderbijslag, dat vr het in werking treden van deze wet voor de wees ingevolge de Kinderbijslagwet voor invaliditeits-, ouderdoms- en wezenrentetrekkers werd genoten.

Artikel 5

Bij de toepassing van deze paragraaf wordt een verhoging, ingevolge artikel 21 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, van het pensioen of de tijdelijke weduwenuitkering, bedoeld in artikel 1, welke plaatsvindt na de dag, met ingang van welke de rente of de uitkering is toegekend, niet op de rente of uitkering in mindering gebracht.

Artikel 6

1. De uit het bepaalde in deze paragraaf voortvloeiende vermindering van de bedragen der uit te betalen renten of uitkeringen en wettelijke bijslagen wordt eerst toegepast op de bedragen van die bijslagen en vervolgens op die van de renten of uitkeringen.

2. In de gevallen, waarop artikel 1, derde lid, betrekking heeft, wordt de in het vorige lid bedoelde vermindering eerst toegepast op de aan de weduwe toegekende rente of uitkering en vervolgens, voorzoveel nodig, op de aan de kinderen toegekende renten of uitkeringen, naar evenredigheid van elk der aan de kinderen toegekende renten of uitkeringen.

3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden nadere regelen stellen.

Artikel 7

1. De met toepassing van het bepaalde in deze paragraaf over tijdvakken, gelegen vr de dag, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden, niet uitbetaalde bedragen der renten of uitkeringen, voor zover de datum van ingang ligt n 30 september 1959, komen ten goede aan de risicodragers, te wier laste deze renten of uitkeringen komen.

2. Met risicodrager wordt bedoeld:

a. wanneer het een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 betreft, het Ongevallenfonds, onderscheidenlijk de in artikel 54 der Ongevallenwet 1921 bedoelde werkgever, die is toegelaten om zelf het risico van de wettelijke ongevallenverzekering te dragen, dan wel de aldaar bedoelde naamloze vennootschap of vereniging, waaraan het risico van de wettelijke ongevallenverzekering is overgedragen, al naar gelang de rente ten laste komt van het genoemde fonds, onderscheidenlijk de bedoelde werkgever, vennootschap of vereniging;

b. wanneer het een rente ingevolge de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 betreft, het Landbouwongevallenfonds, onderscheidenlijk de bedrijfsvereniging in de zin van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, al naar gelang de rente ten laste komt van het genoemde fonds of de bedoelde bedrijfsvereniging;

c. wanneer het een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919 betreft, de persoon of personen, dan wel de verzekeraar of andere derde, onderscheidenlijk de Staat der Nederlanden, als bedoeld in artikel 6 van de Zeeongevallenwet 1919, al naar gelang de uitkering ten laste komt van de bedoelde persoon of personen, verzekeraar of andere derde dan wel de Staat der Nederlanden.

3. De met toepassing van het bepaalde in deze paragraaf over tijdvakken, gelegen vr de dag, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden, niet uitbetaalde bedragen der renten en uitkeringen, voor zover de datum van ingang ligt vr 1 oktober 1959, alsmede de in artikel 4, tweede lid, van de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 2 september 1959, nr. 3600, bedoelde interest, worden overgedragen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds als bedoeld in hoofdstuk III, 2, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4. Met betrekking tot de in het vorige lid bedoelde overdracht stelt Onze Minister nadere regelen.

Artikel 7a

In de gevallen, waarin het bepaalde in deze paragraaf toepassing heeft gevonden ten aanzien van renten, waarvan de datum van ingang ligt n 30 september 1959, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelen gegeven voor de berekening van de contante waarde dier renten in verband met de toepassing van de artikelen 57, 58 en 95 der Ongevallenwet 1921 en de artikelen 25 en 103 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.

2. Samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet

Artikel 8

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]

Artikel 9

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]

Artikel 10

De bepalingen van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en van haar uitvoeringsvoorschriften, alsmede de bepalingen van de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60), zoals die bepalingen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop deze wet in werking treedt, blijven van toepassing ten aanzien van:

a. weduwenrenten krachtens de Invaliditeitswet over tijdvakken, gelegen vr de dag, waarop deze wet in werking treedt;

b. weduwenrenten, toegekend aan vrouwen, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop deze wet in werking treedt, recht hadden op toe- en bijslagen op de weduwenrente en die geen aanspraak kunnen maken op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zulks tot de dag, met ingang waarvan zij wel aanspraak op een zodanig pensioen kunnen maken.

Artikel 11

1. Aan de weduwen, die in het genot zijn van een invaliditeitsrente krachtens de Invaliditeitswet en die aanspraak kunnen maken op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden over de tijd, waarover aanspraak op een zodanig pensioen bestaat, de toe- en bijslagen, bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en in artikel 1 van de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60), niet verstrekt.

2. Het bepaalde in het vorige lid blijft buiten toepassing in de gevallen, waarin artikel 30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt toegepast, met dien verstande, dat alsdan de toe- en bijslagen, bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en in artikel 1 van de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60), slechts worden uitbetaald, voor zover die toe- en bijslagen het na toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet uitbetaalde bedrag overtreffen.

Artikel 12

Aan de weduwen, die aanspraak kunnen maken op weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt over de tijd, waarover aanspraak op een zodanig pensioen bestaat, de toeslag, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet, niet verstrekt.

Artikel 13

Aan de wezen, die aanspraak kunnen maken op wezenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet dan wel ten aanzien van wie aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge artikel 76, tweede en vierde lid, van die wet, wordt over de tijd, waarover aanspraak op een zodanig pensioen of een zodanige kinderbijslag bestaat, de toeslag, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet, niet verstrekt.

3. Slotbepalingen

Artikel 14

De Sociale Verzekeringsbank, de uitvoeringsinstellingen, bedoeld in artikel 41, derde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Vereeniging Zee-Risico zijn gehouden elkaar wederkerig kosteloos de inlichtingen, welke ten behoeve van de uitvoering van deze wet worden verlangd, te verstrekken en toe te zenden.

Artikel 15

1. Ieder is verplicht aan de College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, de uitvoeringsinstellingen, bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Vereeniging Zee-Risico of aan een daartoe door of vanwege een van deze instanties aangewezen persoon de ten behoeve van de uitvoering van deze wet van hem verlangde inlichtingen te geven.

2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door een in het eerste lid bedoelde instantie of persoon schriftelijk te stellen termijn.

Artikel 16

Indien de in 1 van deze wet voorziene korting geen toepassing heeft gevonden als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door degene, aan wie tijdelijke weduwenuitkering of pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is toegekend, diens wettelijke vertegenwoordiger of de persoon, aan wie of het orgaan, aan hetwelk ingevolge artikel 31 of artikel 32 der Algemene Weduwen- en Wezenwet pensioen of tijdelijke weduwenuitkering wordt uitbetaald, kan hetgeen aan rente of uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919 en aan daarop verleende wettelijke bijslag, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a , te veel of ten onrechte is uitbetaald worden teruggevorderd, dan wel in mindering worden gebracht op later uit te betalen termijnen van de bedoelde rente of uitkering en wettelijke bijslag alsmede op later uit te betalen termijnen van het pensioen of de tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

Artikel 17

In de gevallen, waarin over een tijdvak, waarover reeds een rente of uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919 werd uitbetaald, naderhand tevens een pensioen of tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt toegekend, kan hetgeen als gevolg van het bepaalde in 1 aan zodanige rente of uitkering en aan daarop verleende wettelijke bijslag, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a , te veel of ten onrechte is uitbetaald, onverminderd het bepaalde in artikel 16, in mindering worden gebracht op de uit te betalen termijnen van dat pensioen of die tijdelijke weduwenuitkering.

Artikel 18

Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid kan ter uitvoering van deze wet nadere regelen stellen. Daarbij kan voor gevallen, waarin toepassing van de vorige artikelen er toe zou leiden, dat een belanghebbende wegens een ongeval dan wel een overlijden, dat vr het in werking treden van deze wet heeft plaats gevonden, minder aan inkomsten zou genieten dan vr genoemd tijdstip, de korting, voorzien in de vorige artikelen, naar billijkheid worden verminderd.

Artikel 18a

Waar in deze wet en in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van weduwe, wordt daaronder mede verstaan de vrouw, die ingevolge artikel 4a van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als weduwe wordt aangemerkt of ingevolge artikel 56a van die wet met een weduwe wordt gelijkgesteld.

Artikel 19

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

 

 

     Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerile Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 9 april 1959

 

JULIANA

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i.,
Beel

De Minister van Financin a.i.,
J. Zijlstra

 

Uitgegeven de achtentwintigste april 1959
De Minister van Justitie a.i.,
Struycken

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x