Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  KABELBAANINSTALLATIES

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 5 februari 2004, houdende regels met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (Wet kabelbaaninstallaties)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op Richtlijn nr. 2000/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (PbEG L 106), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1

1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. richtlijn: richtlijn nr. 2000/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (PbEG L106);

b. kabelbaaninstallatie: installatie als bedoeld in artikel 1, tweede, derde en vijfde lid, eerste streepje, van de richtlijn;

c. veiligheidscomponent: veiligheidscomponent als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, tweede streepje, van de richtlijn;

d. subsysteem: onderdeel van een kabelbaaninstallatie als bedoeld in bijlage I van de richtlijn;

e. opdrachtgever: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening een kabelbaaninstallatie wordt gebouwd, of diens gemachtigde;

f. constructeur: fabrikant van een veiligheidscomponent of een subsysteem, of ontwerper of bouwer van een kabelbaaninstallatie, of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde;

g. essentiŽle eisen: essentiŽle eisen bedoeld in bijlage II van de richtlijn;

h. CE-markering: symbool weergegeven in bijlage IX van de richtlijn;

i. overeenstemmingsbeoordeling: onderzoek naar het voldoen aan de essentiŽle eisen van veiligheidscomponenten of subsystemen;

j. kabelbaanvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 20, eerste lid;

k. keuringsinstantie: ingevolge artikel 5 aangewezen instantie;

l. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

2.In hoofdstuk 4, paragraaf 1, en hoofdstuk 5, wordt onder keuringsinstantie mede verstaan een door een andere lidstaat van de Europese Unie bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instantie, belast met de in het kader van de procedure van overeenstemmingsbeoordeling in bijlage V en VII van de richtlijn uit te voeren taken, dan wel het uitvoeren van een veiligheidsanalyse op grond van bijlage III van de richtlijn.

3.In deze wet wordt onder het bouwen van een kabelbaaninstallatie mede verstaan het vernieuwen, veranderen of vergroten van een kabelbaaninstallatie.

 

Artikel 2

Deze wet is niet van toepassing op:

a. liften;

b. traditioneel gebouwde kabeltrams;

c. installaties die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;

d. attractie- en speeltoestellen;

e. mijnbouwinstallaties en installaties die worden aangelegd of gebruikt voor industriŽle doeleinden;

f. kabelponten;

g. tandradbanen;

h. met kettingen voortbewogen installaties.

 

Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen

 

Artikel 3

1.Veiligheidscomponenten worden slechts in de handel gebracht of in bedrijf gesteld indien zij voldoen aan de essentiŽle eisen en zijn voorzien van een CE-markering.

2.Subsystemen worden slechts in de handel gebracht of in bedrijf gesteld indien zij voldoen aan de essentiŽle eisen en zijn voorzien van een EG-keuringscertificaat.

3.Een kabelbaaninstallatie wordt slechts in bedrijf gesteld en gehouden indien zij voldoet aan de essentiŽle eisen en bij gebruik volgens haar bestemming geen gevaar oplevert voor de veiligheid en de gezondheid van personen en de veiligheid van goederen.

 

Artikel 4

1.Veiligheidscomponenten, subsystemen en kabelbaaninstallaties die overeenstemmen met door Onze Minister aan te wijzen nationale normen ter omzetting van geharmoniseerde normen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn, worden vermoed te voldoen aan de essentiŽle eisen.

2.Bij het ontbreken van op Europees niveau geharmoniseerde normen, kan Onze Minister normen aanwijzen die van belang zijn voor de juiste toepassing van de essentiŽle eisen.

3.De referentienummers van de normen bedoeld in het eerste lid en tweede lid, worden bekendgemaakt in de Staatscourant.

 

Hoofdstuk 3. Aanwijzing van keuringsinstanties

 

Artikel 5

Onze Minister kan, met inachtneming van bijlage VIII van de richtlijn, keuringsinstanties aanwijzen die belast zijn met:

a. door hem aan te geven taken in het kader van de procedures van overeenstemmingsbeoordeling, zoals opgenomen in de bijlagen V en VII van de richtlijn;

b. het uitvoeren van veiligheidsanalyses als omschreven in bijlage III van de richtlijn.

 

Artikel 6

1.Aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen mede betrekking hebben op de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x