Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  DE  DIERPROEVEN

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Dierproevenbesluit
- Regeling huisvesting en verzorging proefdieren

 

 

WET van 12 januari 1977, houdende regelen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bescherming van het dier regelen te stellen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

1.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder dierproef of proef verstaan: het geheel van handelingen, dat ten aanzien van een levend gewerveld dier, dan wel een levend ongewerveld dier van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soort, wordt uitgevoerd met het doel:

a. sera, vaccins, diagnostica of andere medische, veterinaire of biologische zelfstandigheden te produceren of te controleren, of biologische ijkingen uit te voeren,

b. toxicologisch of farmacologisch onderzoek te verrichten,

c. zwangerschap, ziekelijke of andere lichamelijke toestanden of lichamelijke kenmerken van mensen of dieren of overeenkomstige toestanden of kenmerken van planten te herkennen of op te sporen, anders dan in de uitoefening van de diergeneeskunde op het betrokken dier,

d. kennis van het menselijke of dierlijke lichaam, of handvaardigheid in het verrichten van ingrepen daarop, te verschaffen of te ontwikkelen, of

e. een antwoord te verkrijgen op een wetenschappelijke vraag,

voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat daardoor het dier ongerief kan worden berokkend, of waarvan het beoogde of mogelijke gevolg de geboorte is van een dier dat ongerief ondergaat.

2.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder het berokkenen van ongerief verstaan: het berokkenen van pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel.

3.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder het verrichten van een dierproef en het verrichten van een proef verstaan zowel het verrichten van een volledige dierproef als het verrichten van een gedeelte van een dierproef.

4.Voor de toepassing van het bij of krachtens de artikelen 11-14 van deze wet bepaalde wordt, met betrekking tot de inrichtingen van degene die handelingen als bedoeld in het eerste lid verricht, het aanwezig hebben van dieren met het verrichten van dierproeven gelijk gesteld, behoudens voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat de dieren om andere redenen aanwezig zijn.

5.Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt voorts verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

inspecteur: de op grond van een aanwijzing krachtens artikel 20 ter plaatse bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid.

6.Bij algemene maatregel van bestuur worden ongewervelde diersoorten aangewezen waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij ongerief ondervinden van een dierproef.

 

Artikel 1a

Bij uitoefening van bevoegdheden bij of krachtens deze wet wordt de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier als algemeen uitgangspunt gehanteerd.

 

Artikel 2

1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister dierproeven te verrichten.

2. De vergunning geldt, voor wat betreft het verrichten van proeven als in artikel 1, eerste lid, onder a-d bedoeld, uitsluitend voor zover de proeven, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op het belang van de gezondheid of de voeding van mens of dier.

3. Indien Onze Minister van oordeel is dat een gewichtig ander belang zulks wettigt, kan hij in de vergunning bepalen dat zij mede geldt voor het verrichten van dierproeven als in artikel 1, eerste lid, onder a-d bedoeld, die, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op dat - in de vergunning aan te geven - andere belang.

4. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 3

1.Onze Minister kan regelen stellen, inhoudende welke gegevens bij een aanvrage om vergunning dienen te worden verstrekt.

2.Bij het indienen van een aanvrage dient een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag te worden betaald.

 

Artikel 4

1.Op een aanvrage om vergunning wordt binnen acht weken beslist. Onze Minister kan bij beschikking deze termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

2.Onze Minister beslist in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat.

3.Van het verlenen van een vergunning wordt in de Staatscourant mededeling gedaan. Daarbij worden de hoofdzaken vermeld van hetgeen de vergunning bevat met betrekking tot het doel van de proeven en van de in de vergunning gestelde beperkingen en voorschriften. Toepassing van de vorige volzin kan achterwege blijven, voor zover daartegen op in de mededeling aan te geven gronden bezwaren bestaan.

 

Artikel 5

Een vergunning kan slechts worden geweigerd indien:

a. gegronde vrees bestaat, dat de vergunninghouder krachtens deze wet voor hem geldende voorschriften niet zou naleven;

b. een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is ingetrokken anders dan op de in artikel 7, tweede lid, onder b, genoemde grond en nog niet twee jaren zijn verstreken sedert de beslissing tot intrekking onherroepelijk is geworden.

 

Artikel 6

1.Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

2.Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.

 

Artikel 7

1.Een vergunning wordt ingetrokken indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

2.Een vergunning kan overigens worden ingetrokken indien:

a. blijkt dat de vergunninghouder krachtens deze wet voor hem geldende voorschriften niet heeft nageleefd;

b. gedurende een ononderbroken tijdvak van een jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

3.In gevallen waarin de vergunning kan worden ingetrokken, kan, in plaats daarvan, een beperking aan de vergunning worden toegevoegd.

4.Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.Van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

 

Artikel 8

1.Een vergunning krachtens deze wet wordt

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x