Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  DE  ERKENDE  ONDERWIJSINSTELLINGEN  (WEO)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit op de erkende onderwijsinstellingen
- Besluit reikwijdte Wet op de erkende onderwijsinstellingen

 

 

WET van 4 juli 1985, houdende Wet op de erkende onderwijsinstellingen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een regeling voor erkenning voor het bijzonder onderwijs, dat niet uit ís Rijks kas wordt bekostigd;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Titel I. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

a. "Onze Minister": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. "instelling": een instelling voor onderwijs die uitgaat van een natuurlijke persoon dan wel van een privaatrechtelijke rechtspersoon;

c. "bevoegd gezag": de natuurlijke persoon van wie de instelling uitgaat dan wel het orgaan van de rechtspersoon dat bevoegd is terzake van de instelling rechtshandelingen te verrichten;

d. "de inspectie": de inspectie bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop deze wet van toepassing is;

e. "schriftelijk onderwijs": onderwijs waarbij de communicatie tussen cursist en instelling zich geheel of in hoofdzaak voltrekt door geregelde uitwisseling van het gedrukte en geschreven woord al dan niet in combinatie met visuele, auditieve, audiovisuele of andere hulpmiddelen;

f. "auteur": hij die ten behoeve van het schriftelijk onderwijs door het bevoegd gezag is belast met het samenstellen en bijhouden van de schriftelijke lessen dan wel de daarbij behorende hulpmiddelen, dan wel beide;

g. "docent": hij die door het bevoegd gezag is belast met het geven van mondelinge lessen dan wel het corrigeren en van aanwijzingen voorzien van het door cursisten ingezonden werk dan wel beide;

h. "cursus": een educatieve activiteit, waarbij door interactie tussen docent en cursist met een vooropgezet leerdoel een afgeronde hoeveelheid kennis, vaardigheid of attitudes wordt overgedragen. Indien een instelling ten behoeve van een wederpartij slechts een deel van de cursus verzorgt, wordt dit deel als cursus aangemerkt;

i. "deelexamen": een voor de cursist op zich staand examen in een examenvak.

 

Artikel 2. Reikwijdte wet

1.Deze wet is van toepassing op het onderwijs dat niet volledig en rechtstreeks uit ís Rijks kas wordt bekostigd, gericht op het afleggen van een van de volgende examens:

a. een staatsexamen als bedoeld in artikel 60 van de Wet op het voortgezet onderwijs,

b. een examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 30 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en

c. een examen als bedoeld in artikel 115 dan wel 116 van de Overgangswet W.V.O.

2.Deze wet is niet van toepassing op het onderwijs, aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op onderwijs verricht in het kader van contractactiviteiten in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

Titel II. Erkenning

 

Artikel 3. Voorwaarden erkenning

Onze Minister erkent een instelling, indien zij voldoet aan de voorschriften van deze wet en van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 9, tweede lid. Daar waar de erkenning betrekking heeft op een instelling die mede landbouwonderwijs verzorgt, handelt Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken.

 

Artikel 4. Verzoek om erkenning; gegevens

1.Een verzoek om erkenning wordt ingediend door het bevoegd gezag van de instelling.

2.Het verzoek gaat vergezeld van gegevens omtrent het aantal en de aard der cursussen en het aantal cursisten, alsmede van een opgave van auteurs en/of docenten onder vermelding van hun onderwijsbevoegdheid bedoeld in artikel 7, en een in artikel 8 bedoelde verklaring omtrent het gedrag van de leden van de directie van de instelling, en voor zover de instelling eigen examens verzorgt en artikel 12 van toepassing is, de examenreglementen bedoeld in artikel 12, eerste lid.

3.Het bevoegd gezag van de te erkennen instelling is desgevraagd verplicht Onze Minister nadere inlichtingen te verstrekken.

4.Onze Minister kan zich omtrent de kwaliteit van de cursussen van de te erkennen instelling door deskundigen doen voorlichten.

 

Artikel 5. Beslissing op het verzoek

Na ontvangst van het verzoek om erkenning en de in artikel 4, tweede lid, bedoelde bijlagen wordt binnen 1 jaar na ontvangst hiervan, daarop een beslissing genomen.

 

Titel III. Voorwaarden voor de erkende instelling

 

Artikel 6. Vermelding van erkenning

1.Het bevoegd gezag van de instelling vermeldt de erkenning in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame met de woorden "erkend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen".

2.Indien de instelling andere activiteiten verricht dan het onderwijs waarop deze wet van toepassing is, moet het bevoegd gezag in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame, duidelijk doen uitkomen op welk onderwijs de erkenning betrekking heeft.

 

Artikel 7. Bewijzen en verklaringen van bekwaamheid

1.De auteurs en docenten zijn in het bezit van een bewijs dan wel verklaring van bekwaamheid, zoals die voor het desbetreffende vak voor het op grond van een onderwijswet uit ís Rijks kas bekostigd onderwijs vereist zijn en indien er geen overeenkomstig op grond van een onderwijswet uit ís Rijks kas bekostigd onderwijs is, een door Onze Minister aanvaard bewijs of aanvaarde verklaring van bekwaamheid.

2.Onder onderwijswet bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de Kleuteronderwijswet (Stb. 1974, 564), de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Experimentenwet onderwijs (Stb. 1970, 370) en het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (Stb. 1978, 582).

3.Onze Minister kan goedkeuren dat wordt afgeweken van de in het eerste lid gestelde eis.

 

Artikel 8. Verklaring omtrent het gedrag

De leden van de directie van de instellingen zijn in het bezit van een

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x