Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  DE  KAMERS  VAN  KOOPHANDEL  EN  FABRIEKEN  1997

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2013

Vervallen m.i.v. 1 januari 2014

(Zie Wet op de Kamer van Koophandel)

 

 

 

 
WET van 24 december 1997, houdende regels omtrent de kamers van koophandel en fabrieken

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen omtrent de instelling, het bestuur, de taken en de financiering van de kamers van koophandel en fabrieken;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

b. SER: Sociaal-Economische Raad;

c. kamer: kamer van koophandel en fabrieken;

d. hoofdvestigingskamer: de kamer waarbij de onderneming op grond van artikel 18, zesde lid, van de Handelsregisterwet 2007 ingeschreven is of behoort te zijn;

e. nevenvestigingskamer: de kamer in het gebied waarvan een nevenvestiging van de onderneming gelegen is, niet zijnde de hoofdvestigingskamer;

f. samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband bedoeld in artikel 22a;

g. overlegorganisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die niet bedrijfsmatig werkzaam is, blijkens zijn statuten met betrekking tot meerdere bedrijfstakken tot doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers of werknemers en door de SER voor meerdere kamers als organisatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, is aangewezen.

 

Hoofdstuk 2. Instelling van de kamers

 

Artikel 2

1. Over het gehele land zijn er kamers van koophandel en fabrieken die tot doel hebben de bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening in hun gebied.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de kamers ingesteld en opgeheven en wordt voor elke kamer het gebied vastgesteld.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de gevolgen van de instelling, opheffing en gebiedsindeling van de kamers, waarbij zonodig voor de duur van ten hoogste vier jaren kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8, 9,10, 11, 17, 36, 45, 45a, 47, 48, 49, 51 en 52 en artikel 49 van de Handelsregisterwet 200..

4. Alvorens Onze Minister een voordracht voor een besluit als bedoeld in het tweede of derde lid doet, stelt hij de kamers, waarvan het gebied bij het in overweging zijnde besluit betrokken is, in de gelegenheid van hun inzicht te doen blijken.

 

Artikel 3

1. De kamers bezitten rechtspersoonlijkheid.

2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 12, eerste lid, 13, tweede en derde lid, en 14, tweede lid.

 

Artikel 4

De bepalingen van deze wet zijn tevens van toepassing op instellingen die door de kamers met de uitvoering van een deel van hun taken als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 29 worden belast.

 

Hoofdstuk 3. Bestuur van de kamers

 

Paragraaf 1. Inrichting van het bestuur

 

Artikel 5

1.Het bestuur van een kamer bestaat uit een algemeen bestuur en een voorzitter.

2.Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de kamer.

 

Artikel 6

1. Het algemeen bestuur benoemt al dan niet uit zijn midden een voorzitter. De uit het midden van het algemeen bestuur benoemde voorzitter is lid van het algemeen bestuur en heeft stemrecht. De niet uit het midden van het algemeen bestuur benoemde voorzitter is lid van het algemeen bestuur en heeft geen stemrecht. Voor de toepassing van artikel 7 wordt de niet uit het midden van het algemeen bestuur benoemde voorzitter niet als lid van het algemeen bestuur aangemerkt.

2. Het algemeen bestuur benoemt uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde benoemingen geschieden voor een door het algemeen bestuur te bepalen termijn, die de zittingsduur van het algemeen bestuur niet overschrijdt.

4. Het algemeen bestuur kan een voorzitter of plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan.

5. Onze Minister kan in bijzondere omstandigheden een voorzitter of plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan, gehoord het algemeen bestuur.

 

Paragraaf 2. Samenstelling van het algemeen bestuur

 

Artikel 7

1.Het algemeen bestuur bestaat voor eenderde deel uit leden afkomstig uit de kring van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, voor eenderde deel uit leden afkomstig uit de kring van overige ondernemers en voor eenderde deel uit leden afkomstig uit de kring van werknemers.

2.Het aantal leden van het algemeen bestuur bedraagt ten hoogste vierentwintig.

3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de criteria ter bepaling van het in het tweede lid bedoelde aantal.

 

Artikel 8

1.De leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij treden tegelijk af en kunnen ten hoogste tweemaal worden herbenoemd.

2.Degene die lid is geworden ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is getreden, had moeten aftreden.

 

Artikel 9

1.Tot lid van het algemeen bestuur van een kamer kunnen alleen worden benoemd degenen, die:

a. nauw betrokken zijn bij een onderneming in het gebied van de kamer;

b. niet in staat van faillissement verkeren of anderszins de beschikking of het beheer over hun goederen verloren hebben;

c. voorafgaand aan de benoeming niet meer dan acht jaren hebben deel genomen aan het bestuur van een kamer;

d. niet reeds, voor dezelfde zittingsperiode, benoemd zijn tot lid van het algemeen bestuur van een andere kamer en

e. niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht in de zin van de Kieswet zijn ontzet.

2.Bij regeling van Onze Minister kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot de benoembaarheid tot lid van het algemeen bestuur.

3.De in het tweede lid bedoelde regeling bevat in ieder geval een benoemingscode, op grond waarvan de benoemingsgerechtigde organisaties hun leden in het algemeen bestuur benoemen.

4.De in het tweede lid bedoelde regeling en iedere wijziging hiervan treden niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

 

Artikel 10

1.De SER bepaalt, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 7 gestelde regels, voor iedere kamer en voor iedere zittingsperiode afzonderlijk, de takken van handel, industrie, ambacht en dienstverlening waarvoor leden zitting hebben in de kamer, alsmede het aantal leden dat voor elk van de aangewezen takken in de kamer zitting heeft.

2.Voordat de SER een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, stelt hij het algemeen bestuur in de gelegenheid van zijn inzicht daaromtrent te doen blijken.

3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid alsmede van het openstellen van de in het tweede lid bedoelde gelegenheid doet de SER openbare kennisgeving.

 

Artikel 11

1. De leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x