Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             

 
vorige

 

WET  OP  DE  MOTORRIJTUIGENBELASTING  1966  (Wet MRB 1966)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

 

 

WET van 21 juli 1966, houdende vervanging van de Motorrijtuigenbelastingwet (Stb. 1926, 464) door een nieuwe wettelijke regeling
 
 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving betreffende de motorrijtuigenbelasting aan te passen aan de Algemene wet inzake rijksbelastingen en voorts op enkele punten te wijzigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Belastbaar feit

Artikel 1

Onder de naam "motorrijtuigenbelasting" wordt een belasting geheven ter zake van het gebruik van de weg:

a.
met een motorrijtuig op twee wielen;
b.
met een motorrijtuig dat op de voet van artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt aangemerkt als een personenauto;
c.
met een ander motorrijtuig dan is bedoeld onder letter a of b, door daarmede op de weg te rijden.

Artikel 2

1.
Onder motorrijtuig wordt verstaan het rij- of voertuig dat is bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig.
2.
Met afwijking van het eerste lid wordt niet als motorrijtuig aangemerkt een bromfiets in de zin van de wegenverkeerswetgeving.
3.
Onder weg wordt verstaan elke voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.
4.
Als weg wordt niet aangemerkt een weg of pad, niet in beheer bij een publiekrechtelijk lichaam.

Artikel 3

1.
De belasting wordt geheven voor elk motorrijtuig afzonderlijk.
2.
Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, met betrekking tot motorrijtuigen die deel uitmaken van een zelfde fabrieks- of handelsvoorraad of bij een zelfde bedrijf in herstelling zijn en waarmede uitsluitend in verband daarmede de weg wordt gebruikt, toestaan dat de belasting niet voor elk motorrijtuig afzonderlijk wordt geheven.

Artikel 4

1.
De belasting wordt geheven van de houder van het motorrijtuig.
2.
Met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, wordt, tenzij anders blijkt, als houder beschouwd degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken in dat register is ingeschreven.

Hoofdstuk II. Tarief en vrijstellingen

Artikel 5

1.
De belasting bedraagt over een tijdvak van twaalf maanden:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x